Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.5.3
5.5.3 Toerekening bij onrechtmatig strafvorderlijk optreden
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507338:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 oktober 1991, NJ 1993/165 m.nt. C.J.H. Brunner & G.J.M. Corstens (Staat en Van Hilten/M.), waarover Van Maanen & De Lange 2005, p. 76-77 en Spier e.a. 2015, p. 82-83.
Volgens HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 5.4.3 (Begaclaim) heeft deze overweging klaarblijkelijk betrekking op de toerekening aan de Staat van het onrechtmatige bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen de raadsman en de verdachte, dat was gegeven door een omtrent zijn bevoegdheid dwalende officier van justitie.
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken (Begaclaim), waarover Dane 2009, p. 230 e.v.
Zie ook HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1750, NJ 2016/275 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, r.o. 3.7.2 (Windpark/Delta).
Deze redenering lijkt te zijn ontleend aan de conclusie van A-G Langemeijer, onder 3.26, voor HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken (Begaclaim), maar overtuigt annotator Vranken (onder 25) niet (helemaal), onder meer omdat de betrokkenheid van de strafrechter niet in alle gevallen is verzekerd en bestuursbesluiten eveneens zijn onderworpen aan toezicht door de rechter.
In het kader van de toerekening van onrechtmatig strafvorderlijk optreden kan worden gewezen op het arrest Staat en Van Hilten/M.1 Hierin lag de vraag voor of de officier van justitie Van Hilten en de Staat aansprakelijk waren uit onrechtmatige daad omdat Van Hilten in strijd met artikel 50 Sv had bevolen dat een advocaat geen toegang zou hebben tot een verdachte. Volgens de Hoge Raad had de gedraging van Van Hilten te gelden als een onrechtmatige daad van de Staat, die aan hem kan worden toegerekend. Hiertoe wordt overwogen dat een onzekerheid over de uitleg van artikel 50 Sv voor rekening van de Staat behoort te komen.2 Het onrechtmatige handelen kan echter slechts aan Van Hilten persoonlijk worden toegerekend wanneer hem hiervan persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Van Hilten had zich tot het geven van het bevel laten leiden door de onjuiste rechtsopvatting die in het geding door hem en de Staat werd verdedigd. Volgens de Hoge Raad kan, gezien de stand van rechtspraak en rechtsliteratuur dienaangaande, niet worden gezegd dat deze rechtsopvatting ten tijde van het geven van het bevel zo onaannemelijk was dat Van Hilten daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Toerekening aan Van Hilten was daarom niet mogelijk.
In strafrechtelijke sferen kan voorts worden gewezen op het Begaclaim-arrest.3 Hierin gaat het om de reikwijdte van de overheidsaansprakelijkheid voor schade die is geleden door een voormalige verdachte als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat het niet zonder meer voor risico van de Staat komt indien in het verloop van de strafrechtelijke procedure blijkt dat het openbaar ministerie bij zijn beslissing om tot vervolging over te gaan, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent een of meer van de in de delictsomschrijving opgenomen bestanddelen. De Hoge Raad overweegt meer in het bijzonder dat er geen grond bestaat voor een vorm van risicoaansprakelijkheid van de Staat als in het verloop van een strafrechtelijke procedure blijkt dat het openbaar ministerie bij zijn beslissing om tot vervolging over te gaan, is uitgegaan van een onjuiste – maar ten tijde van het instellen van de vervolging in redelijkheid verdedigbare rechtsopvatting – omtrent een of meer van de bestanddelen die zijn opgenomen in de delictsomschrijving. In dit verband had Begaclaim zich beroepen op de rechtspraak over de toerekening van onrechtmatige besluitvorming die in paragraaf 5.5.1 is besproken. De Hoge Raad honoreert dit beroep niet, omdat het miskent dat het bij het instellen van een strafvervolging niet gaat om een besluit, waarop de bedoelde rechtspraak betrekking heeft. Een dergelijk besluit wordt hierdoor gekenmerkt dat het eenzijdig de rechtspositie van de burger bepaalt.4 Het besluit tot het instellen van een strafvervolging strekt daarentegen ertoe de ten laste gelegde gedraging ter beoordeling aan de strafrechter voor te leggen, aldus de Hoge Raad.5