Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.8
4.2.8 Bewijsgradatie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940725:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Nijboer 2011, p. 75-76.
In de strafrechtelijke literatuur is de term ‘bewijsstandaard’ gebruikelijk, zie bijvoorbeeld Cleiren & Nijboer 2007, p. 1051.
Corstens/Borgers 2014, p. 755.
Nijboer 2011, p. 22.
Aldus Wiarda 1959, p. 421 (op grond van wetshistorisch onderzoek).
Corstens/Borgers 2014, p. 754-756.
Nijboer 2011, p. 73. Eerder merkte hij op dat het om een (zeer) hoge graad van waarschijnlijkheid gaat (Nijboer 2011, p. 21 en p. 29).
Zie voor een nadere beschouwing Bemelmans 2018, par. VII.5.2.
Nijboer 2011, p. 73, alsmede Cleiren & Nijboer 2007, p. 1051 en Tekst & Commentaar Strafvordering, Derde afdeeling Bewijs, par. 8 (bijgewerkt tot 1-7-2018).
Corstens/Borgers 2014, p. 755.
Het gaat dus om een beredeneerde overtuiging, als tegenpool van de ‘conviction intime’, die een bloot gemoedelijke overtuiging behelst. Zie Nijboer 2011, p. 71-74 en p. 41, alsmede Corstens/Borgers 2014, p. 757-758. Als de rechter subjectief niet overtuigd is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, mag hij echter geen bewezenverklaring uitspreken, ook al zou hij dat gelet op de aanwezige bewijsmiddelen toereikend kunnen motiveren.
Nijboer 2011, p. 73, Tekst & Commentaar Strafvordering, art. 338, par. 7 (bijgewerkt tot 1-7-2018).
Zie daarover nader Corstens/Borgers 2014, p. 855-857.
Nijboer 2011, par. 2.5.5.
Nijboer 2011, p. 75. Het gaat om de vraag of er een reële (plausibele) mogelijkheid bestaat.
Nijboer 2011, p. 75 wijst erop dat in het vooronderzoek twee verdachten preventief gehecht kunnen zijn ter zake van een feit dat onmogelijk door hen beiden gepleegd kan zijn.
Het bewijs in het strafrecht is gericht op de overtuiging van de rechter: om een veroordeling te kunnen uitspreken, moet hij volgens de wet ‘de overtuiging bekomen’ dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Die overtuiging mag bovendien alleen maar zijn gegrond op wettige bewijsmiddelen.1 Is de rechter niet overtuigd, dan zal vrijspraak volgen wegens onvoldoende of ‘gebrek aan’ bewijs.2
Het vereiste van de overtuiging van de rechter vloeit voort uit het beginsel ‘in dubio pro reo’ (bij twijfel ten gunste van de beklaagde) en uit de onschuldpresumptie als omschreven in art. 6 lid 2 EVRM.3 Maar welke gradatie4 aan bewijskracht is in het strafrecht precies vereist om ‘overtuigd’ te raken? Vast staat, dat absolute zekerheid niet noodzakelijk is:5 het gaat erom dat een bepaald minimumniveau van zekerheid of waarschijnlijkheid is behaald.6 Overtuiging betekent echter wel: volkomen overtuiging.7 De strafrechter staat immers voor de beslissing of hij het tenlastegelegde feit al dan niet bewezen kan verklaren: hij mag zich niet beperken tot de uitspraak dat het ‘waarschijnlijk’ is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.8 Nijboer heeft de benodigde overtuiging als een ‘zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid’ gedefinieerd.9 Het komt erop neer, dat de internationaal gangbare bewijsstandaard ‘beyond reasonable doubt’ ook in het Nederlandse strafrecht geldt.10 De Nederlandse strafrechter gaat dus na of hij het ‘buiten redelijke twijfel’ acht dat het tenlastegelegde uit de beschikbare – en toegelaten – bewijsmiddelen voortvloeit.11 Corstens spreekt van de situatie ‘dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt’.12
In de formulering van deze bewijsgradatie ligt een zekere objectivering besloten, omdat de overtuiging immers in redelijkheid tot stand heeft moeten kunnen komen (beyond reasonable doubt en buiten redelijke twijfel). Het gaat dus niet om de hoogstpersoonlijke, subjectieve overtuiging van de rechter, maar om een min of meer objectiveerbare overtuiging, een ‘conviction raisonnée’.13
De bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ brengt met zich dat alternatieve interpretaties van het beschikbare bewijsmateriaal, die een ander scenario inhouden dan de tenlastelegging, dienen te worden uitgesloten. Alleen uiterst onwaarschijnlijke mogelijkheden mag de rechter buiten beschouwing laten.14 Een verweer dat niet in strijd is met de gebruikte bewijsmiddelen, maar wel met de tenlastelegging of bewezenverklaring (een zogeheten Meer en Vaart-verweer) mag de rechter niet onbehandeld laten.15
Interessant is nog de verhouding tussen de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ die nodig is voor het bewijs van het begaan van het tenlastegelegde feit en de andere bewijsgradaties, zoals die in het strafrechtelijk vooronderzoek voorkomen. De wet kent namelijk ook nog de criteria ‘redelijk vermoeden van schuld’ (ten aanzien van de status van verdachte)16 en ‘ernstige bezwaren’ (als drempel voor voorlopige hechtenis).17 Bij voorlopige hechtenis moet er een hogere mate van waarschijnlijkheid bestaan dan bij een verdenking. In beide gevallen is er sprake van een ‘minder klemmende graad van waarschijnlijkheid’ dan de voor de bewijsbeslissing vereiste ‘beyond reasonable doubt’.18 In het vooronderzoek zal het dikwijls voldoende zijn dat de beslisser ervan overtuigd is dat de mogelijkheid bestaat dat een bepaald strafbaar feit door de verdachte is begaan.19 Bij het nemen van de bewijsbeslissing mag het niet meer gaan om slechts de mogelijkheid, maar moet het vrijwel zeker zijn dat de verdachte het feit heeft begaan.20