Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.4.0:3.4.0 Introductie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.4.0
3.4.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859075:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4:3 lid 2 BW is een noviteit ten opzichte van het oude erfrecht. Sinds 2003 is in de wet opgenomen dat rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld worden geëerbiedigd. Zijn de goederen echter om niet verkregen, dan kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen, aldus ook deze bepaling.
Het artikel is ingevoerd naar aanleiding van een voorstel van de Commissie Erfrecht van de KNB als tegenhanger van de onwaardigheid van rechtswege, omdat aan automatische onwaardigheid het bezwaar kleeft dat de verdeling van een nalatenschap later ongeldig kan blijken te zijn. Ter illustratie schetst de commissie erfrecht de volgende situatie:
‘bij de verdeling van een nalatenschap wordt een registergoed toegedeeld aan A. Vervolgens verkoopt en levert A het registergoed aan B. Later blijkt dat A ingevolge artikel 4.1.3 van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken. B is nu niet beschermd; het betreft hier immers een bevoegdheidsgebrek, dat niet wordt gedekt door artikel 3:88 (behoudens eventuele toepassing van artikel 3:24 derde lid).’1
Een oplossing hiervoor ziet de commissie erfrecht door aansluiting te zoeken bij de regeling die de wet in artikel 1:422 lid 2 BW geeft in geval van een onjuiste verklaring van vermoedelijk overlijden. Volgens deze bepaling worden rechten door derden te goeder trouw verkregen geëerbiedigd. In geval echter de goederen om niet zijn vervreemd, dan kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.2 Naar het zich laat aanzien zal dit aan de orde zijn indien het goed een bepaalde waarde vertegenwoordigt.
De toenmalige Minister van Justitie deelt de bezwaren van de commissie erfrecht en doet bij een nota van wijziging een voorstel zoals door de commissie gesuggereerd.3 Daarmee is artikel 4:3 lid 2 BW zonder verdere discussie bij de invoeringswet toegevoegd aan de onwaardigheidsbepaling. Dat artikel 1:422 BW daarbij als inspiratiebron heeft gediend moge duidelijk zijn. De bepalingen komen bijna volledig overeen. Voor de invulling van artikel 4:3 lid 2 BW zal in de navolgende paragrafen daarom ook worden gekeken naar artikel 1:422 BW. Eerst wordt echter stilgestaan bij de vaststelling van onwaardigheid waar deze derdenbeschermende regel over spreekt.