Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.3.8:10.3.8 Conclusies
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.3.8
10.3.8 Conclusies
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940551:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat ook in de sfeer van de beboeting de vrije bewijsleer geldt, bestaan er vrijwel geen beperkingen ten aanzien van de aard van de bewijsmiddelen. Zo heeft de Hoge Raad in enkele KBLux-arresten het gebruik van algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel voor het bewijs van de centrale stellingen toegestaan. Binnen het fiscale bestuurlijke boeterecht bevat alleen art. 67q AWR (op grond waarvan de inspecteur na een verzuimboete wegens hetzelfde feit een vergrijpboete kan opleggen) een beperking van de toegestane bewijsmiddelen. Volgens de wettekst kunnen alleen verklaringen van de belastingplichtige zelf of van derden en boeken, bescheiden of andere gegevensdragers de benodigde ‘nieuwe bezwaren’ opleveren.
Anders dan in het strafrecht het geval is, kan een bekennende eigen verklaring van de boeteling in het fiscale bestuurlijke boeterecht voldoende bewijs opleveren van het begaan van het beboetbare feit. Ook hebben ambtsedige verklaringen van de inspecteur geen bijzondere status (zoals een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in het strafrecht dat wel heeft). Evenmin heeft het bij vergrijpboetes verplichte rapport ex art. 5:48 Awb in de boetesfeer bijzondere bewijskracht (het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar heeft dat in het strafrecht wel).
Voor indirecte bewijsmiddelen geldt in de sfeer van de boete hetzelfde als voor feitelijke vermoedens. Vanwege de inherente onzekerheid enerzijds en de onschuldpresumptie anderzijds zullen indirecte bewijsmiddelen ten opzichte van de sfeer van de heffing minder snel tot voldoende overtuigend bewijs leiden. Dat geldt temeer nu het bewijs van de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd. Gelet op de vrije bewijsleer kan een bewezenverklaring echter wel degelijk worden gegrond op louter indirect bewijs.