Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.3.5
10.3.5 Het registratievereiste in de rechtspraak
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412273:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 2001, NJ 2001/662 , AA 2002, p. 726 (Meijs q.q./Bank of Tokyo) m.nt. W.M. Kleijn.
HR 29 juni 2001, NJ 2001/662 , AA 2002, p. 726 (Meijs q.q./Bank of Tokyo) r.o. 3.4.2. In deze overweging sloot de Hoge Raad aan bij hetgeen hij eerder had geoordeeld onder het OBW in het Lieben/Lotisico-arrest. Vgl. 30 november 1956, NJ 1957/81 (Lieben/Lotisico). Vgl. Reehuis 1987, nr. 61 en 354.
HR 19 november 2004, NJ 2006/215 (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.) m.nt. H.J. Snijders.
R.o. 3.3.2.
Zie: §9.3.5.2.
R.o. 4.6.4 van HR 3 februari 2012, NJ 2012/261 (Dix q.q./ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen.
R.o. 4.5.2. van HR 1 februari 2013, NJ 2013/156 (Van Leuveren q.q./ING) m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2013/155 m.nt. B.A. Schuijling en N.E.D. Faber.
Van Mierlo 1991, p. 890; Vriesendorp 1992, p. 152; Van Mierlo 1993, p. 136; Verstijlen 1994, p. 111-3; Frenk 1994, p. 80; Snijders 1994, p. 787; Van Mierlo 1994, p. 115; Vriesendorp 1995, p. 17; Gerver 1995, p. 113. Vriesendorp heeft in plaats van het registratievereiste de invoering van een registerpandrecht bepleit. Zie: Vriesendorp 1995, p. 17.
De erkenning van het NVB-model (en later de verzamelpandakte) heeft weliswaar de administratieve lasten voor de praktijk verlicht, maar de (bank)praktijk bleef en blijft behoefte houden aan een nog eenvoudigere vestiging van stille pandrechten op vorderingen. Na het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. is nog een aantal keren geprocedeerd over de beantwoording van de vraag op welke wijze partijen aan het registratievereiste kunnen voldoen. In de zaak die uiteindelijk tot het arrest Meijs q.q./Bank of Tokyo1 heeft geleid, was een zekerheidsgever op basis van een stamcessie-overeenkomst van 1991 er toe verplicht om periodiek al zijn vorderingen te cederen aan de zekerheidsnemer. Na de invoering van het nieuwe BW had de schuldenaar lijsten opgesteld waarop al zijn vorderingen (aangeduid met naam van debiteur en hoogte van de vordering) stonden vermeld. Deze lijsten heeft de zekerheidsgever gefaxt naar de zekerheidsnemer. De zekerheidsnemer heeft de faxbrieven laten registreren bij de Inspectie Registratie en Successie (van de Belastingdienst). De Hoge Raad oordeelde – kort gezegd – dat deze gang van zaken had geleid tot de vestiging van pandrechten op de betreffende vorderingen.2 Het college wees er op dat de wetgever de ten tijde van het OBW bestaande financieringspatronen wilde faciliteren in het nieuwe BW.
Ondanks het feit dat antedatering ook op andere wijze dan registratie kon worden voorkomen, hield de Hoge Raad vast aan het registratievereiste. In het arrest Bannenberg/Rosenberg Polak q.q. hebben partijen een pandakte – in plaats van haar te registreren – bij een notaris gedeponeerd die op zijn beurt een akte van depot heeft opgemaakt.3 Vervolgens ging de schuldenaar failliet en bewistte zijn curator dat een geldig pandrecht tot stand was gekomen. De schuldeiser stelde zich op het standpunt dat het doel van registratie was om antedatering te voorkomen en dat hij dit doel ook met de akte van depot kon bereiken.
De Hoge Raad oordeelde – in navolging van de conclusie van A-G Hartkamp – dat de akte van depot geen pandrecht had laten ontstaan, omdat de wetgever registratie van een onderhandse akte had voorgeschreven. De wetgever wilde volgens de Hoge Raad ‘dat de eis van registratie mede een psychologische rem zal vormen om tot het opmaken van valse akten te komen, nu deze eis dwingt de akte onmiddellijk in handen van de inspectie der registratie te stellen’.4
Het is opvallend dat de Hoge Raad voor de uitleg van het registratievereiste aansluit bij de stelling van de Minister dat het vereiste een ‘psychologische rem’ is om fraude te plegen. Deze stelling is op haar minst merkwaardig. Noch de Hoge Raad in dit arrest, noch de Minister bij de totstandkoming van het BW motiveerde waarom iemand die bereid is te frauderen minder snel zal frauderen omdat hij de akte aan de belastingdienst overhandigt.5 De opmerking van de Minister lijkt destijds terloops te zijn gemaakt.
Om antedatering te voorkomen, overwoog de Hoge Raad in het arrest Dix q.q./ING dat de verzamelpandakte slechts tot de vestiging van pandrechten leidt indien de datering van de volmachtverlening vaststaat.6 In het arrest Van Leuveren q.q./ING verduidelijkte het college dat partijen het bewijs van de datering niet door registratie van de volmacht hoeven te leveren, maar dat de normale regels van het bewijsrecht gelden.7
Hoewel het registratievereiste antedatering moet voorkomen, beschouwde de meerderheid in de literatuur zowel voor als na het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. het vereiste niet als een effectief middel om fraude door antedatering te voorkomen.8 In §10.4.5.1 ga ik in op de huidige discussie over het voortbestaan van het registratievereiste.