Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.2.2
2.2.2.2 Drie belangrijke wijzigingen
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180028:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 71-72. Een van de Kamerleden zou artikel 6 WvK van 1838 zelfs onuitvoerbaar hebben genoemd en hebben verklaard dat het houden van een dagboek bepaald onmogelijk was. Er werd spottend gesproken over het “ontilbare” boek.
J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk, p. 12 en herhaald in latere drukken. Zie ook Rechtbank ’s-Hertogenbosch 26 november 1943, NJ 1944, 427 in een procedure waarbij de boekenclausule van een bank aan de orde was en de rechtbank overwoog dat “onder “boeken” in dat beding kunnen worden begrepen losse vellen, zoowel als gebonden of losbladige boeken, kaartsystemen e.d.”.
H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (Inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 33.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk, p. 12. Deze passage is ook terug te vinden in de tweede en volgende drukken.
J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED, 1962 eerste druk, p. 13 en in de volgende drukken. F. Molenaar, Bepalingen over boekhouding, verantwoording en accountantscontrole, Deventer: Uitgeverij FED 1991, eerste druk, p. 18 en A-G Asser in paragraaf 2.63 van zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./Sarper).
J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk, p. 13.
J. Valkhoff, bewerkt door F. Molenaar, met medewerking van Ch.P.A. Geppaart en B.S. Frenkel, Bepalingen over boekhouding en administratie, in: G.G.M. Bak e.a. Fiscaal- economische documentatie, deel 1, Deventer: FED 1982, 5e druk, p. 20 en A-G Asser in paragraaf 2.66 van zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./ Sarper);
H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 34 en Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718 en H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 34.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718 en H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 34.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Een eerste in het oog springende wijziging in de wet van 1922 is – in lijn met de uit de parlementaire geschiedenis blijkende wens tot meer flexibiliteit – dat de koopman niet langer verplicht is een dagboek bij te houden dat aan expliciete, wettelijk vastgelegde eisen moest voldoen, maar dat de koopman zelf de keuze mag maken op welke wijze hij “behoorlijk aanteekening” houdt. Niet langer meer verplichtte de wetgever de koopman tot het houden van een dagelijks dagboek zonder zogenoemde witte vlakken, waarvan reeds voorafgaand aan de inwerkingtreding in 1838 door Kamerleden was voorspeld dat het niet zou worden aangehouden door winkeliers of kooplieden.1 Hierdoor ontstond ruimte voor flexibiliteit en voor moderne wijzen van boekhouden, zoals het gebruik van kaartsystemen2, waarbij het gebruik van boeken overbodig werd3. Van het behoorlijk houden van aantekeningen was sprake, wanneer deze aantekeningen op een zodanig duidelijke, betrouwbare en controleerbare wijze plaatsvond dat datgene dat moest worden aangetekend te allen tijde zou kunnen blijken uit de aantekeningen van de koopman.4 Valkhoff schreef dat de wetgever overging tot het creëren van grotere vrijheid bij het voeren van de boekhouding onder invloed van de economische ontwikkelingen. Het boekhouden geschiedt ten dienste van het bedrijfsleven, en de juridische regeling ervan moet daaraan dan ook dienstbaar zijn.5 Het Wetboek van Koophandel stelde niet langer formele eisen aan de boekhouding6, waarbij voor de wijze waarop aantekening werd gehouden rekening kon worden gehouden met onder meer de verschillen in de aard en grootte van het bedrijf.7
Een tweede duidelijke wijziging in de wet van 1922 is dat niet langer expliciet wordt bepaald waarvan de koopman aantekening moet houden. Vanaf 1838 was in artikel 6 WvK expliciet bepaald dat het ging om “inschulden, schulden, trekkingen, acceptatien of endossementen van wissels en andere handelspapieren, zijne verbindtenissen en overigens ook in het algemeen van alles wat hij ontvangt en uitgeeft, van welke aard dan ook”. Met het ontwerp werd op dit punt flexibiliteit beoogd. Het werd aan de koopman zelf overgelaten wat hij verstaat onder “zijn vermogenstoestand en alles wat zijn bedrijf betreft”. De wetgever beoogde de koopman en hij die een bedrijf uitoefent dan wel het bestuur van de rechtspersoon een grote vrijheid te laten daar waar het het inrichten en het voeren van de administratie betreft en wilde dus geen regels geven omtrent de wijze van voeren van de administratie.8
Hoewel de tekst van artikel 6 WvK nieuw is, volgt uit de Memorie van Toelichting dat inhoudelijk geen daadwerkelijke verandering is beoogd ten opzichte van de verplichtingen uit 1838:9
“De verplichting tot aanteekening houden van den vermogenstoetsand kan op het eerste oog nieuw schijnen. Men neme echter in aanmerking, dat de bestaande ruime, en zelfs ietwat pleonastische redactie boeking voorschrijft o.a. van ’s koopmans inschulden en schulden, zijne verbintenissen en in het algemeen, alles wat hij ontvangt en uitgeeft, van welke aard het ook zij. Hieronder vallen zonder twijfel reeds genoeg alle veranderingen in het vermogen en daardoor indirect ook de vermogenstoestand zelf. Bovendien veronderstelt de bestaande verplichting tot het opmaken van een jaarlijkschen staat en balans reeds het houden van rekeningen, die den vermogenstoestand aangeven.”
In de nieuwe tekst van artikel 6 lid 1 WvK werd de vermogenstoestand afzonderlijk genoemd om duidelijk te maken dat de aantekeningen over de vermogenstoestand mede het privé-vermogen van de koopman omvat. De schuldeisers van de koopman hadden verhaal op zijn “gansche vermogen”, dus ook op zijn privévermogen.10 Het onderscheid tussen het aantekeningen houden van de vermogenstoestand en alles wat het bedrijf betreft, is dat de koopman van alles wat het bedrijf betreft alle transacties afzonderlijk moet bijhouden en ten aanzien van de vermogenstoestand slechts voor zover dit nodig is om deze te kennen.11
Een derde wijziging die een breuk met het wettelijk regime van vóór 1922 markeert, is het voorschrift dat de door de koopman gehouden aantekeningen over zijn vermogenstoestand en alles wat zijn bedrijf betreft zodanig moeten zijn dat “te allen tijde zijne regten en verplichtingen kunnen worden gekend”. Aan deze wijziging worden niet veel woorden gewijd in de Memorie van Toelichting.12 Volstaan werd met de mededeling dat dit in de plaats treedt van de “al te politioneele” verplichting om van dag tot dag, naar de orde des tijds, zonder witte vlakken, tussenregels of kanttekeningen een boekhouding te voeren, waarvan werd geconstateerd dat daaraan toch nooit kan worden voldaan.
Verder wordt opgemerkt dat de vervanging in overeenstemming is met de beoogde vrijheid voor de koopman in de keuze van een systeem van boekhouding. Ik leid hieruit af dat de koopman aan de ene kant niet langer gehouden was om daadwerkelijk dagelijks zijn boekhouding bij te werken maar aan de andere kant wel zodanig aantekening diende te houden dat te allen tijde de rechten en verplichtingen konden worden gekend. Deze minimumeis aan de te voeren aantekeningen vormt het tegenwicht voor de aan de koopman gegeven grotere vrijheid dan onder de wet uit 1838. Ook aan de rechter werd een grotere vrijheid gelaten, namelijk om te komen tot de waardering van de bewijskracht van de “aldus gehouden aanteekeningen”.13
De aldus gewijzigde tekst van artikel 6 lid 1 WvK heeft de tand des tijds doorstaan. In het huidige artikel 3:15i lid 1 BW en 2:10 lid 1 BW kan de tekst van artikel 6 WvK uit 1922 nog worden herkend.