Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.2.2.1
4.2.2.1 Identificatiefunctie
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480525:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 1 december 2000, NJ 2001/46 (Thomassen Metaalbouw/Vos I) en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/117 en 130.
Zie HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.).
Zie HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden); HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.); en HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank); HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING); en HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/117. De levering zou ook naast de titel kunnen staan voor de toepassing van art. 3:84 lid 2 BW. In die zin Hartkamp, conclusie voor HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank), onder 6.
Zie ook HR 27 februari 1980, NJ 1980/352, m.nt. G.J. Scholten.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/23 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/284-285 en 287. Vgl. art. 1369 lid 2 (oud) BW en (ten aanzien van een titel tot zekerheidsoverdracht) HR 13 januari 1938, NJ 1938/566, m.nt. P. Scholten (Kok/Okma q.q.).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/156; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/286. Vgl. art. 1369 lid 1 (oud) BW.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 915; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/288; en art. 1370 (oud) BW.
Zie de opmerking van Mijnssen in het verslag van de algemene vergadering van de Koninklijke Notariƫle Broederschap in WPNR 5670 (1983), p. 666.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II); HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 (Kramer q.q./NMB); en HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden).
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II); en HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden). Zie ook HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN). Zie ook nr. 28-29.
Vgl. HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden).
Reehuis 1989, p. 72-73.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Zie ook Reehuis 1989, p. 71-72.
Struycken 1997, p. 135-139 en 148-162. Zie tevens Struycken 1998, p. 429 en Struycken 1999, p. 581. Vgl. ook Reehuis 1989, p. 72-73 en 83. Reehuis vermoedde dat de vaststelling van de grens mede zou afhangen van de rechtspolitieke wenselijkheid van een ruimere cessie bij voorbaat gelet op de gevolgen daarvan voor de overige crediteuren van de cedent. Daartegen onder anderen Kortmann & Faber 1998; Kortmann & Faber 1999; Van Swaaij 2000/117 en Verhagen & Rongen 2000, p. 92-95. Zie ook Rongen 2012/782 en 818.
HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden). Wat betreft de identificatiefunctie lopen het voormalige en het huidige recht wel parallel. Zie HR 21 december 2001, NJ 2005/96, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (SOBI/Hurks).
Zie bijvoorbeeld HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.) ten aanzien van toekomstige naburige rechten.
138. De levering dient voldoende bepaald te zijn, ook in die zin dat zij het goed dat voorwerp is van de levering in voldoende mate aanwijst. Alleen indien duidelijk is welk goed door de vervreemder aan de verkrijger wordt geleverd, kan de levering doel treffen en een overdracht bewerkstelligen. Het vereiste dient aldus ter identificatie van het geleverde goed. Een levering die het goed onvoldoende bepaalt, is niet rechtsgeldig.1 De eis van voldoende bepaaldheid van de levering ligt besloten in het wettelijk stelsel met betrekking tot de overdracht van goederen.2 Het vereiste is daarnaast door de Hoge Raad in verschillende arresten uitdrukkelijk gekoppeld aan art. 3:84 lid 2 BW.3 Op grond van deze bepaling moet voor een overdracht het goed met voldoende bepaaldheid zijn omschreven bij de titel. Onder het begrip ātitelā in art. 3:84 lid 2 BW zal dus ook de levering moeten worden verstaan.4
De voldoende bepaaldheid van de levering moet worden onderscheiden van de eis van voldoende bepaaldheid van de titel. Voor zover met art. 3:84 lid 2 BW tevens wordt gedoeld op de titel in de zin van art. 3:84 lid 1 BW, zal ook de rechtsgrond voor de overdracht, een rechtsverhouding die de overdracht rechtvaardigt, voldoende bepaald moeten zijn. Deze titel bestaat in de regel uit een verbintenis tot overdracht. Voor de geldigheid van een verbintenis is a priori vereist dat zij bepaalbaar is. Art. 3:84 lid 2 BW voegt daar niets aan toe. Voor verbintenissen die uit overeenkomst ontstaan, volgt dit uitdrukkelijk uit art. 6:227 BW.5 Een verbintenis veronderstelt immers dat kan worden uitgemaakt waartoe de schuldenaar gehouden is. Het is niet nodig, dat de prestatie van aanvang af in alle bijzonderheden is bepaald. Voldoende is dat de verbintenis bepaalbaar is, in die zin dat de inhoud van de te verrichten prestatie ook naderhand kan worden vastgesteld.6 Bovendien is niet vereist dat de prestatie individueel bepaald is (een specifieke verbintenis). Het is bijvoorbeeld voldoende dat de prestatie naar de soort is bepaald (een generieke verbintenis).7 Zowel een specifieke verbintenis tot overdracht van een bepaald aangewezen goed, als een generieke verbintenis tot overdracht van een bepaalde hoeveelheid van een bepaalde soort goederen, vormt dus een voldoende bepaalde titel in de zin van art. 3:84 lid 1 BW. Dat de verbintenis betrekking heeft op een of meer toekomstige goederen is in dit verband in het geheel geen obstakel.8
Het vereiste van voldoende bepaaldheid geldt evenzeer voor de levering bij voorbaat van toekomstige goederen.9 Ten aanzien van toekomstige goederen kan het echter onmogelijk zijn om het goed aan de hand van bijzonderheden aan te wijzen. Het vereiste van voldoende bepaaldheid is echter geen obstakel voor de levering van toekomstige goederen gebleken, mede gelet op de soepele invulling van het vereiste.
139. In de aanloop naar de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW bestond onduidelijkheid over de invulling van het vereiste van voldoende bepaaldheid met betrekking tot de levering van toekomstige goederen. In het bijzonder bestond de verwachting dat het vereiste de cessie en verpanding van toekomstige vorderingen zou beperken.10 De onduidelijkheid hield nauw verband met de invulling die de Hoge Raad in 1980 met het Solleveld II-arrest had gegeven aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in verband met de cessie van toekomstige vorderingen. Onder het recht van vóór 1992 was vereist dat de vordering ook naar haar inhoud in voldoende mate door de cessieakte werd bepaald.11 Wat betreft toekomstige vorderingen bracht deze eis volgens de Hoge Raad met zich dat zij hun onmiddellijke grondslag moesten hebben in een rechtsverhouding die ten tijde van de cessie reeds bestond.12 Dit grondslagvereiste beperkte de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen. De Hoge Raad hanteerde daarmee dezelfde grens als voorheen, zij het dat de beperking nu in de sleutel van de bepaaldheid werd geplaatst in plaats van in het bestaan van de vordering.13 Daarnaast zouden verdere beperkingen kunnen voortvloeien uit de eis dat de akte de vordering ook inhoudelijk bepaalde. De vermelding van de specifieke kenmerken van een toekomstige vordering, zoals haar schuldenaar, de aard en omvang van de verschuldigde prestatie en de rechtsverhouding waaruit zij voortspruit, zou ten aanzien van toekomstige vorderingen moeilijkheden opleveren, zo niet onmogelijk blijken. De inhoud van een absoluut toekomstige vordering zou zich niet of niet goed laten bepalen.14 In dit kader werd algemeen aangenomen dat een cessie van āalle vorderingen, die men later uit welken hoofde ook zal verkrijgenā wegens onvoldoende bepaaldheid zonder effect zou blijven.15 Mede omdat onduidelijk was of de Hoge Raad met de invulling van het bepaaldheidsvereiste bij de cessie van toekomstige vorderingen had geanticipeerd op art. 3:97 BW, rees de vraag of deze strikte invulling ook onder het huidige recht haar gelding zou behouden. Daarnaast kan worden gewezen op het betoog van Struycken voor een invulling van het bepaaldheidsvereiste ter bescherming van de vervreemder tegen ondoordachte transacties en van diens crediteuren tegen een grootschalige aantasting van het verhaalbaar vermogen. Deze alternatieve invulling van het vereiste van voldoende bepaaldheid zou onder meer een rem kunnen vormen op de levering en verpanding van toekomstige goederen.16 Uit de parlementaire geschiedenis alsook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter onomwonden dat de strikte invulling uit het Solleveld II-arrest is losgelaten en dat aan het bepaaldheidsvereiste geen beschermingsgedachte ten grondslag ligt.
Voor het huidige wetboek heeft de wetgever uitdrukkelijk afstand genomen van een strikte invulling van het vereiste van voldoende bepaaldheid. Ook voor de levering van toekomstige goederen, en voor toekomstige vorderingen in het bijzonder, geldt slechts de algemene maatstaf van art. 3:84 lid 2 BW. Op grond daarvan is het voldoende dat het goed identificeerbaar is op het tijdstip dat het wordt verkregen door de vervreemder. Het vereiste van voldoende bepaaldheid levert aldus geen werkelijke beperking op en kan evenmin praktische moeilijkheden geven.17 In lijn hiermee heeft de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/Rabobank IJmuiden voor het huidige recht uitdrukkelijk afstand genomen van het grondslagvereiste ten aanzien van de cessie van toekomstige vorderingen. Voor het huidige recht worden aan de bepaaldheid van vorderingen geen strenge eisen gesteld. Voldoende is dat de akte van cessie zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.18 Meer in het algemeen is het vereiste van voldoende bepaaldheid keer op keer geen bijzondere beperking gebleken voor de levering bij voorbaat van toekomstige goederen.19