Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/7.3.1.3:7.3.1.3 De toerekening van de lasten
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/7.3.1.3
7.3.1.3 De toerekening van de lasten
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630466:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de baten zijn toegerekend, kunnen vervolgens de lasten worden toegerekend. Om tot een evenwichtige resultaatallocatie te komen en te voorkomen dat in de belaste periode opbrengsten in aanmerking worden genomen en de daarmee verband houdende kosten in de onbelaste periode vallen en vice versa, dienen uitgaven te worden toegerekend aan de opbrengsten (matchingbeginsel). Op basis van het matchingbeginsel moeten uitgaven worden geactiveerd als ze na de balansdatum nog economisch nut afwerpen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij aanschaffings- en voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen. Deze uitgaven dienen te worden geactiveerd en komen als kosten tot uitdrukking in de afschrijvingsjaren. Ook voor aankoopkosten geldt het matchingbeginsel. Deze kosten kunnen (indirect) worden toegerekend aan toekomstige opbrengsten. Als dergelijke kosten zijn gemaakt in de onbelaste periode terwijl het vermogensbestanddeel (gedeeltelijk) wordt gebruikt in de belaste periode, dan ontstaat er een mismatch. Wanneer een vermogensbestanddeel wordt gebruikt in zowel de belaste als onbelaste periode, dan zullen de aankoopkosten naar evenredigheid aan de periode van gebruik moeten worden toegerekend (zie ook paragraaf 3.4). Als de opbrengsten daarentegen al zijn verantwoord, terwijl er nog toekomstige uitgaven zullen worden gemaakt, dan dient op grond van het matchingbeginsel een voorziening te worden gevormd.
In het kader van de jaarwinstbepalingen hebben Douma en Lubbers duidelijk beargumenteerd wanneer huns inziens het matchingbeginsel verplicht moet worden toegepast. Dit is het geval als:
sprake is van duidelijk aanwijsbare uitgaven;
er een nauw verband bestaat tussen de uitgaven en bepaalde opbrengsten;
het waarschijnlijk is dat die opbrengsten zullen worden gegenereerd.
Ze beargumenteren ook (terecht) dat bij het matchingbeginsel de belastingplichtige een zekere keuzevrijheid heeft bij het al dan niet activeren (matchen) van uitgaven.1 Deze keuzevrijheid acht ik bij het bepalen van de totaalwinst ongewenst. Daarom zou bij de netto-voordeeltoerekening moeten gelden dat het matchingbeginsel strikter en verplicht wordt toegepast. Dat wil zeggen, in alleen gevallen waarbij er een direct of indirect verband is tussen de uitgaven en de opbrengsten moet verplicht het matchingbeginsel worden toegepast.
De vraag hoe uitgaven moeten worden toegerekend als er geen opbrengsten tegenoverstaan, komt specifiek aan de orde bij de ‘nutteloze uitgaven’. In het kader van de invulling van het matchingbeginsel heeft Lubbers hier een interessante visie over gevormd. Hij betoogt dat als een belastingplichtige uitgaven doet die niet de aanschaf van een vermogensbestanddeel betreffen en ten tijde van het doen van de uitgaven onzeker is of die uitgaven tot toekomstige opbrengsten zullen leiden, het matchingbeginsel niet verplicht tot activering van die uitgaven. Lubbers bestempelt deze uitgaven als nutteloos, omdat zij geen waarde (meer) voor de onderneming hebben. Dergelijk uitgaven zullen daarom moeten worden toegerekend aan de periode waarin het kostenveroorzakende besluit is genomen. Deze kosten worden in beginsel in aanmerking genomen in het jaar waarin zij worden gedaan, maar kunnen onder omstandigheden op grond van het veroorzakingsbeginsel aan een eerder jaar worden toegerekend. Dit is het geval als het kostenveroorzakende feit zich eerder heeft voorgedaan. Om dit te realiseren wordt een voorziening gevormd. Voor zover de uitgaven de ontvangsten uit hoofde van een contract overstijgen, is sprake van een verlieslatend contract. Op basis van het veroorzakingsbeginsel dient zijns inziens het uitgavenoverschot (verlies) te worden toegerekend aan het jaar waarin het contract is ondertekend of het contract door omstandigheden verliesgevend is geworden.2 Deze lijn kan ook worden doorgetrokken naar de situatie dat sprake is van een sfeerovergang. Als uitgaven worden gedaan die geen nut hebben en ook niet zijn toe te rekenen aan de (toekomstige) bedrijfsuitoefening, dienen de kosten ten laste van de periode te komen waarin ze zijn veroorzaakt.3 De eerder behandelde onrendabele top van een investering die wordt gedaan door maatschappelijke ondernemingen, zoals een woningcorporatie kwalificeert naar mijn mening overigens niet als een nutteloze uitgave, omdat deze uitgave wel waarde voor de (maatschappelijke) onderneming heeft. Ze draagt immers bij aan het behalen van de ondernemingsdoelstellingen. Deze uitgaven moeten worden toegerekend aan de periode waarin de onderneming profijt heeft van de uitgaven.
7.3.1.3.1 De bepaling van de afschrijvingslasten onder de netto-voordeeltoerekening