Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.3
12.3 Brede doeluitkering en onafhankelijkheid
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949731:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commissie-Van den Berg 1991, p. 21.
Commissie-Van den Berg 1991, p. 50-51.
Als minder principieel punt speelde bovendien nog mee dat het systeem van een brede doeluitkering zou aansluiten bij de gebruikelijke manier van overheidssubsidiëring: Kamerstukken II 1995/96, 24688, nr. 1, p. 8.
Kamerstukken II 1997/98, 25704, nr. 3, p. 4.
Eigenlijk op 27 juli 2005, maar met terugwerkende kracht tot het begin van het vorige jaar: Stb. 2005, 374.
Kamerstukken II 2004/05, 29869, nr. 3, p. 2.
Kamerstukken II 2004/05, 29869, nr. 7, p. 3. Dragstra noemt dit terecht paradoxaal. De regering stelde dat een grotere financiële afhankelijkheid er niettemin toe leidde dat partijen beter zelfstandig konden functioneren: Dragstra 2008, p. 217.
Kamerstukken II 2004/05, 29869, nr. 4, p. 6. Zie ook Dragstra 2008, p. 220.
Zie art. 11 en 12 Wfpp. Zie ook Dragstra 2008, p. 132-134.
Enkele bezuinigingen hebben tussendoor ook enkele keren tot een bescheiden verlaging geleid. Zie Stb. 2012, 277.
Zie de door een meerderheid in de Tweede Kamer gesteunde motie-Rehwinkel c.s.: Kamerstukken II 2000/01, 27422, nr. 3.
Het subsidiebedrag bedroeg eerst tien miljoen, dat werd twintig miljoen. Kamerstukken II 2000/01, 27894, nr. 1-2. Oorspronkelijk moest de verdubbeling in twee etappes geschieden – het initiële voorstel voorzag in een verhoging van 50% - maar van dit idee werd uiteindelijk bij nota van wijziging afgezien: Kamerstukken II 2001/02, 27894, nr. 12; Dragstra 2008, p. 198-200.
Kamerstukken II 2004/05, 29869, nr. 1-2; Dragstra 2008, p. 213-217.
Kamerstukken II 2019/20, 35300, nr. 19.
Commissie-Veling 2018, p. 42.
Kamerstukken II 20202/21, 35657, nr. 3, p. 10. In tegenstelling tot eerdere keren was de Raad van State niet kritisch op de onderbouwing van de verhoging, hoewel die ook deze keer minimaal was.
De subsidie aan politieke partijen wordt verstrekt volgens een systeem van ‘brede doeluitkering’, wat inhoudt dat partijen één bedrag ter beschikking wordt gesteld, dat zij vervolgens naar eigen inzicht mogen besteden binnen de grenzen van de gedefinieerde subsidiabele doelen. De subsidiabele doelen zijn limitatief opgesomd in artikel 7 Wfpp.
Het systeem van brede doeluitkering vindt zijn oorsprong in het advies Waarborg van kwaliteit, dat de Commissie subsidiëring politieke partijen, beter bekend als de Commissie-Van den Berg, in 1991 publiceerde. Deze commissie oordeelde dat de rol van politieke partijen kwalitatief benaderd moest worden. Partijen dienden zich tegenover de burger te presenteren als ‘goed functionerende en goed geïnformeerde organisaties met doordachte ideeën en geschikte kandidaten’, zodat kiezers een geïnformeerde stem kunnen uitbrengen.1 Een kwantitatieve benadering, waarin partijen zich slechts richten op het binnenhalen van zo veel mogelijk stemmen, moest worden afgewezen. Ter realisatie van de beoogde ‘kwaliteit’ wees zij de mogelijkheid van een algemene, rechtstreekse subsidiëring van de hand. In plaats daarvan zou de subsidie gebonden moeten zijn aan vooraf gedefinieerde doelen.2 De regering nam dit voorstel over in de Wspp. Voor het systeem van brede doeluitkering pleitte volgens de regering allereerst het feit dat de doelen garanties boden voor een ‘selectieve aanwending’ van overheidsmiddelen. Daarnaast kon het systeem bevorderen dat de partijen andere inkomstenbronnen zochten om niet-subsidiabele activiteiten te bekostigen en sloot de regeling aan bij de gangbare systematiek van overheidssubsidiëring. 3
De subsidieregeling is zo vormgegeven, dat zij geen inhoudelijke overheidsbemoeienis met de activiteiten van politieke partijen impliceert. De subsidiabele activiteiten zijn om die reden breed geformuleerd.4 Bovendien werden de subsidiabele doelen per 1 januari 2004 uitgebreid.5 Vanaf dat moment waren ook ‘het werven van leden’, ‘het betrekken van niet-leden bij activiteiten van de politieke partij’, ‘werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers’ en ‘activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes’ doelen waaraan de subsidie besteed mocht worden. De verbreding leidde, aldus de regering, tot een afnemende overheidsbemoeienis, omdat de partijen meer vrijheid kregen bij het besteden van de subsidiegelden.6 In antwoord op vragen van de CU-fractie stelde de regering zelfs dat ‘met de oorspronkelijke beperkte opsomming van subsidiabele doelen in feite sprake was van een grotere overheidsbemoeienis’ dan onder de nieuwe regeling het geval zou zijn.7 De facto leverde de uitbreiding van de subsidiabele doelen een systeem van lumpsumfinanciering op, nu nagenoeg alle denkbare partijactiviteiten voor subsidie in aanmerking komen.8 Daarbij is ook van belang dat de wet niet voorziet in een doelmatigheidstoets van de door partijen gedane uitgaven. Ook bij de subsidieaanvraag zelf spelen inhoudelijke gronden geen rol: partijen dienen slechts een activiteitenplan, een begroting en een raming van het ledenaantal te overleggen.9 Voor een beoordeling van ideologische overwegingen is geen ruimte.
De inhoudelijke onafhankelijkheid mag dan stevig zijn gewaarborgd, de financiële onafhankelijkheid van partijen ten opzichte van de overheid is in de loop der jaren sterk verminderd. Sinds 1999 is het subsidiebedrag meerdere malen verhoogd.10 Al anderhalf jaar na de introductie van de Wspp klonk onder politieke partijen de roep om meer subsidie, omdat hun financiële positie opnieuw precair bleek en het gevaar bestond dat de partijen zich tot derden zouden wenden, waarbij het risico van belangenverstrengeling op de loer lag.11 Een aanvankelijk terughoudende regering diende in 2001 een wetsvoorstel in ter verdubbeling van het subsidiebedrag.12 In 2004 werd de subsidie opnieuw verhoogd, ditmaal met € 5 miljoen. De zojuist genoemde verdere uitbreiding van subsidiabele doelen moest tegenwicht bieden aan het hogere subsidiebedrag en daarmee aan de groeiende (financiële) afhankelijkheid van de overheid.13 Ook in 2022 werd het bedrag verhoogd, nu naar aanleiding van een breed gesteunde motie-Jetten.14 De motie memoreerde de conclusies van de Commissie-Veling, die de werking van de Wfpp in 2018 had geëvalueerd en ook een verhoging van het subsidiebudget had geadviseerd.15 Een wetsvoorstel ter wijziging van de Wfpp voorzag vervolgens in een verhoging van € 8,5 miljoen per jaar voor de jaren 2020 tot en met 2024. Vanaf 2025 volgt daarop een structurele verhoging van € 5 miljoen per jaar.16