Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/2.3.2
2.3.2 Vennootschappelijk belang
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85903:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook de commissarissen dienen zich bij de vervulling van hun taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming; videart. 2:140 (2:250), tweede lid, laatste zinsnede, BW.
Met A.J.A.J. Eijsbouts en B. Kemp, ‘Over maatschappelijk verantwoord ondernemen, waardecreatie, ondernemingsrecht en vennootschappelijk belang’, TvOB 2012/5, p. 127 ben ik van mening dat, taalkundig gezien, ‘het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’ als bedoeld in art. 2:129(239), vijfde lid, BW en in art. 2:140(250), tweede lid, laatste zinsnede, BW kennelijk een en hetzelfde belang is. De wet spreekt immers niet van ‘het belang van de vennootschap én het belang van de met haar verbonden onderneming’ of van ‘het belang van de vennootschap én dat van de met haar verbonden onderneming’. Vide tevens P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 100, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 145, die opmerkte dat het om ‘één – samengesteld – begrip’ gaat. Vide ook Mendel, op. cit., p. 14, alwaar hij opmerkte dat, mede in het licht van de wetsgeschiedenis en de toenemende verwevenheid van de vennootschap met haar onderneming, in zijn optiek een redelijke uitleg van het begrip ‘belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’ meebrengt dat het hier draait om het belang van de eenheid ‘vennootschap-onderneming’ als zodanig. Vide bovendien Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, Informatieverstrekking en informatievergaring in het kader van de toezichthoudende en raadgevende taak van de Raad van Commissarissen (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 12, volgens wie het gaat om het tot richtsnoer nemende belang van het geheel, te weten ‘vennootschap en onderneming’. Een ander geluid treffen wij aan bij B.H.A. van Leeuwen, Beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur. Een onderzoek naar de juridische normering van het besturen van een onderneming (diss. Maastricht), Deventer: Kluwer 1990, p. 7, naar wier mening een onderscheid moet worden gemaakt tussen het ‘vennootschappelijk belang’ en het ‘ondernemingsbelang’. Vide daarover ook Van Schilfgaarde 2017, op. cit., p. 29. B.F. Assink, Rechterlijke toetsing van bestuurlijk gedrag. Binnen het vennootschapsrecht van Nederland en Delaware (diss. Rotterdam), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 59, Deventer: Kluwer 2007, p. 80 zou dit ‘wat kunstmatig aandoend’ onderscheid in beginsel niet willen maken, waaraan hij toevoegde dat dit wél nuttig kan zijn wanneer, bijvoorbeeld, de vennootschap meerdere ondernemingen drijft met een te onderscheiden zelfstandig belang.
Vide ook HR 1 april 1949, NJ 1949/465 (Doetinchemse IJzergieterij); HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, Ondernemingsrecht 2007/127, m.nt. M.J. van Ginneken, r.o. 4.5 (ABN ARMO); HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010/105, m.nt. P.M. Storm, AA 2010/11, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.4.1 (ASMI).
Bij de bespreking van die zaak laat ik de overwegingen die zien op de joint venture-vennootschap, buiten beschouwing.
HR 4 april 2014, JOR 2014/290, m.nt. R.G.J. de Haan, AA 2014/6, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.1 (Cancun).
Ibid.
Leijten vroeg zich in zijn annotatie bij HR 4 april 2014, Ondernemingsrecht 2014/101, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Cancun) af in welke gevallen de door de Hoge Raad genoemde zorgvuldigheidsverplichting toelaat dat de belangen van de bij (de onderneming van) de vennootschap betrokkenen wél onnodig of onevenredig worden geschaad, waarop hij liet volgen dat de vanzelfsprekendheid van deze regel door het gebruik van het woord ‘kan’ onnodig wordt ondergraven. Volgens Van Schilfgaarde 2016b, p. 219 had de Hoge Raad in plaats van ‘kan meebrengen’ ook mogen schrijven ‘brengt mee’.
In die woorden mag men volgens Van Schilfgaarde 2016b, l.s.c. een verwijzing naar het ‘proportionaliteitsbeginsel’, of, anders gezegd maar hetzelfde bedoelende, het ‘evenredigheidsbeginsel’ (vide Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 73 (voetnoot 285) en vide voorts L. Timmerman, ‘Meer ruimte voor verscheidenheid is de goede trend voor het ondernemingsrecht’, in: Eenheid en verscheidenheid in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 98, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 6 met verwijzingen aldaar), lezen.
Vide HR 4 april 2014, JOR 2014/290, m.nt. R.G.J. de Haan, AA 2014/6, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.2.1-4.2.2 (Cancun). Dit (samengevatte) oordeel is – woordelijk – herhaald in HR 4 april 2014,NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde, r.o. 4.2.1-4.2.2 (Cancun), HR 4 april 2014, Ondernemingsrecht 2014/101, m.nt. A.F.J.A. Leijten, r.o. 4.2.1-4.2.2 (Cancun) en in HR 4 april 2014, ARO 2014/72, r.o. 4.2.1-4.2.2 (Cancun).
Vide HR 4 april 2014, JOR 2014/290, m.nt. R.G.J. de Haan, AA 2014/6, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.3 (Cancun).
De ‘resultanteopvatting’ wordt (mede) voorstaan door Van der Heijden en Van der Grinten. In hun benadering kan het vennootschappelijk gelden als ‘de resultante van afweging van belangen van hen die bij de vennootschappelijke werkzaamheden zijn betrokken’, de uitkomst van welke afweging dat belang bepaalt; vide Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 483. Deze opvatting wordt door Mendel, op. cit., p. 3 (mede) aangeduid als de ‘participantenopvatting’.
Evenzo B.F. Assink ‘Van vennootschappelijk belang (II, slot)’, WPNR 2016/7112, p. 494-495: ‘Overigens is van een onversneden toepassing van de resultante-opvatting in die rechtspraak [de Cancun-enquêtebeschikkingen uit 2014, toev. RPJ] volgens mij helemaal geen sprake. Niet alleen omdat (…), maar ook omdat (…) de Hoge Raad komt tot verwerping van de klacht (…). De klacht – die evident tracht (mede) het resultantedenken te verzilveren – faalt, omdat de Ondernemingskamer niet heeft miskend wat de Hoge Raad uiteenzet [curs. aut] in rov. 4.2.1-4.2.3 (…); haar oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Hoe men dit ook wendt of keert, hiermee valt niet goed te rijmen dat de Hoge Raad deze uitspraak heeft geplaatst in de sleutel van het zuivere resultantedenken [curs. RPJ].’ (voetnoten verwijderd).
Naar Maeijers opvatting – die door Mendel, op. cit., p. 10 is betiteld als ‘holistisch’ (de holistische opvatting wordt ook wel aangeduid als de ‘autonome opvatting’ (vide bijvoorbeeld Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 939) of als de ‘continuïteitsopvatting’ (vide bijvoorbeeld Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 146 en 148 (voetnoot 131)) – heeft (mede) de vennootschap (ik schrijf bewust ‘heeft (mede) de vennootschap’ een eigen belang, omdat Maeijer begon met het spreken over het eigen belang van de rechtspersoon in het algemeen, waarna het eigen belang van de (naamloze) vennootschap in het bijzonder aan de orde kwam) een eigen belang, dat onderscheiden moet worden van en geenszins samenvalt met de individuele belangen van de bij haar betrokken personen; vide J.M.M. Maeijer, Het belangenconflict in de naamloze vennootschap (oratie Nijmegen), Deventer – Antwerpen: N.V. Uitgeversmaatschappij Æ.E. Kluwer 1964, p. 5-6. Vide mede Maeijer 1964, op. cit., p. 7. Vide bovendien Maeijer 1989, op. cit., p. 3. Vide ook J.M.M. Maeijer, Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Vertegenwoordiging en rechtspersoon. Deel III. De naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000/293, alwaar hij schreef dat het vennootschappelijk belang als ‘belang van het geheel’ meer is dan een ‘deelbelang’ zoals dat van de gezamenlijke aandeelhouders of dat van werknemers. Deze te onderscheiden belangen kunnen parallel lopen, maar dat hoeft zijns inziens lang niet altijd het geval te zijn. Holistisch in de zin dat de vennootschap een eigen(standig) belang heeft, ontwaarde zich reeds in E.M. Meijers, Algemene leer van het Burgerlijk Recht. Deel 1. De Algemene Begrippen van het Burgerlijk Recht, Leiden: Universitaire Pers Leiden 1948, p. 183: ‘Bij iedere rechtspersoon staat een door het recht erkend en beschermd doel op de voorgrond. Al wat dit doel dient, is in het belang der rechtspersoon. Een rechtspersoon heeft derhalve even goed [sic] haar [sic] door het recht beschermde belangen als de physieke [sic] persoon.’ Vide in dat verband ook Maeijer 1964, op. cit., p. 6.
Vide ook Assink 2016, op. cit., p. 494, alwaar hij opmerkte dat de Hoge Raad het, als omstandigheid ter invulling van het vennootschappelijk belang, bevorderen van het bestendige succes van de onderneming (te veel) als ‘zelfstandige omstandigheid met veel gewicht’ uitlichtte.
Vide over die rechtsoverweging ook Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 219.
Vide voetnoot 98 supra.
Vide ook Assink 2016, op. cit., p. 492; Timmerman 2016a, op. cit., p. 6-7 en ‘Verslag van de discussie’, in: Eenheid en verscheidenheid in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 98, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 183, alwaar Timmerman opmerkte hij de Cancun-beschikking interessant vindt omdat men daarin ziet dat de Hoge Raad in beginsel zegt dat het vennootschappelijk belang het bevorderen van het succes van de onderneming is, maar tegelijkertijd zegt dat er allerlei omstandigheden denkbaar zijn waarin dat belang ‘toch iets anders in moet houden’.
Die woorden gelden voor de opvatting als verwoord door Delfos-Roy, op. cit., p. 10 en 22. Vide ook Delfos-Roy, op. cit., p. 17 et seq.
In die richting ook B. Kemp, Aandeelhoudersverantwoordelijkheid: De positie en rol van de aandeelhouder en aandeelhoudersvergadering (diss. Maastricht), Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 129, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 118-119. Hetzelfde geldt voor K.W.H. Broekhuizen, Klantbelang, belangenconflict en zorgplicht (diss. Amsterdam UvA), Boom Mastereeks, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 201, die van mening is dat de Hoge Raad zich, naar het hem voorkomt, heeft uitgesproken voor een visie op het vennootschappelijk belang ‘die het dichtst aanligt tegen de autonome benadering’. B.F. Assink, ‘Belang van de vennootschap, overname en algemeen belang’, WPNR 2015/7048, p. 108 merkte op dat ’s Hogen Raads benadering ‘in lijn ligt’ met de door hem bepleite benadering, waarmee overeenstemt dat hij in Assink 2016, p. 491 opmerkte dat hij de lijn die de Hoge Raad in zijn vier Cancun-beschikkingen (vide voetnoot 104 supra) doortrekt, ‘krachtig’ zou willen ondersteunen (verderop, op p. 492, sprak hij van een ‘perspectivistische benadering’). In dat licht lijkt het erop dat hij van mening is dat ’s Hogen Raads opvatting in de buurt komt van, dan wel op het spoor zit van, zijn eigen opvatting, waarin de holistische opvatting als vertrekpunt geldt; vide Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 946. Vide ook B.F. Assink, De Januskop van het ondernemingsrecht. Over faciliëring en regulering van ondernemerschap (oratie Rotterdam), Deventer: Kluwer 2010, p. 38 en 40. Vide tevens Van Schilfgaarde in zijn noot, onder 5 (Ad (1)), bij HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun); Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 214-215. Anders: De Haan in zijn noot, onder 4 (2e al.), bij HR 4 april 2014, JOR 2014/290, m.nt. R.G.J. de Haan, AA 2014/6, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Cancun), naar wiens mening ’s Hogen Raads benadering van het vennootschappelijk belang aansluit bij de resultantebenadering.
Cf. Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 943: ‘Een zwak punt is ook de kennelijke veronderstelling in deze benadering [de resultanteopvatting, toev. RPJ], dat deze deelbelangen (bijna) altijd botsen [curs. RPJ] en dus dat één of meer deelbelangen – na een mysterieus proces van ‘afweging’ – dienen te prevaleren; dit laatste is in de praktijk lang niet altijd het geval.’ (voetnoot weggelaten)
Cf. HR 1 april 1949, NJ 1949/465 (Doetinchemse IJzergieterij). Vide ook Slagter 2005, op. cit., p. 14, naar wiens mening het vennootschappelijk belang ‘steeds’ – wel onder de voorwaarde van het treffen van een eventuele compensatie – moet prevaleren boven de belangen van welke groep van huidige aandeelhouders en huidige werknemers ook.
Cf. Mendel, op. cit., p. 17.
Volgens P. van Schilfgaarde, ‘Over de verhouding tussen de redelijkheid en billijkheid en het belang van de vennootschap’, in: G.C. Makkink, M.P. Nieuwe Weme en A.J. van Wees (red.), Ik ben niet overtuigd. Opstellen aangeboden aan mr. P. Ingelse ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer en als vice-president van het Gerechtshof Amsterdam, Prinsengrachtreeks, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, p. 425, onder verwijzing naar kennelijk zijn noot, onder ad (3), bij HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun), kan ’s Hogen Raads opzet erop wijzen dat ‘eerst moet worden gezocht naar het vennootschapsbelang en dat pas daarna moet worden bekeken in hoeverre de uitkomst correctie behoeft op grond van art. 2:8 [BW]’. Ook M.J. Kroeze, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2019/50, p. 265 nam in dit verband het woord ‘correctie’ in de mond, en wel aldus dat de zorgplicht een correctie lijkt te kunnen meebrengen op een eerder gemaakte belangenafweging. Vide buiten de context van de Cancun-beschikking(en) Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 149. Vide ook Asser-Maeijer 2-III 2000/293: ‘Ingevolge de redelijkheid en billijkheid moet het bestuur (…) bij zijn handelen andere in vennootschap en onderneming aanwezige belangen (…) in het oog houden en deze na afweging tegen het vennootschappelijk belang [curs. RPJ] ontzien, indien zij onevenredig zouden worden geschaad.’ Vide ook J.M. de Jongh, Tussen societas en universitas. De beursvennootschap en haar aandeelhouders in historisch perspectief (diss. Rotterdam), Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 94, Deventer: Kluwer 2014, p. 480, naar wiens mening, in geval van botsing tussen het streven naar een duurzaam succesvolle onderneming en de belangen van bepaalde betrokkenen, het collectieve belang boven het (daarmee in botsing komende) deelbelang prevaleert, tenzij dat laatste belang onevenredig wordt geraakt, waarop hij liet volgen dat de te maken belangenafweging ‘dus’ geschiedt aan de hand van het evenredigheidsbeginsel. Cf. art. 3:2 Awb, waarin staat dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de ‘af te wegen belangen’ vergaart, art. 3:4, eerste lid, Awb, waarin, voor zover hier van belang, staat dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, en art. 3:4, tweede lid, Awb, waarin staat dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet ‘onevenredig’ mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
S.M. Bartman, ‘Boekbespreking’, Ondernemingsrecht 2002, p. 533, i.f.
‘Verslag van de discussie’, in: Conflicten rondom de rechtspersoon. Voordrachten en discussieverslag van het gelijknamige congres op vrijdag 29 en zaterdag 30 oktober 1999, Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 62, Deventer: Kluwer 2000, p. 146.
In het burgerlijk procesrecht, het straf(proces)recht en het bestuurs(proces)recht is de gelijkstelling tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon eveneens aanvaard; vide M.J. Kroeze (m.m.v. H. Beckman, M.A. Verbrugh), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel I. De rechtspersoon, Deventer: Wolters Kluwer 2015/55.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/55. Vide ook Maeijer 1989, op. cit., p. 3; Slagter 2005, op. cit., p. 2; Assink 2015, op. cit., p. 103 en 105.
Vide ook Maeijer 1964, op. cit., p. 5-6 (alsmede voetnoot 8); Mendel, op. cit., p. 14-15; Slagter 2005, op. cit., p. 12 en 14. Cf.Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/55: ‘Bedacht moet worden dat de rechtspersoon een rechtsbegrip is, een juridische constructie die ten dienste staat van het maatschappelijk en economisch verkeer.’
Vide ook Meijers, op. cit., p. 183: ‘Bij iedere rechtspersoon staat een door het recht erkend en beschermd doel op de voorgrond. Al wat dit doel dient, is in het belang der rechtspersoon. Een rechtspersoon heeft derhalve even goed [sic] haar [sic] door het recht beschermde belangen als de physieke [sic] persoon.’ Vide voorts Maeijer 1964, op. cit., p. 6: ‘Dit eigen belang van de rechtspersoon is even diep geworteld in de juridische realiteit als de rechtspersoonlijkheid zelf.’
Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 947 (alsmede voetnoot 156).
Cf. L. Timmerman, ‘Vrijheid alleen is niet genoeg, een reactie’, Ondernemingsrecht 2009/6, p. 25 (onder 7): ‘Mijn uitgangspunt is dat het bevorderen van het lange termijn voortbestaan van een onderneming doorgaans aandeelhouderswaarde op de lange termijn bevordert. Er kan geen aandeelhouderswaarde op de lange termijn [curs. aut.] worden gerealiseerd, als de onderneming niet kerngezond is.’
Men denke aan het in de markt zetten van succesvolle producten. Veel ondernemers willen, denk ik, vooral mooie producten maken. Apple vind ik daar een treffend voorbeeld van.
Men denke aan het opbouwen (en uitbouwen) van een succesvol merk. Een product van zulk een merk kan afnemers een bepaalde sociale status geven alsook (daarmee samenhangend) een bepaalde gevoelswaarde. Ondernemers zullen (mede) daarop inspelen. Voorbeeld hiervan is Louis Vuitton.
Het creëren van waarde binnen de onderneming. Men denke aan het creëren van groei- en ontwikkelingsmogelijkheden voor werknemers alsmede aan het creëren van een prettige en uitdagende werkomgeving voor hen. Werknemers vormen (mede) de kurk waar de onderneming op drijft. Daar zal men niet alleen zuinig op moeten zijn, maar ook in moeten (blijven) investeren, zodat zij hun potentie (maximaal) kunnen (gaan) benutten. Dat komt (uiteindelijk) ten bate van de onderneming.
Het creëren van waarde buiten de onderneming. De vennootschap is met haar onderneming actief in een bepaald gebied. Daar dient zij zich van bewust te zijn. Men denke aan het duurzaam ondernemen, houdende het ondernemen waarbij duurzame ontwikkeling in acht wordt genomen. Concreet voorbeeld hiervan zijn het produceren van elektrische auto’s (e.g. Tesla).
Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 946 sprak eveneens van waardecreatie in brede zin. Dit is herhaald in Assink 2015, op. cit., p. 106 (alsmede voetnoot 28). Vide ook Assink 2010, op. cit., p. 40 en 42. In Slagter (deel 1) 2013, op. cit, p. 948 werd – in de context van een op continuïteit gerichte solvente ondernemende vennootschap (de normaalsituatie) – de invulling van het vennootschappelijk belang kortweg geduid als ‘het streven naar succes van de onderneming [curs. aut.]; duurzame waardecreatie in brede zin waarbij het behalen van winst (of: rendement op geïnvesteerd vermogen) niet zozeer het primaire doel – op korte termijn – is, als wel een voorwaarde daarvoor’. Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 942. Volgens De Jongh 2014, op. cit., p. 478 valt het belang van de vennootschap in de regel te omschrijven als ‘het belang van de onderneming bij bestendige of duurzame waardecreatie [curs. aut.]’. Vide ook De Jongh 2014, op. cit., p. 479.
Vide ook Eijsbouts en Kemp, op. cit., p. 130.
Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 945 et seq. over de ‘perspectivistische benadering’. Cf. Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p. 3 (MvT): ‘Bij kleine vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders zal het vennootschappelijk belang dichter liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met veel werknemers en maatschappelijke belangen.’ In Kamerstukken II 2008/09, 31058, 6, p. 52 (NV) werd opgemerkt: ‘Hierbij past de belangrijke kanttekening dat het vennootschappelijk belang bij kleinere vennootschappen met slechts één of enkele aandeelhouders dichter zal liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met een verspreid aandeelhouderschap en meer uiteenlopende belangen.’ Vide ook Kamerstukken II 2008/09, 31058, 6, p. 12-13 en 52 (NV). Aldaar werd gesproken van ‘veel aandeelhouders, werknemers en belangen’ respectievelijk ‘verspreid aandeelhouderschap en meer uiteenlopende belangen’.
Cf. W.S.R. Stoter, Belangenafweging door de wetgever. Een juridisch onderzoek naar criteria voor de belangenafweging van de formele wetgever in relatie tot de belangenafweging op bestuursniveau (diss. Amsterdam UvA), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2000, p. 19.
Vide in die richting ook Slagter 2005, op. cit. als geciteerd in voetnoot 116 supra.
Ibid.
Vide over de Europese ontwikkelingen met betrekking tot het concernbelang Bartman, Dorresteijn en Olaerts, op. cit., p. 25-29 en het door hen aangehaalde.
Antunes 1994, op. cit., p. 106 drukte zulks aldus treffend uit: ‘However, as soon as a corporation become member of a corporate group, its own ‘interest’ is inevitably condemned to pass to the background. Within the realm of the polycorporate enterprise, the global interest of the group ranks before the particular interests of each constituent corporation [curs. aut.].’ Vide ook U. Immenga, ‘Möglichkeiten der Konzernrechtsvergleichung’, in: M. Lutter, W. Stimpel en H. Wiedemann (red.), Festschrift für Robert Fischer, Berlin – New York: Walter de Gruyter 1979, p. 300: ‘Gibt eine Gesellschaft ihre wirtschaftliche Selbständigkeit mehr oder weniger auf, so ist Bezugspunkt ihres Handelns nicht das eigene, sondern ein auûerhalb ihrer selbst liegendes unternehmerisches Interesse, nämlich das des Verbundes oder der Konzernspitze [curs. RPJ].’ Vide bovendien Franken, op. cit., p. 28, die opmerkte dat de vraag naar de rangorde van het concernbelang haar antwoord uitsluitend kan ontlenen aan de economische realiteit.
Vide § 2.2.
Vide voetnoot 61 supra.
Het concernbelang heeft geen wettelijke verankering; Boek 2 BW (er)kent alleen belangen van separate, enkelvoudige vennootschappen. In de rechtspraak is het concernbelang daarentegen wél erkend. Daar kom ik zo dadelijk op. Cf. EMCA 2017, p. 386 en de verwijzing aldaar. Daarin is het concernbelang (ook) erkend.
Vide ook hof Amsterdam (OK) 9 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1605, r.o. 3.8 (DEM).
Het collectieve (concern)belang beschouw ik níét als een optelsom van de vennootschappelijke belangen van de dochtermaatschappijen. Eerstbedoeld belang is een de individuele vennootschappelijke belangen overstijgend belang. Vide ook het in voetnoot 152 infra aangehaalde.
Cf. De Jongh 2014, op. cit. als aangehaald in voetnoot 118 supra.
Vide ook Bartman, Dorresteijn en Olaerts, op. cit., p. 23.
Vide Buijn en Storm, op. cit., p. 424-425.
HR 26 oktober 2001, JOR 2002/2, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 4.6 (Juno). Vide ook Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 16 (MvT): ‘Het vennootschappelijk belang staat ook voorop indien een vennootschap onderdeel uitmaakt van een concern. Het bestuur van een concernvennootschap is gehouden om het eigen vennootschappelijk belang als toetssteen te hanteren en mag het concernbelang niet op voorhand de doorslag laten geven [curs. RPJ].’ Naar het oordeel van de Ondernemingskamer wordt het vennootschappelijk belang mede bepaald door het concernbelang, doch valt het daarmee niet samen; vide hof Amsterdam (OK) 8 oktober 2013, JOR 2014/94, m.nt. L.G. Verburg, r.o. 3.7 (Prins Dokkum); hof Amsterdam (OK) 4 april 2018, JOR 2018/179, m.nt. F. Eikelboom, r.o. 3.7 (Machinefabriek Heerlen). Vide ook Verburgs noot, onder 3, bij de eerstgenoemde OK-beschikking. Vide bovendien ’s Ondernemingskamers Corus-beschikking als geciteerd in voetnoot 156 infra. Vide voorts het geciteerde in voetnoot 65 supra. Slagter 2005, op. cit., p. 625 kan evenmin met de eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad instemmen. Volgens hem dient het concernbelang te prevaleren, met dien verstande dat de te geven instructie (i) niet ziet op het verrichten van een handeling die in strijd is met de rechtsorde in het land waar de dochtermaatschappij is gevestigd, (ii) de eigen taak en verantwoordelijkheid van de bestuurder van de dochtermaatschappij niet ingrijpend aantast en (iii) niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Vide Bartman, Dorresteijn en Olaerts, op. cit., p. 25.
Cf. voetnoot 59 supra.
Naar mijn opvatting heeft, zoals gezegd, de moedermaatschappij maar één belang waarnaar het bestuur zich dient te richten: het concernbelang.
Franken, op. cit., p. 29 en 62; Bartman, Dorresteijn en Olaerts, op. cit., p. 23. Franken merkte op dat het concernbelang veel overeenkomst vertoont met het algemeen belang in de staatkunde, namelijk ‘een lege huls welke gevuld wordt door hen die het staatsleven beheersen’.
Vide ook Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs, op. cit., p. 786-787.
Verdam, op. cit., p. 404.
Vide daarover Van Schilfgaarde 2016b, op. cit., p. 8-9.
Vide ook Slagter 1988, op. cit., p. 26-27, die een zestal standpunten, in een afdalende reeks, weergeeft ten aanzien van wanneer het concernbelang en wanneer het belang van een dochtermaatschappij moet prevaleren. Vide voorts hof Amsterdam (OK) 13 maart 2003, JOR 2003/85, m.nt. F.J.P. van den Ingh, r.o. 3.5 en 3.8 (Corus): ‘3.5. Met verzoeksters moet worden geoordeeld dat de Raad van Commissarissen van een vennootschap niet en in ieder geval niet zonder méér of ongemotiveerd een beleid mag voeren dat zich niet verdraagt met, althans geen rekening houdt met de concernstrategie en onder omstandigheden zal hebben te aanvaarden dat het belang van de vennootschap waarbij hij is ingesteld zal moeten worden ten achter gesteld bij het belang van het concern in zijn geheel. Anderzijds staat het de concernleiding niet vrij om steeds, althans zonder méér of ongemotiveerd de belangen van een vennootschap in het concern ten achter te stellen bij wat zij ziet als het belang van het concern [curs. RPJ].’ en ‘3.8. (…) Het moet aldus alleszins aanvaardbaar worden geacht dat niet alleen het bestuur maar ook de Raad van Commissarissen van Corus Nederland gedegen geïnformeerd wenst te worden met betrekking tot de vraag of deze herfinanciering het gewenste resultaat zal hebben en of, en zo ja in hoeverre en op welke wijze, erin is voorzien dat de belangen van Corus Nederland niet op onevenredige wijze worden geschaad en dat ook met haar belangen op een evenwichtige wijze rekening is gehouden [curs. RPJ].’ Vide bovendien de noot, onder 2 (laatste al.), van Van den Ingh bij deze beschikking: ‘Verheugend is dat de OK aangeeft dat in de afweging van bestuur en rvc van een dochter het concernbelang alleen mag prevaleren indien het eigen belang (in strikte zin) van de dochter daardoor niet onevenredig wordt geschaad (r.o. 3.8).’ Vide tevens Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs, op. cit., p. 787. Cf. HR 1 april 1949, NJ 1949/465 (Doetinchemse IJzergieterij).
Cf. De Jongh 2014, op. cit., als aangehaald in voetnoot 118 supra. Volgens Verdam, op. cit., p. 405 ‘komt [het] er dan wel op aan, willen de door Raaijmakers geschetste problemen [die kennelijk verband houden met het (grote) spanningsveld tussen concernleiding en autonomie van het dochterbestuur, toev. RPJ] zich niet daadwerkelijk in de praktijk manifesteren, dat in concernverband het concernbelang zeer zwaar doorweegt in het vennootschappelijk belang van de dochter, en haar “eigen” belang ook in de praktijk zeer dun blijft [curs. RPJ]’.
Cf. HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, Ondernemingsrecht 2007/127, m.nt. M.J. van Ginneken, r.o. 4.5 (ABN ARMO); HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010/105, m.nt. P.M. Storm, AA 2010/11, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 4.4.1 (ASMI).
Vide EMCA 2017, p. 385 et seq., alwaar (mede) is ingegaan op de eerdergenoemde Rozenblum-doctrine (vide voetnoot 89 supra). Section 15.16 (Interest of the Group) luidt aldus: ‘(1) If the management of a subsidiary, whether or not as a result of an instruction issued by the parent company, acts in a way contrary to the interests of the subsidiary, a director or manager shall not be deemed to have acted in breach of their fiduciary duties if (a) the decision is in the interests of the group as a whole, and (b) the management, acting in good faith on the basis of the information available to them and that would be available to them if they complied with their fiduciary duties before taking the decision, may reasonably assume that the loss/damage/disadvantage will, within a reasonable period, be balanced by benefit/gain/advantage, and (c) the loss/damage/disadvantage, referred to in the first sentence hereof, is not such as would place the continued existence of the company in jeopardy. (2) If the subsidiary is wholly-owned, paragraph (1)(b) does not apply. (3) The management of the subsidiary may refuse to comply with instructions from the parent company if the conditions set in paragraph (1) are not satisfied.’ Verderop lezen wij het volgende: ‘The approach is influenced by the French Rozenblum case, which is a criminal case law. In France, the main criminal law tool against self-dealing is the provision against abuse of corporate assets (abus de biens sociaux). It punishes, among others, board chairmen, directors or managing directors of a public limited company or a limited liability company who ‘use the company’s property or credit, in bad faith, in a way which they know is contrary to the interests of the company, for personal purposes or to favor another company or undertaking in which they have a direct or indirect interest’. The penalty is a prison term of up to five years (with no minimum). French courts have created a special safe harbor in case of abuse of corporate assets within groups (the so-called ‘Rozenblum doctrine’). This doctrine admits a ‘group defense’ under certain conditions. First, there must be a group characterized by capital links between the companies. Second, there must be strong, effective business integration among the companies within the group. Third, the financial support from one company to another company must have an economic quid pro quo and may not break the balance of mutual commitments between the concerned companies. Fourth, the support from the company must not exceed its possibilities. In other words, it should not create a risk of bankruptcy for the company.’ Echter, ‘Section 16 is inspired by the Rozenblum doctrine but with some simplifications. The Rozenblum doctrine is sometimes considered, in and outside France, to be obscure and its successful application hardly predictable due to the number of conditions to be satisfied. Therefore, Section 16 adopts a simpler and more flexible approach. The main difference is that there is no requirement that the group has a balanced and firmly established structure. However, the existence of an interest of the group implies that there must be a long-term and coherent group policy. The Forum Europaeum also adopted the Rozenblum approach but with some modifications. The Forum Europaeum proposal made this protection conditional on there being evidence of compliance with instructions which would ‘be recorded in a continuous manner’ and that the management would report on their reliance on these provisions at ‘the next general meeting of the subsidiary’. This approach is not kept in the EMCA, since it would be formalistic.’
Ingevolge section 15.16, tweede lid, van de EMCA 2017 geldt de voorwaarde onder (1b), welke in mijn voorstel in gewijzigde vorm onder (2) is opgenomen, niet als het om een volle (= 100%-) dochtermaatschappij gaat; vide voetnoot 159 supra.
Cf. voetnoot 86 supra; Verdam, op. cit., p. 405-409. Vide voor de benadering als gevolgd in section 15.16 van de EMCA 2017 voetnoot 159 supra.
Krachtens art. 2:129 (239), vijfde lid, BW dienen de bestuurders1 zich bij de vervulling van hun taak te richten naar ‘het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’, welk belang ik, kortheidshalve, aanduid als het ‘vennootschappelijk belang’.2 Ten aanzien van het antwoord op de vraag wat daaronder moet worden verstaan, lopen de meningen uiteen. Uit de literatuur laat zich, grosso modo, het volgende distilleren: het begrip ‘vennootschappelijk belang’ valt uiteen in (1) de vraag naar het belang van de vennootschap als zodanig, waarop kan worden geantwoord dat de vennootschap (a) een (te onderscheiden) eigen(standig) belang heeft of (b) geen (te onderscheiden) eigen(standig) belang heeft en (2) de vraag naar de inhoud/invulling/kleur van het belang van de vennootschap, waarop kan worden geantwoord dat het (a) een (i) eigen, onveranderlijke (statische) of (ii) eigen, veranderlijke (kameleontische) kleur heeft, (b) geen eigen kleur heeft, nu het wordt gevormd door (i) het, uit afweging, op basis van gelijkwaardigheid of hiërarchisering, resulterend, zwaarstwegend deelbelang, zoals het (eigen) belang van de vennootschap zelf, werknemers of aandeelhouders, (ii) de gezamenlijke belangen van de (onmiddellijk) bij de (onderneming van de) vennootschap betrokkenen of (iii) het winstbelang van de (gezamenlijke) aandeelhouders, of (c) kleurloos (leeg) is.
Ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad is aandacht besteed aan het vennootschappelijk belang. Ik volsta hier met een, korte, bespreking van de Cancun-beschikking,3 voor zover van belang.4 In die zaak strekte onderdeel II ten betoge, voor zover hier van belang, dat de Ondernemingskamer blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘belang van de vennootschap’, nu zij had miskend dat het vennootschappelijk belang ‘de resultante is van de afweging van de verschillende bij de vennootschap en haar onderneming betrokken deelbelangen’.5 Omdat, zo vervolgde het onderdeel, de vennootschap slechts een verlengstuk van de aandeelhouders vormt, kan er geen sprake zijn van een ‘zelfstandig eigen belang van (continuïteit van) de vennootschap’.6
De Hoge Raad overwoog, voor zover hier van belang, dat (i) de bestuurders zich, bij hun taakvervulling, dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met deze verbonden onderneming, (ii) de inhoud van het evengenoemde belang afhangt van de omstandigheden van het geval, (iii) als aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het hier bedoelde belang ‘in de regel vooral’ wordt bepaald door ‘het bevorderen van het bestendige succes’ van die onderneming en (iv) de bestuurders, bij hun taakvervulling, bovendien, mede uit hoofde van art. 2:8 BW, zorgvuldigheid dienen te betrachten ten aanzien van de belangen van alle bij de (onderneming van de) vennootschap betrokkenen, welke zorgvuldigheidsverplichting ‘kan’7 meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het ‘vennootschapsbelang’ ervoor zorgen dat daardoor de belangen van die betrokkenen niet ‘onnodig of onevenredig worden geschaad’8. 9 Voorts overwoog hij, voor zover hier van belang, dat de Ondernemingskamer het vorenstaande niet had miskend, haar oordelen – waaronder het oordeel dat, voor zover hier van belang, inhield dat het bestuur zich geen rekenschap had gegeven van het ‘eigen’ belang van de vennootschap – geen blijk gaven van een onjuiste rechtsopvatting en deze niet onbegrijpelijk waren, reden waarom het hogergenoemde onderdeel faalde.10
Reeds gezien het laatstoverwogene, denk ik niet dat de Hoge Raad zijn oordeel heeft geplaatst in de sleutel van de (onvermengde) ‘resultanteopvatting’11;12 dat oordeel wijst eerder in de richting van de ‘holistische opvatting’.13 Deze indruk wordt versterkt als ik kijk naar het eerstoverwogene, waarin de Hoge Raad het vennootschappelijk belang invulde met ‘het bevorderen van het bestendige succes’ van de onderneming van de vennootschap, waarmee dat belang – in lijn met de holistische opvatting – een overstijgend gehalte krijgt.14 Hier komt nog het volgende bij. In rechtsoverweging 4.2.2 overwoog de Hoge Raad dat de eerdergenoemde zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders ‘bij het dienen van het vennootschapsbelang [curs. RPJ] ervoor zorgen dat daardoor [curs. RPJ] de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken [curs. RPJ] niet onnodig of onevenredig worden geschaad’.15 Hij maakte in deze overweging, net als in zijn beschikkingen inzake ABN AMRO en ASMI,16 naar welke laatste beschikking hij in deze zaak (mede) verwees, een onderscheid tussen het vennootschappelijk belang en de belangen van de bij de (onderneming van de) vennootschap betrokkenen. Dit duidt eveneens op een holistische benadering van het vennootschappelijk belang.
Toegegeven moet echter worden dat de Hoge Raad ook sprak van ‘de omstandigheden van het geval’, ‘in de regel’ en ‘vooral’. Inderdaad, deze woorden, die wijzen op een kameleontische benadering van het vennootschappelijk belang in de zin dat zij het mogelijk maken dat dit belang (a) kan bestaan uit een of meer (meng)kleuren en (b) van kleur(en) kan veranderen,17 vallen niet, althans moeilijk, te rijmen met de starre, klassieke holistische opvatting, waarin het vennootschappelijk belang (in beginsel)18 slechts één, vaste kleur heeft. Wél zou ’s Hogen Raads benadering in dezen kunnen worden gezien als een flexibele variant daarop, als een holistische opvatting in gemodificeerde vorm.19
Deze opvatting verhoudt zich, naar het mij toeschijnt, zeker is dat namelijk niet, aldus tot het niet onnodig of onevenredig schaden van belangen als hiervoor bedoeld. Bestuurders dienen zich blijkens art. 2:129 (239), vijfde lid, BW te ‘richten’ naar het vennootschappelijk belang. Niettemin dienen zij zich bij hun handelen ook, als uitvloeisel van art. 2:8, eerste lid, BW, rekening te houden met de belangen van alle bij (de onderneming van) de vennootschap betrokkenen; deze mogen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Welnu, de vennootschap heeft een eigen belang. Het bestuur zal bij zijn taakuitoefening eerst dienen te bepalen wat in de concrete omstandigheden van het geval dat belang inhoudt. Vervolgens neemt het bestuur de belangen van de bij (de onderneming van) de vennootschap betrokkenen in aanmerking. Indien en voor zover er sprake is van een botsing tussen (een van) deze belangen en het vennootschappelijk belang,20 verricht het bestuur een belangenafweging. Het bestuur doet het vennootschappelijk belang overwegen,21 daarnaar hebben zij zich immers te richten,22 tenzij bij het dienen daarvan de belangen van (een of meer) betrokkenen onnodig of onevenredig (dreigen te) worden geschaad. Alsdan valt de belangenafweging uit ten faveure van die belangen en ten detrimente van het vennootschappelijk belang. Dit betekent dat de eerstbedoelde belangen worden ontzien en (a) het laatstgenoemde belang wijkt of (b) dat belang niet wijkt, maar (de inhoud daarvan) in het licht van de uitkomst van de verrichte belangenafweging wordt gecorrigeerd (lees: aangepast).23
Wat het vennootschappelijk belang inhoudt, is een lastig, maar fascinerend, vraagstuk. Bartman merkte daaromtrent al eens treffend op dat het vennootschappelijk belang ‘nog steeds de “heilige graal” van ons ondernemingsrecht [is]. Je vindt hem nooit, maar de zoektocht ernaar geeft zin en mag nooit worden gestaakt’.24 Volgens Willems is het vennootschappelijk belang een categorie waarvan hij niet begrijpt ‘dat je daar op enige manier in de beginselensfeer iets mee zou kunnen. Dat omvat toch alles’.25 Ondanks deze weinig bemoedigende woorden, zal ik een poging wagen zelf een omschrijving te geven van het vennootschappelijk belang. Eveneens zal ik aandacht besteden aan de verhouding tussen dat belang en het concernbelang.
De (naamloze/besloten) vennootschap bezit op grond van art. 2:3 BW rechtspersoonlijkheid. Blijkens art. 2:5 BW staat een rechtspersoon, wat het vermogensrecht betreft,26 in beginsel met een natuurlijk persoon gelijk. Daarmee wordt bevestigd dat aan een rechtspersoon rechtssubjectiviteit toekomt en dat hij drager is van eigen rechten en plichten.27 Een rechtspersoon treedt onder eigen naam op in het rechtsverkeer.28 Hierbij past dat een vennootschap ook een eigen(standig) – maar nimmer: absoluut –29 belang heeft.30 De invulling daarvan zal afhangen van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In geval van een solvente, enkelvoudige, onderneming drijvende vennootschap31 versta ik onder het vennootschappelijk belang het belang dat de vennootschap heeft bij, in de eerste plaats, het (op bestendige wijze) bevorderen van haar eigen gezonde (voort)bestaan32 en, in de tweede plaats, het (op bestendige wijze) bevorderen van het (op succesvolle wijze) creëren van waarde in brede zin (zowel materieel33 en immaterieel34 als intern35 en extern36).37 Daar zijn immers (uiteindelijk) al haar stakeholders, waaronder ik versta de (onmiddellijk) bij de (onderneming van de) vennootschap betrokkenen, zoals aandeel- of certificaathouders, werknemers, (toe)leveranciers, crediteuren en afnemers van goederen en/of diensten,38 bij gebaat. Het eigen belang van de vennootschap is het vennootschappelijk belang als bedoeld in art. 2:129 (239), vijfde lid, BW en in art. 2:140 (250), tweede lid, laatste volzin, BW.
Uit dit een en ander volgt dat mijns inziens (i) het belang van de vennootschap een overstijgend, eigensoortig belang is, waar de belangen van stakeholders in beginsel (uiteindelijk: geheel of gedeeltelijk) mee zullen samenvallen, althans daar ga ik veronderstellenderwijs van uit, (ii) dat belang geen verzameling of optelling van deelbelangen is, noch daar een afgeleide van is, noch daardoor (mede) wordt gevormd, ingevuld, ingekleurd of hoe men dit ook wil uitdrukken, noch daarmee kan worden vereenzelvigd, (iii) de bestuurders en commissarissen, zo die er zijn, zich bij de vervulling van hun bij de wet of statuten opgedragen taken hebben te richten naar dit belang en (iv) onder (andere of gewijzigde) omstandigheden het belang van de vennootschap een andere kleur zou kunnen hebben of van kleur zou kunnen veranderen, waarbij ik denk aan de situatie waarin (a) de vennootschap in zwaar weer verkeert of een deconfiture van haar onafwendbaar is, (b) de vennootschap een dochtermaatschappij dan wel een (dominante of onderhorige) groepsmaatschappij is of wordt, (c) de vennootschap geen onderneming drijft of deze verkoopt, (d) de vennootschap een beursnotering krijgt of beëindigt dan wel (e) het een grote vennootschap betreft waarvan de (ter beurze genoteerde) aandelen wijdverspreid zijn of het een kleine vennootschap betreft met slechts een of enkele houders van (certificaten van) aandelen.39
Bij hun taakvervulling dienen de bestuurders, ik laat de commissarissen hier verder rusten, zich weliswaar te richten naar het – in het concrete geval vooraf door hen bepaalde – vennootschappelijk belang, maar dat laat onverlet dat zij bij hun handelen andere belangen dan dat van de vennootschap in aanmerking moeten nemen. Zij dienen met de belangen van alle (onmiddellijk) bij de (onderneming van de) vennootschap betrokkenen rekening te houden, indien en voor zover deze belangen kenbaar, relevant én gerechtvaardigd zijn. Bij het dienen van het vennootschappelijk belang zouden een of meer van die belangen kunnen worden geschaad.
Indien en voor zover daarvan sprake zou (kunnen) zijn, moeten de bestuurders de (on)-evenredigheid tussen het te schaden belang van een betrokkene en het te dienen belang van de vennootschap beoordelen. Uitkomst daarvan kan zijn dat de mate waarin het laatstgenoemde belang wordt gediend in verhouding tot de mate waarin het eerstgenoemde belang wordt geschaad, evenredig of onevenredig is.40 In het eerste geval moeten de bestuurders het vennootschappelijk belang doen overwegen; zij hebben zich immers, in beginsel, te ‘richten’ naar dat belang. In het tweede geval laat zich een aantal opties denken, te weten: (1) de bestuurders doen ook in deze situatie het vennootschappelijk belang overwegen, met dien verstande dat degene wiens belang wordt benadeeld, in al dan niet financiële zin wordt gecompenseerd,41 voor zover dat nodig en mogelijk is, in welk geval de onevenredigheid wordt geheeld,42 (2) de bestuurders doen het vennootschappelijk belang eerst dan overwegen als er is gesleuteld, in de zin van wijzigen of aanpassen, aan de in dat belang te verrichten (rechts)handeling of (3) het vennootschappelijk belang wijkt voor het belang dat zou worden geschaad indien eerstgenoemd belang wél zou prevaleren.
Maakt een vennootschap deel uit van een concern, dan heeft zulks gevolgen voor het vennootschappelijk belang. In de economische werkelijkheid prevaleert het concernbelang43 in beginsel boven het belang van de dochtermaatschappij(en).44 Daartoe is het volgende redengevend. Er zij om te beginnen aan herinnerd dat voor het (kunnen) bestaan van een concern het (daadwerkelijk) uitoefenen van centrale leiding essentieel is.45 Voorts breng ik in herinnering dat de bestuurstaak van het bestuur van de moedermaatschappij zich mede uitstrekt tot de andere groepsmaatschappijen (concernleidingsplicht).46 Een moedermaatschappij heeft, anders dan waar de wet van uitgaat,47 geen vennootschappelijk belang, maar een concernbelang.48 Dit is – naar zijn aard – een collectief belang (het belang van of gericht op het (economisch) geheel).49 Het concernbestuur dient zich dan ook bij zijn taakvervulling daarnaar te richten. Hieruit volgt mijns oordeels dat het concernbelang in beginsel zwaarder weegt dan het vennootschappelijk belang van een dochtermaatschappij.50
Dat de economische werkelijkheid daartoe ook dwingt, vloeit uit het volgende voort. Het concernbestuur móét – in het licht van het concernbelang – centrale leiding uitoefenen. Als het bestuur van een dochtermaatschappij van tevoren de beslissingen van het concernbestuur toetst aan het vennootschappelijk belang en die naast zich neerlegt indien ze daarmee niet stroken, om vervolgens een eigen – tegen het concernbelang ingaande – koers te gaan varen, dan komt de uitoefening van centrale leiding – en daarmee (het functioneren van) het concern(verband) – op losse schroeven te staan. Dat kan het concernbestuur, vanuit zijn rol bezien, niet aanvaarden. Wat volgt, is het, als uitvloeisel van het concernverband, treffen van diverse maatregelen, zoals maatregelen van organisatorische aard, van financiële aard en/of van juridische aard. Deze zullen het bestuur van de dochtermaatschappij in het gelid doen lopen.51 Alleen in uitzonderlijke gevallen wijkt het concernbelang voor het vennootschappelijk belang.
Ik deel dan ook niet het oordeel van de Hoge Raad inzake het Juno-arrest – indien en voor zover dat oordeel kan worden veralgemeniseerd, nu het daarin ging om de beoordeling van de vraag of sprake was van onbehoorlijk bestuur zijdens het bestuur van de dochtermaatschappijen –52dat ‘het belang van het concern een rol [kan, toev. RPJ] spelen, maar dit (…) niet doorslaggevend [kan, toev. RPJ] zijn in die zin dat het prevaleert boven de andere bij de onderscheiden vennootschappen betrokken belangen’,53 welk oordeel wel aldus wordt verstaan dat het concernbelang niet op voorhand zwaarder mag wegen dan de andere betrokken belangen, waarmee dus niet gezegd is dat dat belang nooit achteraf doorslaggevend mag zijn. Naar mijn mening moet het vennootschappelijk belang worden ingepast in, of, anders gezegd, aansluiten bij, het concernbelang, niet andersom.54
Het bestuur van de moedermaatschappij is belast met het besturen van het concern. Daaronder valt (mede) het bepalen van de strategie en het daarop afstemmen van beleid.55 Bij zijn taakvervulling dient het concernbestuur zich te richten naar het concernbelang.56 Dat belang is – in het voetspoor van Franken en van Bartman, Dorrestein en Olaerts – wat het concernbestuur als zodanig ziet,57 waarbij het, vanzelfsprekend, rekening dient te houden met het vennootschappelijk belang van de (respectieve) dochtermaatschappij(en) alsook met de belangen van de (onmiddellijk) bij (de onderneming van) deze betrokkenen.58 Zoals gezegd, vormen de concernstrategie en het concernbeleid een, in het licht van het concernbelang gecreëerd, kader. Met inachtneming daarvan moeten de bestuurders van een dochtermaatschappij het eigen vennootschappelijk belang dienen. Het bovenbedoelde kader kan groot en algemeen zijn, maar ook klein en gedetailleerd, mede afhankelijk van (i) de visie van het concernbestuur, (ii) hoe de desbetreffende dochtermaatschappij wordt geleid (centraal, decentraal of een combinatie van beide) en (iii) de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Over het algemeen zal sprake zijn van belangenparallellie,59 in de zin dat een beslissing die is genomen in het concernbelang, ook, al dan niet op termijn, het vennootschappelijk belang van de onderscheiden dochtermaatschappij(en) dient. Immers, wat in het belang van het concern, het (economisch) geheel, zal zijn, zal in de regel, naar ik meen, mede in het belang van de evenbedoelde dochtermaatschappij (en) zijn. Indien zulks niet het geval is, en zich bijgevolg belangenstrijd (i.e. een botsing der belangen60) voordoet, dringt de vraag zich op welk belang voorgaat, welke vraag ziet op de verhouding tussen het concernbelang en het vennootschappelijk belang. Bij de beantwoording daarvan zou ik twee perspectieven willen hanteren, namelijk het ‘moederperspectief’ en het ‘dochterperspectief’. Te beginnen met dat eerste. Het bestuur van de moedermaatschappij dient, zoals gezegd, zich bij zijn taakvervulling te richten naar het concernbelang en dient dit belang dan ook in beginsel te doen overwegen indien het in botsing komt met het belang van een dochtermaatschappij,61 aangezien het collectieve belang, wat het concernbelang is, groter is en zwaarder weegt dan het individuele belang.62 Niettemin dient het concernbestuur oog te hebben voor het belang van een dochtermaatschappij, alsook voor de belangen van de (onmiddellijk) bij haar (onderneming) betrokkenen, in dier voege dat het bij zijn besluitvorming de kenbare, relevante én gerechtvaardigde belangen in aanmerking neemt.63 Het dient ervoor te waken dat het belang van, bijvoorbeeld, de dochtermaatschappij niet onnodig of onevenredig wordt geschaad. Alsdan geldt voor het concernbestuur mutatis mutandis hetzelfde als voor het bestuur van een enkelvoudige vennootschap. Ik verwijs naar hiervoor.
Wat betreft het dochterperspectief, zie ik in dit verband wel wat in (een variant op) de benadering als bedoeld in section 15.16 van de European Model Companies Act (2017), welke benadering geïnspireerd is op de Franse Rozenblum-zaak.64 Deze benadering zou ik hier, in (ietwat) gemodificeerde vorm, willen overnemen en tot de mijne willen maken en aldus willen verstaan dat het bestuur van een dochtermaatschappij (a) gehouden is een – tegen het eigen vennootschappelijk belang ingaande (daarmee in strijd zijnde) – beslissing te nemen, al dan niet zelfstandig (uit eigen beweging), en/of uitvoering te geven aan een, al dan niet van het concernbestuur afkomstige, en eventueel met een instructie versterkte, beslissing die tegen dat belang ingaat (daarmee in strijd is), dan wel, omgekeerd, (b) zich onthoudt van het – in het belang van de (dochter) vennootschap – nemen van en/of uitvoering geven aan een beslissing, met dien verstande dat:
de (reeds) genomen, dan wel (nog) te nemen, en/of uit te voeren beslissing in het concernbelang is respectievelijk zulks níét in dat belang is;
dat bestuur, op basis van de op dat moment bekend zijnde informatie, redelijkerwijs mag aannemen dat het ten gevolge van het (niet) nemen van een beslissing dan wel van het (niet) geven van uitvoering aan (de) een (te nemen of genomen) beslissing eventueel te lijden verlies / de schade / het nadeel binnen een redelijke periode in evenwicht wordt gebracht door voordeel, winst of anderszins, voor zover dat nodig en mogelijk is;
het verlies / de schade / het nadeel als evenbedoeld niet van dien aard is dat het voortbestaan van de dochtermaatschappij in gevaar zou worden gebracht, tenzij (a) daarin een 100%-belang wordt gehouden, (b) (er een reële kans bestaat dat) het voortbestaan van (het overige deel van) het concern in gevaar is (komt) en (c) de hier bedoelde beslissing het tij zou kunnen keren, in welk geval deze voorwaarde niet geldt;65 en
het handelen of nalaten van het bestuur niet leidt tot (ernstige) overtreding/ schending van statutaire bepalingen of (positiefrechtelijke) internationale, Europese of nationale wet- en/of regelgeving in ruime zin (civielrechtelijk, publiekrechtelijk of anderszins).66
Zijn al deze voorwaarden vervuld, dan moet het bestuur van een dochtermaatschappij het concernbelang voor laten gaan. Is daarentegen aan (een of meer van) deze (cumulatieve) voorwaarden níét voldaan, dan is, naar mijn oordeel, het (niet) nemen van en/of (geen) uitvoering geven aan een beslissing als hiervoor bedoeld niet gerechtvaardigd. Als, bijvoorbeeld, wél aan voorwaarden (1) wordt voldaan maar níét aan een of meer van de voorwaarden als genoemd onder (2) tot en met (4), dan prevaleert dus het vennootschappelijk belang boven het concernbelang.