Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.4
4.7.4 De achtergrond van de vertrouwenseis
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503643:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Barendrecht e.a. 2002, p. 32, Roozendaal 2008, p. 24, de conclusie van A-G Keus, onder 2.19, voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst) en Jansen 2013a, p. 55. Vgl. CRvB 1 maart 1990, AB 1990/471 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Vrijwillige ziekenfondsverzekering), CRvB 11 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3033 (Voorwaardelijk pensioen), Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:375, r.o. 4.3 (Geologistiek en J.P. Schilder/Baarn) en Rb. Zutphen 28 december 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BV2666 (Camping De Bosmuis).
Vgl. artikel 6:228 lid 1 BW, waarin wordt gesproken van een overeenkomst die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten.
Zie reeds Zaaijer 1928, p. 2-3.
Kortmann 1985, p. 8.
Een scherp onderscheid tussen beide dwalingen kan echter niet worden gemaakt. Zie Brunner 1993, p. 1314. Vgl. de conclusie van A-G Haak voor HR 13 februari 1981, NJ 1981/441 m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuskens/Janssen), waarin de A-G opmerkt dat tussen rechtsdwaling en feitelijke dwaling geen principieel maar hooguit een gradueel verschil bestaat. Het ontbreken van een wezenlijk verschil doet zich wellicht in het bijzonder voelen bij een bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bevat weliswaar materiële rechtsregels, maar bevindt zich door de vele feitelijke aanrakingspunten min of meer in een overgangsgebied tussen feit en recht. Het bestemmingsplan wordt om die reden veeleer als feitensubstraat worden ervaren, aldus de A-G.
Zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, AB 2018/300 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2018/117 m.nt. D.G.J. Sanderink r.o. 3.3.3 (TMG/Staat), HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.16 (Cliëntenremisier Dexia) en HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006/115 m.nt. C.E. du Perron, r.o. 3.4 (Bosman/G.). Vgl. Kortmann 1985, p. 10 en Vranken 1989, p. 182.
De Jong 2011, p. 126-127 en Loth & Tjong Tjin Tai 2014, punt 2.
HR 13 februari 1981, NJ 1981/441 m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuskens/Janssen).
Vgl. de strafrechtelijke ‘verontschuldigbare onbewustheid’ ten aanzien van de ongeoorloofdheid van een strafbare gedraging, waarvan onder meer sprake kan zijn als de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Zie bijvoorbeeld HR 13 december 1960, NJ 1961/416 m.nt. W.P.J. Pompe (Juridisch advies), HR 23 mei 1995, NJ 1995/631 (Voorlichtingsfolder) en HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898 (Op het gras).
Vranken 1989, p. 201-202.
Vgl. Menu 1994, p. 147-149. Vgl. het voorstel van Kortmann 2018, p. 189, voor een wettelijke bepaling omtrent schadevergoeding wegens informatieverstrekking, waarin vooropstaat dat slechts degene die niet twijfelde noch behoefde te twijfelen aan de juistheid en volledigheid aanspraak heeft op schadevergoeding. Zie hierover paragraaf 8.5.
Zie voor dit uitgangspunt bijvoorbeeld CRvB 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3866 (Omzettingsbesluit) en CRvB 9 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4265 (Inkomensverrekening), waarover Damen 2018, p. 43-44.
Zie voor deze vooropstelling bijvoorbeeld HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7198, r.o. 3.4.1 (Veghelse varkenshouder), Hof Den Haag 11 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4598 (Staat/RoderSana), Hof Den Haag 26 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:851, r.o. 3.3 (Schetsplan Dordrecht), Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.9.1 (LPG-vulpunt Uden II), Hof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ2227, r.o. 4.14 (LPG-vulpunt Uden I), Hof ‘s-Hertogenbosch 14 februari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2580, r.o. 4.12 (Veghelse varkenshouder), Hof Leeuwarden 17 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5760, r.o. 14 (Winkelschip Groningen), Rb. Dordrecht 13 april 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ1331, r.o. 5.3 (Schetsplan Dordrecht), Rb. Gelderland 3 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8162, r.o. 4.3 (Appartementsrechten Nijmegen) en Rb. Overijssel 9 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1076, r.o. 5.3 (AK Bouw/Hengelo). Vgl. de conclusie van A-G Keus, onder 2.8, voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4471 (Grasgroep/’s-Hertogenbosch) en Rb. Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7804, r.o. 4.9 (Konekto/Staat).
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Zaaijer 1928, p. 4, schreef reeds dat de rechtsdwaling een ‘gansch normaal verschijnsel’ is, dat veel eerder te verwachten is dan bekendheid met het recht.
Uit het voorgaande volgt dat het verstrekken van onjuiste informatie niet automatisch een onrechtmatige daad inhoudt.1 De reden hiervoor kan erop worden teruggevoerd dat de stelling dat (onjuiste) informatieverstrekking door de overheid ertoe heeft geleid dat de burger anders heeft gehandeld dan hij zou hebben gedaan wanneer hij over een juiste voorstelling van zaken had beschikt, in veel gevallen neerkomt op een beroep op dwaling. Deze stelling kenmerkt zich in elk geval hierdoor dat een juiste voorstelling van zaken ten tijde van de informatieverstrekking ontbrak, zowel bij de burger als bij de overheid.2 Er is sprake van een wederzijdse dwaling, omdat zowel de overheid als de burger aanvankelijk niet hebben onderkend dat de gegeven informatie onjuist was. In dit verband wordt in de literatuur wel een onderscheid gemaakt tussen rechtsdwaling en feitelijke dwaling.3 Een feitelijke dwaling heeft betrekking op de feiten, terwijl een rechtsdwaling betrekking heeft op het bestaan, de inhoud of de betekenis van een al dan niet geschreven regel van objectief recht, veelal een wettelijke bepaling.4 Deze beide vormen van dwaling bieden handvatten voor de kwalificatie van het verwijt dat de overheid in voorkomend geval kan worden gemaakt (vgl. paragraaf 1.5.2).5
Het gebruik van de term ‘rechtsdwaling’ is onlosmakelijk verbonden met de fictie dat ‘eenieder wordt geacht de wet te kennen’. Deze fictie, die in paragraaf 2.3.1.2 reeds aan de orde kwam, maakt een objectieve toepassing van het recht mogelijk, ongeacht de kennis die de individuele burger daarvan heeft. Bij die toepassing moet worden geabstraheerd van de rechtskennis van de individuele burger, om zodoende te verzekeren dat burgers zoveel mogelijk gelijk worden behandeld. Aan het hanteren van deze fictie kleven bezwaren. Deze bezwaren worden met name zichtbaar wanneer de burger voor (de gevolgen van de toepassing van) een rechtsregel komt te staan waarvan hij geen of onvoldoende kennis heeft. Met andere woorden, wanneer hij dwaalt omtrent het recht.
Een beroep op dwaling omtrent de uitleg van het objectieve recht kan – in het belang van een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer – in het algemeen niet worden aanvaard.6 Een dwaling in het objectieve recht dient in beginsel voor rekening van de dwalende te blijven. In beginsel, want in bijzondere omstandigheden is wel degelijk plaats voor het honoreren van een beroep op rechtsdwaling. Hiervoor kan plaats zijn indien (i) de dwaling verschoonbaar is en (ii) deze niet om een andere reden voor risico van de dwalende moet komen.7 Van een verschoonbare rechtsdwaling kan, meer in het bijzonder, sprake zijn indien de betreffende wettelijke regeling het onderwerp was van mededelingen die zijn gedaan door of namens het bestuursorgaan dat over bevoegdheden beschikt in verband met de uitvoering daarvan. Zo komen wij terug bij het onderwerp van dit boek.
In het arrest Kleuskens/Janssen oordeelde de Hoge Raad dat het hof geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door (in de gegeven omstandigheden) te oordelen dat een geslaagd beroep op dwaling toekwam aan de koper van de onroerende zaak die onjuist was voorgelicht door een drietal ambtenaren van de gemeente Helden over de bestemming van het perceel.8 Daar de koper de gewenste inlichtingen op een ‘gebruikelijke en redelijke manier’ had ingewonnen, was het hof van mening dat niet de eis mocht worden gesteld dat de koper het bestemmingsplan en de planvoorschriften zelf had moeten raadplegen.
In een dergelijk geval wordt de rechtsdwaling niet veroorzaakt door een eigen onbekendheid met het recht of de uitwerking daarvan, maar door een onjuiste voorstelling die in het leven is geroepen door een externe factor: de overheid, althans haar functionarissen. De rechtsdwaling is dan verschoonbaar omdat de dwalende niet kan worden tegengeworpen dat hij geen of onvoldoende kennis heeft genomen van wettelijke voorschriften, als daaromtrent mededelingen zijn gedaan door een instantie die bij uitstek deskundig wordt geacht met betrekking tot dat voorschrift.9
Een en ander kan worden geplaatst in de sleutel van het ‘derde perspectief van Vranken’.10 In zijn standaardwerk over mededelings-, informatie- en onderzoeksplichten in het verbintenissenrecht heeft Vranken een aantal perspectieven geformuleerd van waaruit de plaats, functie en betekenis van deze plichten kan worden bezien. Eén van deze perspectieven is dat van bescherming van opgewekt vertrouwen, ofwel de bescherming van niet weten en niet behoren te weten. Het gaat hierbij om de verbinding van de elementen van rechtsbescherming en een zo soepel mogelijk verlopend rechtsverkeer, in de zin dat men onder bepaalde voorwaarden mag afgaan op wat zich als werkelijkheid presenteert. Het uitgangspunt van dit perspectief is niet gelegen in de bescherming van de benadeelde die in een ongelijke positie verkeert, maar een risicotoedeling op basis van wat de ander weet of behoort te weten in een normaal verlopend rechtsverkeer. Fouten en vergissingen komen voor eigen risico, tenzij de wederpartij ze heeft opgewekt, kende of had moeten voorkomen.
Indien de burger er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige informatie werd verstrekt, bestaat geen grond (meer) om hem tegen te werpen dat hij zelf onvoldoende kennis van het recht had of heeft vergaard.11 In dit geval kan de burger zich op het standpunt stellen dat hij verschoonbaar heeft gedwaald over de betekenis van een wettelijke regeling voor zijn situatie. In dit geval – en slechts in dit geval – kan niet worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat de burger zelf verantwoordelijk is voor het verkrijgen van rechtskennis.12 De vooropstelling van de eigen onderzoeksplicht en eigen verantwoordelijkheid van de burger dient in dit geval te wijken.13 Indien gerechtvaardigd mocht worden vertrouwd, ging de burger ervan uit dat de overheid hem een volledig inzicht heeft verschaft in de gevolgen van een rechtsregel voor zijn concrete situatie. Hiermee wordt de absolute noodzaak van het doen van (nader) eigen onderzoek weggenomen.
In het voorgaande is gesproken over gerechtvaardigd vertrouwen. Deze term wordt echter niet gebruikt in het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel.14 De Hoge Raad acht hierin beslissend of de belanghebbende redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hij juist en volledig werd geïnformeerd. Deze termen hebben niet dezelfde betekenis. Het oordeel dat vertrouwen al dan niet gerechtvaardigd is, is een waardeoordeel. Dit oordeel betekent dat het vertrouwen op voldoende grond berust. Dit is het geval indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft mogen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de overheidsinformatie. De term ‘redelijkerwijs’ geeft zodoende een nadere invulling aan het begrip ‘gerechtvaardigd’. Het vertrouwen van de burger die redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen is als gerechtvaardigd vertrouwen aan te merken.
De slotsom is dat de aanwezigheid van een gerechtvaardigd vertrouwen op juiste informatieverstrekking ten grondslag ligt aan de verschoonbaarheid van de rechtsdwaling van de burger in de context van onjuiste informatieverstrekking. Hierbij past nog de kanttekening dat de burger die zich tot de overheid wendt met een rechtsvraag, op dat moment reeds een incomplete voorstelling van zaken heeft, in de zin van onbekendheid met het objectieve recht.15 Dat hij toenadering tot de overheid zoekt, is ingegeven door de wens om die ‘rechtsdwaling in ruime zin’ uit de wereld te helpen, om te horen welke betekenis een abstracte rechtsregel voor zijn situatie heeft. De verstrekking van onjuiste informatie heeft in die zin slechts tot gevolg dat de wetenschap van onbekendheid met het recht wordt vervangen door het vertrouwen dat de burger weet hoe de vork in de steel zit. In wezen doet zich een substitutie van rechtsdwalingen voor. Dat de laatste rechtsdwaling – anders dan de eerste – onder omstandigheden verschoonbaar is, is erdoor te verklaren dat deze door toedoen van de overheid in het leven is geroepen. Waar de burger zich in de eerste situatie terdege bewust was van zijn onwetendheid, is dat bewustzijn weggenomen door de verstrekte overheidsinformatie. Het overheidshandelen, bestaande uit informatieverstrekking, heeft feitelijk het besef weggenomen van de noodzaak om zich (nader) te (doen) informeren.