Het inzagerecht
Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/:Samenvatting
Archief
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/
Samenvatting
Documentgegevens:
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS453999:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift is de neerslag van een onderzoek naar de vraag of er een recht bestaat op het verkrijgen van informatie die in handen is van een ander en, zo ja, welke omstandigheden recht op informatie (hierna het recht op inzage of inzage-recht) geven en de reikwijdte van dit recht op inzage. Tevens komt aan de orde de plaats die dit recht op inzage heeft in ons burgerlijk (proces)recht.
In hoofdstuk 2 wordt een beknopt overzicht gegeven van de geschiedenis van het inzagerecht in Nederland. Het inzagerecht is in Nederland voor het eerst verwoord in het op 22 november 1820 aan de Staten Generaal aangeboden ontwerp Burgerlijk Wetboek. Het recht is in dat ontwerp neergelegd in de artikelen 3344 tot en met 3347 BW. Het ontwerp is nooit wet geworden.
Het evenmin in werking getreden BW van 1825 bevat ook een regeling voor het recht op inzage en wel in de artikelen 19 en 24 van de eerste titel van het vierde boek. Deze twee artikelen geven een ruim recht op inzage, waarin de vraag wie eigenaar van het stuk is, niet van belang is. De wetgever had de bedoeling om aan een ieder die bewijsrechtelijke belangen had bij de inhoud van een stuk, het recht te geven op inzage in dat stuk en/of om een afschrift van de inhoud van dat stuk te maken.
Het derde niet in werking getreden ontwerp Burgerlijk Wetboek, dat van 1830, kent een inzagerecht in art. 1932. Inhoudelijk geeft dit artikel een bijna ongeclausuleerd recht op inzage, waarbij ook een derde die een stuk in bezit heeft, verplicht kan worden om inzage in dat stuk te geven aan een partij die in een procedure is betrokken met een andere partij. Het artikel kent wel een processuele beperking in die zin dat tussen bedoelde partijen al wel een geding aanhangig dient te zijn.
In het in 1838 in werking getreden Burgerlijk Wetboek is een recht op inzage opgenomen in de artikelen 1922 en 1923. Deze artikelen zijn blijven bestaan tot 1 mei 1988 en hebben al die tijd een kwijnend bestaan geleid. De belangrijkste reden hiervoor is gelegen in het feit dat men, uitgaande van het beginsel dat niemand verplicht kan worden om bewijs tegen zichzelf aan te dragen, van mening was dat een partij alleen inzage in stukken kon verkrijgen indien hij mederechthebbende op dat stuk was; aldus werden de woorden 'Indien een titel gemeen is tusschen verscheidene personen,' in art. 1922 BW uitgelegd. Van Blommestein, een van de drie mensen die tussen 1885 en 1893 op de artikelen 1922 en 1923 promoveerden, was in zijn proefschrift van mening dat het woord 'gemeen' in art. 1922 BW niet betekende dat er sprake moest zijn van mede-eigendom. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 mei 1921, NJ 1921, p. 788 (Weisbard e.a.-de Ridder) lijkt het erop dat de Hoge Raad een ruimere uitleg van het woord 'gemeen' voorstaat dan 'mede-eigendom', maar dit wordt pas definitief duidelijk in het arrest HIR 31 januari 1947, NJ 1948, 115 (Baus-N.V. De Koedoe). De Hoge Raad overweegt in dat arrest dat het recht op uitlevering van bescheiden in art. 1923 BW is toegekend aan hem, die daarop als bewijsstuk enig recht kan doen gelden. Deze ruime uitleg heeft niet geleid tot toename van het gebruik van deze artikelen die een recht op inzage gaven.
Bij de herziening van het bewijsrecht, in werking getreden op 1 april 1988, werden vele bewijsrechtelijke artikelen uit het BW overgeplaatst naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het inzagerecht kreeg een plaats in de artikelen 843a en 843b Rv, waarbij het recht dat in deze studie wordt behandeld, werd neergelegd in art. 843a Rv. Deze verplaatsing bracht niet met zich dat vaker gebruik is gemaakt van het recht op inzage.
Bij de herziening van het Burgerlijk Procesrecht, in werking getreden op 1 januari 2002, werd art. 843a Rv weer aangepast. Het resultaat is een vrij ruimhartig recht op inzage, waarbij het zoveel mogelijk vinden van de materiële waarheid belangrijker is geworden dan het uitgangspunt dat niemand bewijs tegen zichzelf hoeft in te brengen.
In hoofdstuk 3 wordt het recht op informatie geanalyseerd. De concrete invulling van dit recht blijkt sterk afhankelijk te zijn van het antwoord op de vraag wat belangrijker wordt gevonden: het vinden van de materiële waarheid dan wel dat niemand bewijs tegen zichzelf hoeft in te brengen. De stelling dat niemand bewijs tegen zichzelf hoeft in te brengen, blijkt in het civiele proces geen grondslag te hebben en evenmin is een behoorlijke rechtvaardiging voor die stelling te vinden. Daarentegen heeft de wetgever het vinden van de materiële waarheid steeds belangrijker gevonden, hetgeen zijn neerslag vindt in art. 21 Rv, inhoudende dat een partij de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid moet aanvoeren en in art. 22 Rv, inhoudende dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van het geding partijen kan bevelen inlichtingen te geven of bescheiden over te leggen. Toch blijken er grenzen te zijn bij het vinden van de materiële waarheid. Zo mag een rechter niet zelfstandig grasduinen in overgelegde producties en moet hij op grond van art. 149 Rv als vaststaand aannemen hetgeen de ene partij stelt en de andere partij erkent of onvoldoende gemotiveerd betwist. Onder andere dit art. 149 Rv blokkeert een te grote bemoeizucht van de rechter.
Uit hoofdstuk 4 blijkt dat binnen EU-verband pogingen worden ondernomen om het procesrecht in Europa te harmoniseren. Eén van de initiatiefnemers daartoe is Marcel L.L.V. Storme. Onder zijn voorzitterschap heeft een naar hem genoemde commissie het zogeheten Rapport Storme gepubliceerd. Eén van de 15 onderwerpen die in dit rapport aan de orde zijn gekomen, is 'la découverte des documentsdiscovery'. In het rapport wordt gesignaleerd dat er binnen de landen die lid zijn van de EU grote verschillen bestaan in de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan het inzagerecht. De Commissie Storme heeft getracht om een soort gemeenschappelijke deler te vinden tussen al die verschillende soorten inzageregelingen en heeft die deler verwoord in een tamelijk omvangrijke wettekst. Het recht op inzage begint bij het recht op het verkrijgen van een lijst van documenten en aan de hand van die lijst mag de wederpartij om inzage in of kopieën van die documenten vragen. Er is tot dusverre niet veel gedaan met het rapport van de Commissie Storme.
In het kader van de bescherming van de interne markt en van de consumenten is de Commissie van de EU van mening dat namaak en piraterij bestreden moet worden. Belangrijk in deze strijd is het verzamelen en bewaren van bewijs. Hierbij kan het recht op informatie, op inzage, een belangrijk middel zijn. Deze gedachte is uitgewerkt in Richtlijn nr. 2004/48/EG. In Nederland is uitvoering aan deze Richtlijn gegeven in de op 1 mei 2007 in werking getreden artikelen 1019a Rv en verder. Deze artikelen geven alleen een regeling indien er sprake is van inbreuk op een recht van intellectuele eigendom.
Inmiddels heeft de Europese Commissie op het terrein van de communautaire antitrustregels al een Groenboek en een Witboek het licht doen zien en in deze boeken wordt op het terrein van het mededingingsrecht een uitgebreid recht op inzage voorgesteld.
Dat de rechtsontwikkeling op dit punt niet stil blijkt te staan, volgt uit hoofdstuk 5. In dat hoofdstuk wordt onder meer de aandacht beschreven die door de Commissie Asser, Vranken en Groen in haar in 2006 gepubliceerde rapport 'Uitgebalanceerd' is besteed aan het recht op inzage. Volgens de Commissie is de huidige regeling van art. 843a Rv niet geschikt en zij stellen voor om een ruimere regeling te maken, waar in het kader van preprocessuele protocollen een preprocessuele exhibitieplicht in de vorm van een pre-action disclosure wordt opgenomen.
Mede naar aanleiding van de wens van minister van justitie Hirsch Ballin tot een soort disclosure, heeft de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht zich op dit onderwerp gestort en een regeling ontworpen. Die regeling berust op een zevental uitgangspunten en is tamelijk lang uitgevallen. Ondanks deze lengte weet de regeling geen duidelijkheid te scheppen op die punten waar de huidige regeling ook (nog) onbeantwoorde vragen oproept. Slechts voor enkele kleine problemen zijn oplossingen bedacht en mede daarom dient de regeling zoals door de Adviescommissie voorgesteld geen wet te worden.
In hoofdstuk 6 wordt de bewijsbetekenis van het recht op inzage uit de doeken gedaan. Het bewijsrecht heeft in Nederland pas laat de aandacht gekregen die het verdient en ook de plaats van het inzagerecht in dat bewijsrecht is pas laat onderkend. In de tijd dat het inzagerecht nog in het Burgerlijk Wetboek was opgenomen, stond het bij de bewijsbepalingen, maar kreeg het niet veel aandacht. In de parlementaire geschiedenis is niet toegelicht waarom de inzageartikelen bij de overplaatsing naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet zijn opgenomen bij de regels van het bewijsrecht. Daar waar het vinden van de materiële waarheid steeds belangrijker wordt, wordt het bewijsrecht dat ook en kan het recht op inzage een grote rol spelen. Die rol heeft het de laatste jaren ook gekregen, en wel samen met de artikelen 21 en 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aan de hand van twee arresten van de Hoge Raad kan tenslotte worden geconcludeerd dat onevenwichtigheden in bewijsmogelijkheden niet alleen opgelost hoeven te worden via de stel- en onderbouwingsplicht, maar ook door de mogelijkheid of misschien zelfs wel de verplichting die de rechter heeft om een bevel te geven aan een partij om een bepaald stuk in het geding te brengen.
In hoofdstuk 7 wordt de literatuur en jurisprudentie over de vier bestanddelen van lid 1 van art. 843a Rv geanalyseerd en wel 'rechtmatig belang', de woorden `inzage, afschrift of uittreksel', 'bepaalde bescheiden' en, tenslotte, 'aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is'. Overeenstemming over inhoud en strekking van vooral de bestanddelen 'het rechtmatig belang' en 'een rechtsbetrekking waarin hij partij is' is er niet. De uitleg van die bestanddelen hangt bij elke auteur vooral af van zijn eigen rechtspolitiek standpunt over de vraag hoe belangrijk het vinden van de materiële waarheid is. Hoe belangrijker de auteur het vinden van die waarheid vindt, hoe ruimer de definitie van die begrippen wordt omschreven.
Net als in de literatuur bestaat er in de rechtspraak geen overeenstemming over inhoud en reikwijdte van vooral de bestanddelen 'rechtmatig belang' en 'een rechtsbetrekking waarin hij partij is'. Er is rechtspraak waarin beide begrippen ruim worden uitgelegd, maar ook rechtspraak waarin de rechter uitgaat van een tamelijk enge opvatting.
In hoofdstuk 8 geef ik mijn eigen opvatting over de vier bestanddelen van het eerste lid van art. 843a Rv. Een handzame formulering van de woorden 'rechtmatig belang' is niet te geven. Het belang moet wel een 'stel- of bewijsbelang' zijn. Het belang kan op vele momenten voor of tijdens de procedure aanwezig zijn, en het recht moet dus op elk moment te verwezenlijken zijn. Het verdient de voorkeur om bij de inhoud en reikwijdte van deze twee woorden aan te sluiten bij het te hanteren criterium ter zake de vraag of een getuige al dan niet gehoord mag worden. Het belang moet voldoende concreet zijn omschreven. De inzage moet redelijkerwijs nodig zijn.
Bij voldoende zwaarwegend belang, valt onder de woorden 'inzage, afschrift of uittreksel' ook de afgifte van een stuk. Denk bijvoorbeeld aan de afgifte van een origineel stuk ten behoeve van schriftonderzoek.
Het woord 'bescheid' moet in het kader van het vinden van de materiële waarheid eveneens ruim worden uitgelegd: ook een auto met een deuk erin, veroorzaakt door een botsing, kan een bescheid zijn omdat bijvoorbeeld uit de diepte van de deuk en de omvang daarvan kan worden afgeleid met welke snelheid de andere auto is komen aanrijden. Het woord 'bepaald' in de woordcombinatie `bepaalde bescheiden' voorkomt dat er wordt gevist naar inzage. Het woord 'bepaald' zegt niets over het aantal bescheiden. Een voldoende bepaalde vordering, kan een vrachtwagen aan stukken opleveren.
De Hoge Raad heeft zich tot dusverre slechts een keer, en wel op 18 februari 2000, NJ 2001, 259, inhoudelijk uitgelaten over één van de vier bestanddelen van dit eerste lid, en wel over het begrip 'een rechtsbetrekking waarin hij partij is'. De Hoge Raad komt in die uitspraak tot het oordeel dat de vereiste rechtsbetrekking moet bestaan tussen de vorderende partij en de partij die het stuk onder zich heeft. Dat is echter onjuist: indien C ter bewaring voor A een schriftelijke overeenkomst onder zich geeft die is gesloten tussen A en B, zal C, als de invulling van de andere drie bestanddelen van het eerste lid van art. 843a Rv zich daar ook niet tegen verzetten, inzage in dat stuk moeten geven aan B. De rechtsbetrekking tussen A en B kan eveneens zodanig zijn, dat A aan B inzage moet geven in een tussen A en C gesloten overeenkomst. Bij het bepalen van de inhoud van het begrip `rechtsbetrekking' kan aansluiting worden gezocht bij het begrip 'samenhangende rechtsverhoudingen'. Er dient dan gekeken te worden naar de feitelijke en/of economische samenhang tussen de betrokkenen, het inzicht dat de betrokkenen in deze samenhang hadden, de onderlinge verhouding en hoedanigheid van partijen, de schade en overlast die de vordering tot inzage bij de derde kan veroorzaken en het belang van de waarheidsvinding. Al met al kom ik tot de conclusie dat het bestaan van een rechtsbetrekking vrij snel moet worden aangenomen.
In hoofdstuk 9 wordt lid 2 van art. 843a Rv besproken en wordt een overzicht gegeven van de literatuur en jurisprudentie over de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel wordt verschaft. De rechter kan hier een belangrijke rol hebben en kan creatief te werk gaan, door bijvoorbeeld te bepalen dat slechts inzage in bepaalde delen van een bescheid moet worden gegeven, of door een derde aan te wijzen die de inzage moet verrichten. Het is zelfs mogelijk dat een rechter afgifte van een origineel bescheid gelast op grond van dit lid 2. Art. 843a Rv bevat zelf geen sanctie die kan worden opgelegd als een partij die tot inzageverstrekking is veroordeeld, hieraan geen gehoor geeft. Indien een partij inzage weigert, ligt het voor de hand dat de rechter analoog aan de artikelen 21 en 22 Rv, daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. De rechter kan verder een dwangsom opleggen, hetgeen bijvoorbeeld de Rb Zwolle heeft gedaan in de op 15 mei 2006, AY5717 gedane uitspraak.
In hoofdstuk 10 wordt lid 3 van art. 843a Rv besproken. Dit lid komt in de literatuur en jurisprudentie nauwelijks of niet aan de orde, hetgeen vooral veroorzaakt lijkt te worden door de vanzelfsprekendheid van dit lid en het feit dat de problematiek al redelijk diepgaand aan de orde is geweest bij art. 165 Rv. In dit hoofdstuk komt verder aan bod dat de achterstand die een procespartij kan hebben omdat de inhoud van bepaalde informatie onder een geheimhouder berust, kan worden ingehaald. Zo accordeerde de Hoge Raad bij arrest van 20 januari 2006, NJ 2006, 78 de door de rechtbank gegeven omkering van de bewijslast nadat een procespartij zijn huisarts en neuroloog niet uit hun geheimhoudingsplicht wilde ontslaan.
Art. 843a lid 4 Rv bepaalt dat de inzage niet verstrekt hoeft te worden als daarvoor gewichtige redenen zijn of als redelijkerwijze aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gegevens is gewaarborgd. Dit lid wordt in hoofdstuk 11 besproken. Voorbeelden van dergelijke gewichtige redenen zijn volgens de parlementaire geschiedenis vertrouwelijke medische informatie zoals seksuele geaardheid of vertrouwelijke bedrijfsgegevens of de financiële positie van een partij. Buiten de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden, kunnen ook grondrechten als het recht op privacy een gewichtige reden vormen die aan inzage in de weg staan. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 december 2002, NJ 2004, 4 geoordeeld dat het enkele feit dat een rechter in het kader van een procedure tot openbaarmaking van stukken heeft geoordeeld dat het stuk niet openbaar gemaakt hoeft te worden, niet voldoende is om tot de conclusie te komen dat er sprake is van een zwaarwichtige reden. Ook hier kunnen de gewichtige redenen 'onklaar' worden gemaakt doordat een rechter bijvoorbeeld een neutrale derde de inzage laat doen. Verdedigd wordt dat er niet te snel mag worden geconcludeerd dat er sprake is van gewichtige redenen. Tenslotte wordt in dit hoofdstuk verdedigd dat de beperking inhoudende dat inzage niet verstrekt hoeft te worden als redelijkerwijze aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gegevens is gewaarborgd, beter geschrapt kan worden. Het voegt niets toe en kan te gemakkelijk leiden tot verboden prognoses of tot het aannemen van het bestaan van een hiërarchie in bewijsmiddelen die niet bestaat.
In hoofdstuk 12 komen de inzage- en disclosureregel in de Nederlandse Antillen en Aruba aan de orde. Hier wel disclosure omdat naast het art. 843a Rv in beide landen, bijna letterlijk gelijkluidend aan art. 843a Rv-Ned, de Nederlandse Antillen en Aruba wel een regeling hebben waarbij een derde, C, een bevel kan krijgen om inzage in stukken die hij onder zich heeft, te verschaffen. De regeling kent niet de beperkingen van lid 1 van art. 843a Rv. Dit betekent dat de stukken waar het in art. 142 Rv omgaat, geen betrekking hoeven te hebben op de rechtsbetrekking A-B. Jurisprudentie over deze artikelen in de Nederlandse Antillen en Aruba is schaars en er bestaat geen noemenswaardige literatuur over.
In hoofdstuk 13 komt de inzageproblematiek bezien in het licht van de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjs) en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) aan de orde. De Wet bescherming van persoonsgegevens is ter sprake gekomen in de zogeheten Dexiaaffaire, waar verschillende banken aan de hand van deze wet inzage door klanten in hun eigen klantdossier probeerden te voorkomen. Deze pogingen zijn gestrand. Botsingen tussen het inzagerecht van art. 843a Rv en de Wjs komen voor indien een partij inzage vraagt in strafvorderlijke gegevens die de Staat onder zich heeft. In de rechtspraak is uitgemaakt dat wat dit onderwerp betreft de Wjs een specialis is die voorrang heeft op art. 843a Rv. De Hoge Raad heeft wat de WIV betreft op 11 juli 2008, NJ 2009, 451, geoordeeld dat de WIV niet uitsluit dat bepaalde inlichtingen en stukken toch aan de rechter en de wederpartij in een civiele procedure worden verschaft.
Het is mogelijk dat een partij aan inzage probeert te ontkomen door stukken weg te werken. Om dat te voorkomen, zouden die stukken, voordat een partij tot het besef komt dat het verstandig is om stukken te laten verdwijnen, veilig gesteld moeten kunnen worden. De vraag of dit kan via het zogeheten bewijsbeslag wordt behandeld in hoofdstuk 14. Uit dit hoofdstuk blijkt dat al in vele gevallen verlof tot bewijsbeslag is gegeven. Ook de voorzitters van de sectoren civiel bij de rechtbanken zijn van mening dat bewijsbeslag mogelijk is en hebben daarvoor een regeling opgenomen in de zogeheten `Beslagsyllabus'. De regeling is te vinden in de 5de verbeterde versie van 2005 en vervolgens, in gewijzigde vorm, gehandhaafd tot en met de huidige 7 versie van februari 2009. Er zijn inmiddels ook uitspraken waarin dit verlof wordt geweigerd of teruggedraaid. Ook op dit terrein is geen sprake van een eenduidige opvatting. Het blijkt zelfs voor te komen dat rechter X, werkzaam bij rechtbank A verlof tot bewijsbeslag geeft, waarna dit beslag als zonder wettelijke grondslag door rechter Y, werkzaam bij dezelfde rechtbank A, wordt opgeheven.
In hoofdstuk 15 passeren verschillende processuele verwikkelingen de revue. Het betreft hier onder meer de vraag op welke momenten inzage kan worden gevorderd, of inzage meermalen kan worden gevorderd, of inzage moet worden gevorderd of kan worden verzocht, hoe expliciet een vordering tot inzage moet worden gedaan en wat rechtens is indien het kort gedingvonnis waarbij verlof tot inzage is verleend en van welk verlof gebruik is gemaakt, in hoger beroep wordt vernietigd of indien in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat geen inzage verstrekt had hoeven te worden. Verdedigd wordt dat de op grond van een later vernietigde uitspraak verkregen wetenschap als hoofdregel wel bruikbaar blijft als bewijsmiddel: onrechtmatig verkregen brengt niet automatisch ontoelaatbaar met zich.
In hoofdstuk 16 wordt tenslotte een voorstel gedaan voor een ontwerpwettekst van het recht op inzage. Dit voorstel geeft in verband met het belang van het vinden van de materiële waarheid een ruimhartig recht op inzage met de daarbij behorende mogelijkheid om bewijsbeslag te leggen. Verder wordt in het voorstel het bereik van de artikelen 22 Rv en 155a Rv gelijk getrokken: de rechter mag niet meer dan een procespartij.