Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.4.b
7.4.b Procedure en rol parket bij de Hoge Raad
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607113:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 5.6.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 19; Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 2-11; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.45.
Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 20; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.41; de interpretatie van Fokkens, inhoudende dat standpunt en conclusie in de wetgeschiedenis verwijzen naar hetzelfde document, lijkt mij onjuist, zie zijn conclusie vóór HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, m.nt. Van Kempen.
Aldus ook Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. B, p. 3; Kamerstukken I 2011/12, 32576, nr. C, p. 5; Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.43; in Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.45, wordt zelfs opgemerkt dat het nemen van een conclusie afdoening op grond van artikel 80a RO uitsluit.
A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241, punt 5.5.4.
Zie voor vernietiging na een tot 80a-afdoening adviserend standpunt bijv. HR 25 juni 2013, NJ 2013/385; HR 19 november 2013, ECLI:1354; eventueel wordt na een kort standpunt op verzoek van de Hoge Raad een uitgebreidere conclusie genomen, zie bijv. HR 18 juni 2013, NJ 2013/453, m.nt. Reijntjes.
Lijkt, want in die arresten wordt het vraagstuk van de verhouding tussen art. 80a RO en 439 Sv strikt genomen vermeden, zie r.o. 2.6.3 van HR 11 september 2012, NJ 2013/ 241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.6.3; de arresten reppen alleen van reactie door de raadsman van degene door of namens wie het cassatieberoep is ingesteld, maar ik neem aan dat dit ook geldt voor de raadsman van de benadeelde partij. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep impliceert immers dat de bezwaren van de benadeelde partij niet worden behandeld, zie paragraaf 5d.
Zie de precieze beschrijving in de conclusie van P-G Fokkens voor HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, m.nt. Van Kempen; enige tijd zijn nog conclusies genomen die niet méér inhielden dan dat de A-G van opvatting is dat artikel 80a RO kan worden toegepast, zonder bespreking van de middelen, zie bijv. HR 17 maart 2015, ECLI:639.
Aldus Nan 2013b, p. 736; kennelijk ook A-G Vellinga in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/244, punt 8; wellicht ook zo A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241, punt 5.5.26.
Zie Nan 2013b, p. 735-736 en Nan 2015, p. 186.
A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241, punt 5.5.24; Van Kempen in zijn noot onder HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, punt 3-4. 206 Zie uitgebreider Van Kempen in zijn noot onder HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, punt 3-4.
Zie uitgebreider Van Kempen in zijn noot onder HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, punt 3-4.
En van te laat ingediende commentaren wordt geen kennis genomen, zie artikel IX Procesreglement 2013.
HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, m.nt. Van Kempen; zo ook A-G Vellinga in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/244, punt 8.
Paragraaf 7.6b.
Hoge Raad 2015, bijlage 2, gemiddelde instroom reguliere strafzaken met middelen over 2013 tot en met 2015.
Art. 8 Rolreglement van de civiele kamer van de Hoge Raad 2012 en art. 9 Reglement rekestzaken van de civiele kamer 2012 en voor belastingzaken Feteris 2014, p. 268-288.
De beoogde versnelling van de cassatieprocedure schuilt dus niet in beoordeling van de toegang tot beroep door een kamer van kleinere omvang of in externe beoordeling. Een tweede mogelijkheid voor versnelling houdt in dat in 80a-gevallen het aantal processtappen dat in de reguliere procedure gewoonlijk wordt gezet, wordt verminderd.
Normaal gesproken worden na het instellen van cassatieberoep eerst de bestreden uitspraak en het proces-verbaal uitgewerkt en met het dossier van de strafzaak toegezonden naar de Hoge Raad. Na aanzegging van de ontvangst van de stukken aan diverse betrokkenen, bestaat voor hen binnen een bepaalde termijn de mogelijkheid een schriftuur in te (laten) dienen. Vervolgens neemt het parket bij de Hoge Raad een conclusie, waarop met een zogeheten Borgersbrief kan worden gereageerd. Hoogst zelden vindt mondelinge of schriftelijke toelichting van de schriftuur plaats. Tot slot oordeelt de Hoge Raad over het beroep. In het bijzonder van belang is dat in cassatie preliminaire afdoening van de zaak met een toegangsbeslissing van oudsher onmogelijk is. Ook in geval van een evidente niet-ontvankelijkverklaring van het beroep moet in beginsel de gehele cassatieprocedure worden doorlopen, inclusief dossierverzending, conclusie en eventuele reactie. Alleen indien niet tijdig een schriftuur is ingediend kan het beroep zonder conclusie en enkelvoudig worden afgedaan.1
Als vertrekpunt voor 80a-beoordeling geldt hier dat de beoordeling van ontvankelijkheid aan de hand van die bepaling volgens de reguliere cassatieprocedure verloopt, tenzij daarop een uitzondering is gemaakt. Zeer duidelijk is de toelichting hierover niet, maar dit lijkt inderdaad ook het uitgangspunt van de wetgever te zijn geweest. “De wijze van het instellen van cassatie wijzigt niet. Bij de invoering van artikel 80a Wet RO zal de Hoge Raad in zijn reglementen een bepaling moeten opnemen waaruit volgt dat eerst getoetst wordt of gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring. In al die gevallen zal bepaald moeten worden dat het desbetreffende dossier van de vorige instanties beschikbaar is. Zonder dit dossier, waarin zich ook de in cassatie bestreden uitspraak/uitspraken bevinden, is een beoordeling niet denkbaar. Het moet derhalve voor de Hoge Raad mogelijk zijn mede aan de hand van het dossier de klachten te kunnen beoordelen”, aldus de memorie van toelichting.2
In lijn met de ratio van versnelde afdoening van het beroep moet intussen wel “eerst” worden onderzocht of artikel 80a RO kan worden toegepast, al is in strafzaken niet duidelijk is waarvóór precies. Gelet op de geciteerde wetsgeschiedenis moet in elk geval het complete dossier van de zaak bij de Hoge Raad zijn binnengekomen. Gelet op het tweede lid van artikel 80a RO kan niet-ontvankelijkverklaring bovendien niet plaatsvinden voordat door of namens de insteller van het beroep – tijdig – een schriftuur is ingediend. Voor cassatie in strafzaken rijst daarom de intussen gepreciseerde vraag of toepassing van artikel 80a RO kan plaatsvinden voor- of nadat het parket een conclusie over de zaak heeft genomen.
De tekst van artikel 80a lid 1 RO gebiedt de Hoge Raad de procureur-generaal te horen over afdoening via artikel 80a RO. Dat kan worden opgevat als een bevestiging van de regel uit artikel 439 Sv dat de procureur-generaal een conclusie neemt en deze schriftelijk aan de Hoge Raad voorlegt, maar die interpretatie lijkt mij onjuist.
De wetsgeschiedenis schetst het beeld van een in feite gefaseerd oordelende Hoge Raad. Na binnenkomst van het dossier en de schriftuur wordt eerst geselecteerd op grond van artikel 80a RO, en daarna volgt het beroep eventueel de gebruikelijke procedure.3 Binnen deze gebruikelijke procedure neemt de procureur-generaal een conclusie, maar reeds in de selectiefase moet hij de gelegenheid krijgen over afdoening van de zaak een standpunt in te nemen, aldus de memorie van toelichting.4 De 80a-beoordeling wordt hier gelokaliseerd na indiening van de schriftuur en voorafgaand aan het nemen van de conclusie. Het ‘standpunt’ wordt daarbij gezien als een ander document dan de ‘conclusie’, terwijl het innemen van een dergelijk standpunt – enigszins in afwijking van de gebiedende formulering van de wettekst – niet wordt benaderd als verplichting maar als open bevoegdheid van de procureur-generaal.5 Deze benadering sluit aan bij de ratio van versnelde afdoening van kansloze zaken. Als immers in 80a-zaken een conclusie moet worden genomen, kan in strafzaken in vergelijking met de reguliere procedure niet van wezenlijke versnelling of verkorting worden gesproken. De in procedurele termen te behalen winst schuilt dan hoogstens in het minder uitgebreid uitwerken van een conclusie, wat de wet ook vóór inwerkingtreding van artikel 80a RO niet uitsloot.6 Bezien vanuit artikel 80a RO zelf lijkt het dus niet nodig dat de procureur-generaal een conclusie in de zin van artikel 439 Sv of een andersoortig advies schriftelijk bekend maakt.
Dit standpunt strookt echter niet met artikel 439 eerste lid Sv, dat immers het nemen van een schriftelijke conclusie in elke zaak voorschrijft, óók als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Anders dan voor zaken waarin geen schriftuur is ingediend, bevat artikel 439 Sv geen uitzondering op de algemene conclusie-eis voor zaken waarin artikel 80a RO wordt toegepast. Dat de procureur-generaal bij 80a-afdoening misschien geen schriftelijk ‘standpunt’ hoeft bekend te maken, doet naar de letter van de wet niet af aan zijn plicht een ‘conclusie’ te nemen. Bezien vanuit artikel 439 Sv kan niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a RO dus alleen plaatsvinden als een conclusie is genomen.
Aan deze patstelling kan op verschillende manieren worden ontkomen. Eén oplossing houdt in dat de procureur-generaal van zijn opvatting dat artikel 80a RO moet worden toegepast steeds schriftelijk blijk geeft, welk schriftelijk stuk vervolgens als conclusie wordt opgevat.7 En indien hij van opvatting is dat voor toepassing van artikel 80a RO geen ruimte is, neemt hij gewoonweg een als zodanig aangeduide conclusie. In beide gevallen worden alle beroepen voorzien van enig schriftelijk advies. Deze eerste oplossing lijkt die van de standaardarresten van 11 september 2012 te zijn,8 en is vaste praktijk geweest tot in 2015. De standaardarresten bepalen verder dat reactie op standpunten en conclusies mogelijk is.9 Van versnelling van de afdoening van het cassatieberoep in de zin van vermindering van het aantal procedurele stappen is in deze benadering dus geen sprake.
Enkele jaren na inwerkingtreding van artikel 80a RO is deze eerste oplossing verlaten. Sinds begin 2015 is een ontwikkeling ingezet die uiteindelijk ertoe heeft geleid dat het parket thans in beginsel geen standpunt meer bekend maakt over de toepasselijkheid van artikel 80a RO.10 In sommige gevallen neemt het parket een conclusie, onder meer als het van oordeel is dat het bestreden arrest moet worden vernietigd of als de Hoge Raad om een conclusie verzoekt. In deze benadering worden geen ‘standpunten’ meer bekend gemaakt, alleen nog, in bepaalde gevallen, conclusies genomen. Aan niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 80a RO gaat dus in beginsel geen conclusie vooraf. In alle andere beroepen waarin een schriftuur is ingediend moet uiteindelijk – eventueel na verzoek van de Hoge Raad – een conclusie worden genomen.
Verantwoording van deze praktijk wordt geboden door twee andere oplossingen voor de zojuist geschetste patstelling. Ten eerste kan artikel 80a RO toch als uitzondering op artikel 439 lid 1 Sv worden opgevat, hoewel uitdrukkelijke formulering van zo’n uitzondering ontbreekt.11 Deze interpretatie sluit aan bij conceptversies van het wetsvoorstel versterking cassatierechtspraak, waarin die uitzondering met zoveel woorden in een nieuw artikel 439 lid 2 Sv was opgenomen.12 Een tweede interpretatie benadert artikel 80a RO als een los van de reguliere behandeling in cassatie staand selectiemechanisme waarop artikel 439 Sv überhaupt niet van toepassing is. In deze benadering verzekert de zinsnede ‘gehoord de procureur-generaal’ de betrokkenheid van het parket bij 80a-afdoening.13 Beide interpretaties komen tegemoet aan de ratio en wetsgeschiedenis van artikel 80a RO14 en komen in feite op hetzelfde neer: 80a-afdoening vereist geen conclusie en wordt eventueel voorafgegaan door een mondeling of schriftelijk bekend gemaakt standpunt van de procureur-generaal. Een belangrijke stap in de cassatieprocedure hoeft dus bij 80a-afdoening niet te worden gezet.
In hoeverre versnelling van de cassatieprocedure kan plaatsvinden, hangt uiteindelijk af van nog twee andere punten. Het eerste punt betreft het commentaar op de conclusie van het parket. Veel vertraging levert het wachten op dergelijk commentaar in de praktijk weliswaar niet op, de indieningstermijn is twee weken na verzending van een kopie van de conclusie,15 maar kennisneming van en beraad over het commentaar kan toch enig beslag leggen op de capaciteit van de strafkamer. Voor de hand ligt de redenering dat indien geen conclusie wordt genomen vanzelfsprekend ook geen recht bestaat schriftelijk commentaar te leveren (waarop dan?). Inderdaad besliste de Hoge Raad dat indien de procureur-generaal afziet van het innemen van een standpunt over toepassing van artikel 80a RO dan wel mondeling het standpunt inneemt dat artikel 80a RO kan worden toegepast, en dus niet een op schrift gestelde conclusie neemt waarvan ingevolge artikel 439 lid 3 Sv een afschrift aan de raadsman wordt toegezonden, er voor schriftelijk commentaar op de conclusie als bedoeld in artikel 439 lid 5 Sv, geen plaats is.16 Op deze manier geformuleerd, geënt op nationale wetgeving, valt op het oordeel niets af te dingen. Of dit oordeel een toets aan mensenrechten kan doorstaan, komt later aan bod.17
Een potentieel sterker vertragend tweede punt betreft de mondelinge toelichting op de schriftuur of de mondelinge tegenspraak van een door het openbaar ministerie ingesteld beroep (art. 438 Sv). Voor zo’n pleidooi wordt volgens het Procesreglement 2013 in beginsel ten hoogste twintig minuten gereserveerd, maar het moet wel door de meervoudige kamer op een openbare zitting worden beluisterd. Gelet op het feit dat jaarlijks in ruim tweeduizend cassatieberoepen een schriftuur wordt ingediend,18 zou de toelichting op al die beroepen weken in beslag kunnen nemen. Nu wordt in de praktijk niet of nauwelijks voor de strafkamer van de Hoge Raad gepleit, zodat met een incidenteel pleidooi thans geen grote vertraging van de afdoening van het beroep is gemoeid. Bovendien kan toelichting op de schriftuur of het beroep van het openbaar ministerie ook schriftelijk plaatsvinden. Toch is voorstelbaar dat het mondelinge pleidooi wordt aangegrepen om vooral het voldoende belang van de insteller van het beroep met klem onder de aandacht van de Hoge Raad te brengen. Als namelijk de toepassing van artikel 80a RO uiteindelijk ook afhangt van inschattingen en prognoses over het lot van de strafzaak na terugwijzing, wordt mondelinge overtuigingskracht in cassatie in de toekomst wellicht van groter belang. Kan zo’n toelichting bij 80a-afdoening plaatsvinden?
De overzichtsarresten uit 2012 zwijgen over het plaatsvinden van toelichting op de schriftuur. Uit het tweede lid van artikel 80a RO kan evenwel worden afgeleid dat bij 80a-afdoening een pleidooi onmogelijk is. Het tweede lid van dat artikel bepaalt namelijk dat 80a-afdoening niet plaatsvindt “dan nadat” de Hoge Raad kennis heeft genomen van de cassatieschriftuur. Dat kan andersom worden gelezen: zodra de schriftuur is ontvangen, kan het beroep op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard – gehoord de procureur-generaal. Deze lezing vindt steun in de wetsgeschiedenis,19 alsook in vergelijkbare verkorting van de civiele en belastingprocedure in cassatie.20 Artikel 80a RO kan ook hier worden begrepen als een uitzondering op de reguliere cassatieprocedure beschreven in het Wetboek van Strafvordering.