Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.4.a:7.4.a Bevoegdheid kamer en verhouding tot de reguliere cassatieprocedure
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.4.a
7.4.a Bevoegdheid kamer en verhouding tot de reguliere cassatieprocedure
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607112:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 6, met een nota van wijziging als gevolg, zie Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 7.
Paragraaf 5.6.
Corstens 2007, p. 37.
Zie bijv. HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, m.nt. Van Kempen.
Zie nader paragraaf 7.4d.
A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241.
Zie nader de conclusie van Knigge voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241, diverse onderdelen.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2-3, zie ook p. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Of aan de toegangsweigeringsvoorwaarden van artikel 80a RO is voldaan, wordt beoordeeld door een kamer van drie raadsheren, van wie één als voorzitter optreedt, aldus het derde lid van de bepaling.
Dit artikellid moet worden begrepen tegen de achtergrond van een opmerking uit de Tweede Kamer over de toepassing van artikel 81 RO. Een Kamerlid stelde dat de eerste beoordeling van de vraag of verkorte motivering moet worden toegepast, in de praktijk plaatsvindt door één raadsheer.1 De minister wees op artikel 75 RO, dat voorschrijft dat een cassatieberoep ten minste door drie raadsheren wordt behandeld en beslist, en achtte toepassing van de artikelen 81 en 80a RO door één raadsheer onwenselijk.2 Dit standpunt werd niet toegelicht, maar sluit wel aan bij de strekking van artikel 440 lid 4 Sv. Die bepaling laat niet-ontvankelijkverklaring door de enkelvoudige kamer in cassatie immers niet toe indien daarvoor inhoudelijke beoordeling van het beroep nodig is.3 Bedoeld is in elk geval dat artikel 80a RO niet door een kamer van minder dan drie raadsheren mag worden toegepast. Ook beslissing over cassatieberoepen door één raadsheer en een advocaat-generaal gezamenlijk, zoals geopperd door Corstens, is dus uitgesloten.4
Dit sluit volgens mij niet uit dat één raadsheer én een advocaat-generaal informeel voorselectie uitvoeren, waarna een kamer van drie raadsheren officieel de selectie uitvoert. Ook tegen niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a RO door een kamer van vijf raadsheren bestaat gelet op de achtergrond van het derde lid geen bezwaar.5 Dergelijke afdoening is in de cassatiepraktijk inmiddels ook voorgekomen.6 De beoogde versnelling of vereenvoudiging van de cassatieprocedure kan in elk geval niet worden bereikt door bij 80a-afdoening minder dan drie raadsheren te betrekken.
Anders dan in hoger beroep is de Hoge Raad niet verplicht eerst een positief dan wel negatief toegangsoordeel te vellen op grond van artikel 80a RO voordat het beroep eventueel in behandeling wordt genomen. Als de toegang tot beroep wordt geweigerd volgt een reeds bestaande einduitspraak – niet-ontvankelijkheid van het beroep.7 En als het beroep wordt toegelaten komt daarover geen afzonderlijke schriftelijke beslissing. 80a-beoordeling en inhoudelijke behandeling kunnen dus door één en dezelfde kamer worden uitgevoerd. Hierin verschilt artikel 80a RO van het verlofstelsel in hoger beroep, waarin de verlofrechter immers verplicht is over alle verlofgevallen enige toegangsbeslissing te nemen voordat het eventueel van inhoudelijke behandeling komt. Gebruik van de woorden ‘selectiekamer’ of ‘selectiemechanisme’ past strikt genomen slecht bij dit beslismodel, omdat deze woorden juist de indruk wekken van een strikt afgezonderde toegangsprocedure in cassatie.
Anderzijds lijkt artikel 80a RO juist een op zichzelf staande miniprocedure in te houden voor de selectie van geschikte cassatieberoepen. Niet alleen worden toegangsweigeringsvoorwaarden geformuleerd, ook wordt daarnaast in grote trekken aangegeven wie daarover, op basis van welke stukken, in wat voor procedure moet beslissen. Artikel 80a RO is dit perspectief als het ware te beschouwen als een zelfvoorzienende bepaling, inhoudende een los van de gewone cassatieprocedure staand selectiemechanisme. Dit perspectief op artikel 80a RO is door Knigge uitgebreid uitgewerkt, maar roept zoals hij uitlegt tal van lastige vragen op.8Ik meen – als ik het goed zie mét Knigge – dat deze benadering van artikel 80a RO zoveel vragen oproept dat zij niet vruchtbaar is. Het belangrijkste argument daarvoor is dat de benadering van artikel 80a RO als zelfstandig selectiemechanisme in allerlei opzichten niet is in te passen in het bestaande regeling van cassatierechtspraak in het Wetboek van Strafvordering. Voor dit standpunt volgen hieronder nog enkele specifieke argumenten, maar ik volsta er hier mee als conclusie weer te geven dat de toepassing van artikel 80a RO in beginsel deel uitmaakt van de gewone cassatieprocedure.9 De procedurele regels uit artikel 80a RO moeten worden beschouwd als bevestiging, verfijning of uitzondering op de bestaande cassatieprocedure in plaats van als voorschriften voor een eigenstandige miniprocedure.
Met het oog op afgescheiden toegangsbeoordeling is tot slot van belang dat de wetgever een voorstel heeft afgewezen voor toegangsbeoordeling in cassatie door een commissie (deels) samengesteld uit anderen dan raadsheren uit de Hoge Raad.10 Volgens de VVD-fractie zou de insteller van het beroep het per definitie oneens zijn het oordeel van de Hoge Raad over gebrek aan belang bij het beroep. Om de Hoge Raad niet aan moeilijk te weerspreken kritiek bloot te stellen, werd voorgesteld dat niet de Hoge Raad zelf het toegangsoordeel velt, maar een “selectiecommissie met een min of meer onafhankelijke en/of wetenschappelijke status”.11 De minister heeft dit voorstel voor afgescheiden toegangsbeoordeling afgewezen, waarna er niet meer op is teruggekomen. In plaats van een systeem waarin de Hoge Raad zich uitsluitend met belangrijke rechtsvragen kan bezighouden, is immers gekozen voor een stelsel waarin “na binnenkomst [wordt] beoordeeld of de zaak kans van slagen heeft en zich leent voor een (volledige) behandeling in cassatie. Het spreekt vanzelf dat de rechter bij wie beroep wordt ingesteld, zelf over (de ontvankelijkheid van) het beroep oordeelt. Dat is immers een rechterlijke taak”,12 aldus de minister. Wat er ook zij van de tegenstelling die in dit citaat is aangebracht tussen een selectiemechanisme en verlofbeoordeling, artikel 80a RO wordt hier veeleer gepresenteerd als een onderdeel van de gewone cassatieprocedure dan als volstrekt zelfstandige en afgescheiden toegangsbeoordeling.