Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.4
5.3.2.4 Verdedigingsbelang wordt niet geschaad
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Corstens 1992, p. 206; Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 4 (Rapport Commissie partiële herziening strafvordering), p. 4. Zie bijvoorbeeld HR 15 juni 1976, NJ 1977, 21.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 5.
Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 1. Overigens sprak de wet in deze tijd nog van het dagvaarden van getuigen. Sinds de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting (wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 33, i.w.tr. 1 februari 1998) is de term ‘dagvaarding’ gereserveerd voor de oproeping van de verdachte en worden getuigen opgeroepen. Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3 (MvT), p. 1 en – voor het oude recht – Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 2-3. Omwille van de helderheid spreek ik hier steeds van oproeping.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 4 (Rapport Commissie partiële herziening strafvordering), p. 4. Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 6, p. 3.
Wet van 5 juli 1984, Stb. 1984, 332, i.w.tr. 1 september 1984. Zie over deze wijziging Rüter 1984 en Van Veen 1984.
De commissie lijkt artikel 282 Sv (oud) over het hoofd te hebben gezien. Dat is opmerkelijk, aangezien de door de commissie vastgestelde problemen zich in de jurisprudentie van de Hoge Raad nu juist voordeden met betrekking tot dit artikel. Zie bijvoorbeeld het hiervoor besproken arrest HR 15 juni 1976, NJ 1977, 21, wat ook door de commissie is genoemd.
Wet van 27 november 1991, Stb. 1991, 663, i.w.tr. 1 mei 1992.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 4 (Rapport Commissie partiële herziening strafvordering), p. 13.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 23. Zie over de te maken belangenafweging ook Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 24.
HR 1 december 1992, NJ 1993, 631.
Duker 2008, p. 57-58. Zie ook de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek in de zaak die leidde tot HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036 en Rb. Roermond 4 februari 2005, ECLI:NL:RBROE:2005:AS5456.
Vgl. HR 22 december 2009, NJ 2010, 31, r.o. 2.4.
In dat geval kan worden gesteld dat het opnieuw horen van de getuige niet relevant is. Volgens artikel 418 lid 1 jo. 288 lid 1 sub c Sv is op getuigenverzoeken die bij appèlschriftuur zijn gedaan, het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. Artikel 418 lid 2 lijkt daarvan een uitwerking te zijn. Deze had mijns inziens echter beter weggelaten kunnen worden, omdat nu de suggestie wordt gewekt dat het feit dat op een eerder moment een ondervragingsgelegenheid is benut, niet relevant is voor de beoordeling of de verdachte redelijkerwijs in zijn belangen wordt geschaad door de afwijzing van het getuigenverzoek. De wettelijke regeling is overigens niet consistent. Of een eerder verhoor heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de verdachte of zijn raadsman zal immers ook van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of het verdedigingsbelang geschaad wordt (art. 264 lid 1 sub c en 288 lid 1 sub c Sv) en de vraag of de oproeping van ter zitting opgegeven getuigen noodzakelijk is (art. 315 Sv). In de desbetreffende bepalingen wordt echter niet in algemene termen gerept van afwijzing van een verzoek op grond van een eerdere ondervragingsgelegenheid. Mijns inziens is deze factor zo duidelijk onderdeel van de vraag of oproeping noodzakelijk is, dat hij beter uit de wet kan worden verwijderd. Daarmee wordt meteen de vraag overbodig gemaakt waarom de wet slechts ondervragingen ten overstaan van een rechter van belang acht en niet tevens het bijwonen van politieverhoren.
HR 31 januari 2006, NJ 2006, 124, r.o. 3.4.
HR 2 september 1997, NJ 1998, 101. In deze zaak was het noodzakelijkheidscriterium overigens van toepassing.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 6. De minister baseerde zich op Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 4 (Rapport Commissie partiële herziening strafvordering), p. 7. De Straatsburgse bron is ECRM 11 december 1981, NJ 1982, 142 (X/Nederland). Zie ook Patijn 1985, p. 138 en zeer uitvoerig over de Nederlandse rechtsgang in deze zaak Rüter 1981, p. 244-261. De Nederlandse procedure mondde uit in HR 13 januari 1981, NJ 1981, 79.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 5, p. 2. In reactie hierop gaf de minister aan dat weliswaar zou kunnen worden overwogen om beslissingen over getuigen in alle gevallen aan een rechter over te laten, maar dat tot een verzwaring van de strafrechtelijke procedure zou leiden. Wanneer de zittingsrechter de beslissing zou moeten nemen, zou de officier van justitie wel eerst alle getuigen moeten oproepen. Een tussenprocedure bij een rechter-commissaris zou eveneens ten koste gaan van de efficiency van het strafproces (Kamerstukken II 1982/83, 16 652, nr. 6, p. 3-4). Bij afwijzing van een getuige door de officier van justitie kon de verdachte bovendien altijd ‘beroep instellen’ bij de zittingsrechter, waardoor toegang tot de rechter met betrekking tot de oproeping van getuigen voldoende was gewaarborgd. Daarbij kreeg de zittingsrechter niet slechts de bevoegdheid de beslissing van de officier marginaal te toetsen, maar zou deze het getuigenverzoek geheel opnieuw moeten beoordelen (Kamerstukken II 1980/81, 16 652, nr. 3 (MvT), p. 6; Kamerstukken II 1982/83, 16 652, nr. 6, p. 4).
Rüter 1984, p. 826-827.
Zie hoofdstuk 3.
Artikel 287 lid 3 sub a Sv. Om dezelfde reden zal het afwijzen van een getuigenverhoor door de rechter-commissaris op grond van artikel 182 lid 6 Sv op zichzelf nooit een reden opleveren om een schending van artikel 6 EVRM aan te nemen. Zie hierover uitgebreider Duker 2008, p. 43-47.
Het uitgangspunt van de wettelijke regeling voor de oproeping van getuigen is dat alle voorafgaand aan de zitting door de verdediging opgegeven getuigen door de officier van justitie worden opgeroepen. Aan dat uitgangspunt kon op een gegeven moment echter niet langer worden vastgehouden, omdat van de regeling misbruik werd gemaakt door advocaten die zand in de machine wilden strooien. Zij gaven soms bijvoorbeeld grote hoeveelheden getuigen op, van wie het belang voor de te berechten strafzaak niet steeds duidelijk was.1 Rechters gaven soms geen gevolg aan dergelijke getuigenverzoeken, hoewel de wet daarvoor geen grond bevatte. Omdat het oproepingsverzuim niet met nietigheid was bedreigd, verbond de Hoge Raad hieraan echter geen gevolgen. Hoewel de wet tot 1984 geen basis bevatte voor de weigering van getuigen,2 kon de oproeping van getuigen derhalve zonder rechtsgevolgen worden geweigerd.3 Toch was dit een onwenselijke situatie, omdat wel in strijd met een wettelijk voorschrift werd gehandeld. De Commissie partiële herziening strafvordering stelde daarom voor om de weigering een wettelijke basis te geven.4
Bij de Wet inzake het dagvaarden en horen van getuigen en deskundigen ter zitting is in artikel 263 Sv een weigeringsgrond voor de officier van justitie opgenomen voor het geval het verdedigingsbelang niet zou worden geschaad bij het uitblijven van een oproeping.5 Voor de officier van justitie was nu een weigeringsgrond geschapen. De zittingsrechter had echter nog geen wettelijke mogelijkheden om af te zien van de hernieuwde oproeping van een getuige wanneer de officier van justitie de getuige had opgeroepen maar deze niet was verschenen. Volgens artikel 282 Sv (oud) kon de rechter in dat geval alleen met toestemming van de verdediging en de officier van justitie afzien van hernieuwde oproeping. Het door de Commissie partiële herziening strafvordering geconstateerde probleem was dus maar ten dele opgelost.6 In 1992 werd artikel 282 Sv (oud) herzien. Als grond voor het uitblijven van een hernieuwde oproeping werd de omstandigheid opgenomen dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging werd geschaad.7
Volgens de jurisprudentie van dat moment kon een getuigenverzoek worden afgewezen wanneer de oproeping ‘nutteloos’, ‘zinloos’ of ‘overbodig’ was.8 De Commissie partiële herziening strafvordering heeft voorgesteld deze terminologie niet over te nemen. In de memorie van toelichting bij de laatstbesproken wet wordt uitgelegd waarom is gekozen voor het verdedigingsbelang als uitgangspunt:
‘De in de rechtspraak gebezigde begrippen «overbodig» en «nutteloos» brengen naar mijn oordeel onvoldoende tot uitdrukking op welke wijze processuele belangen bij de beslissing tot het achterwege laten van een hernieuwde oproeping van getuigen (of deskundigen) door de rechter dienen te worden afgewogen. Wat betreft de «overbodige» hernieuwde oproeping van de niet-verschenen, op de lijst gebrachte, getuige stel ik voor aan te haken bij de artikelen 280, zesde lid en 319, derde lid. De rechter zal dus tegen elkaar moeten afwegen de belangen van een doelmatige en snelle procesvoering en het belang van het openbaar ministerie bij een succesvolle vervolging respectievelijk het belang van de verdachte bij een succesvolle verdediging.’9
In de nieuwe regeling werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het geval waarin hernieuwde oproeping zinloos is omdat een verhoor van de getuige niet relevant is en het geval waarin die oproeping zinloos is omdat de getuige toch niet zal verschijnen in reactie op de oproeping. Beide situaties werden in het gewijzigde artikel 282 Sv als weigeringsgrond geaccepteerd en helder van elkaar onderscheiden. De Minister van Justitie legde uit dat de weigering op grond van het verdedigingsbelang ziet op ‘getuigen van wie thans reeds vaststaat dat hun verklaringen niet tot enige opheldering van de zaak kunnen bijdragen’. Opgeroepen moet worden ‘een getuige wiens verklaring relevant geacht moet worden voor enige door de rechter te nemen beslissing’.10 De Hoge Raad heeft deze invulling nog enigszins uitgebreid en overwogen dat
‘alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van zijn verzoek niet in zijn verdediging kan worden geschaad, indien die punten in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuigen/deskundigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren.’11
De weigeringsgrond van het ontbreken van voldoende verdedigingsbelang heeft dus te maken met de vraag of het verhoor van de getuige relevant kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. Duker spreekt daarom van een ‘relevantiecriterium’. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan de relevantie van de verklaring van de getuige voor het nemen van de beslissingen op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.12 Wanneer de verdediging heeft aangegeven waarom de getuige zou moeten worden ondervraagd, zal het verzoek mede tegen die achtergrond moeten worden beoordeeld.13
Relevantie is een noodzakelijke voorwaarde om een getuigenverzoek gehonoreerd te krijgen. Voor het beoordelen van het verdedigingsbelang is echter niet uitsluitend de relevantie van de getuigenverklaring van belang. Wanneer een getuigenverklaring wél duidelijk relevant is voor de waarheidsvinding, mag in sommige gevallen toch worden aangenomen dat de verdediging door het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid niet zal worden geschaad. Daarvan zal sprake kunnen zijn wanneer de verdediging reeds in een eerder stadium van de procedure in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen en zich geen nieuwe omstandigheden voordoen die reden opleveren voor een nieuwe ondervraging.14 Het al dan niet zijn voorzien van rechtsbijstand bij die eerdere ondervragingsgelegenheid lijkt een factor te zijn die daarbij mee kan wegen.15 Wanneer de verdachte wordt bijgestaan door een nieuwe advocaat, hoeft de omstandigheid dat alleen de vorige advocaat een ondervragingsgelegenheid heeft gekregen niet in de weg te staan aan de afwijzing van een getuigenverzoek.16
Is de wettelijke regeling voor het weigeren van getuigen op grond van onvoldoende verdedigingsbelang in overeenstemming met artikel 6evrm? Ten tijde van de introductie van de weigeringsgrond voor de officier van justitie in de wet is over deze vraag discussie gevoerd. De Minister van Justitie had aangevoerd dat de regeling evrm-proof was, omdat uit de beslissing van de ecrm in de zaak Menten bleek dat de rechter een getuige mocht weigeren als hij meende dat deze niet relevant zou zijn voor zijn beslissing.17 Getuigen hoeven kennelijk niet in alle gevallen te worden opgeroepen. Een weigering door de officier van justitie was met dat uitgangspunt in overeenstemming. De Nederlandse Orde van Advocaten had in zijn advies aangegeven dat het meer in overeenstemming met artikel 6 evrm zou zijn om de bevoegdheid tot weigering van een getuige alleen aan de rechter toe te kennen.18 Een aantal leden van de Tweede Kamer ging nog verder en meende op grond van de ecrm-jurisprudentie dat alleen een rechter over getuigenverzoeken zou mogen beslissen.19 Rüter constateerde een ander probleem met betrekking tot de nieuwe regeling. Hij meende dat deze niet voldeed aan het uitgangspunt van equality of arms, nu de officier wel getuigen van de verdediging mocht afwijzen, maar de verdediging omgekeerd genoegen moest nemen met de oproeping van getuigen die de officier van belang vond. Hij betwijfelde uitdrukkelijk de verenigbaarheid van de weigering van getuigen door de officier van justitie met artikel 6 evrm.20 De minister deelde dit ook door Kamerleden geopperde bezwaar niet. Wat hem betreft voldeed de nieuwe regeling aan de eis dat de procespartijen zoveel mogelijk op voet van gelijkwaardigheid konden opereren. In de zaak Menten had dit argument immers ook niet in de weg gestaan aan het afwijzen van getuigenverzoeken.21
In § 2.5.2 is aan de orde gekomen dat ook het ehrm de relevantie van de getuige vooropstelt. Is de ondervraging van een getuige door de verdediging niet relevant voor de waarheidsvinding, dan mag oproeping achterwege blijven. De weigering op grond van het redelijkerwijs niet geschaad worden van het verdedigingsbelang zal in Straatsburg dan ook niet met succes kunnen worden aangevochten wanneer de rechter terecht heeft aangenomen dat ondervraging van een getuige niet relevant is. In de jurisprudentie van de ecrm en het ehrm ging het steeds om de afwijzing van getuigenverzoeken door een rechter. De weigering door een officier van justitie zal vermoedelijk nooit leiden tot de vaststelling dat het ondervragingsrecht is geschonden. Van de verdediging wordt immers verwacht dat zij alle beschikbare middelen om een dreigende schending van het ondervragingsrecht te voorkomen aanwendt.22 Heeft de officier van justitie geweigerd een getuige op te roepen, dan zal de verdediging als regel gebruik moeten maken van de mogelijkheid een nieuw getuigenverzoek te doen bij de zittingsrechter.23 Laat zij dit na, dan zullen de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput en zal de klacht niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.