Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.3.6
3.3.6 Indeling 5: Statisch versus dynamisch
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305231:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wilson 1979, p. 197; Wellman 1985, p. 20; Sumner 1987, p. 27; Fiorito 2010, p. 271.
Saunders 1990, p. 466-467; Thomson 1990, p. 67.
Kramer 2000, p. 20; Perry 2009, p. 539.
Zie hierover Rainbolt 2006, p. 64.
Zie voor een uitgewerkt voorbeeld aan de hand van inbezitneming van een res nullius Claeys 2013, p. 21-22.
Sumner 1987, p. 31.
1979, p. 21; Essert 2015, p. 137.
O’Gorman 2014, p. 367, die terzijde opmerkt hoe verwarrend het zou zijn als een ‘power’ en een ‘liberty’ allebei een ‘right’ genoemd zouden worden. De dief zou dan het recht hebben om de zaak te verkopen, maar niet het recht hebben om de zaak te verkopen.
Sumner 1987, p. 29.
78. De vijfde manier van onderverdelen is al impliciet in het werk van Hohfeld aanwezig, maar heeft in latere literatuur meer aandacht gekregen. Deze onderscheiding bestaat uit twee viertallen, geclusterd rond de begrippen ‘claim’ en ‘power’ (ook wel: de ‘statische’ en de ‘dynamische’ groep). 1In de eerste groep vallen de begrippen ‘claim’, ‘duty’, ‘liberty’ en ‘no-right’. In de tweede groep de begrippen ‘power’, ‘liability’, ‘immunity’ en ‘disability’.
Statisch:
‘claim’
-
‘duty’
‘liberty’
-
‘no-right’
Dynamisch:
‘power’
-
‘liability’
‘immunity’
-
‘disability’
79. De eerste groep met begrippen ziet op het al dan niet hebben van een aanspraak (c.q. het al dan niet gebonden zijn van de wederpartij). Degene die een ‘duty’ heeft, is gebonden jegens degene die een ‘claim’ heeft. Degene die een ‘liberty’ heeft, is niet gebonden jegens degene die een ‘no-right’ h eeft. In het voorbeeld aan het begin van dit hoofdstuk is B gehouden niet op A’s grond te komen, terwijl A van zijn eigen grond gebruik mag maken hoe hij wil, ongeacht wat B daarvan vindt. De begrippen in de tweede groep hebben betrekking op het laten ontstaan, veranderen, of be ë indigen van een aanspraak (c.q. het gebonden worden van de wederpartij).2 Degene met een ‘power’ heeft de bevoegdheid een juridische relatie in het leven te roepen, te veranderen of te beëindigen, degene met een ‘liability’ dient zich de uitoefening van deze bevoegdheid te laten welgevallen. Degene met een ‘disability’ heeft de bevoegdheid niet om een relatie met degene die een ‘immunity’ heeft in het leven te roepen, te veranderen of te beëindigen. A kan van B een noodweg vorderen, B dient dit te gedogen. B kan van A geen noodweg vorderen; A is dus beschermd tegen een soortgelijke aanspraak van B. In beide groepen bevindt zich dus een aanspraak (‘claim’, ‘power’) met een corresponderende gehoudenheid (‘duty’, ‘liability’) en de mogelijkheid om zich bij het ontbreken van een aanspraak (‘no-right’, ‘disability’) gevrijwaard te weten van gehoudenheid (‘liberty’, ‘immunity’).
80. In de literatuur wordt hetzelfde onderscheid ook wel op een net andere manier geduid. Er wordt dan gesteld dat de juridische posities uit de eerste groep direct zien op het gedrag van mensen (met als mogelijke modaliteiten dat iets toegestaan, verboden, of verplicht is). Juridische posities uit de tweede groep zien daarentegen slechts op het veranderen van andere juridische posities (met als mogelijke modaliteiten dat iets mogelijk, onmogelijk of noodzakelijk is).3 Deze twee groepen van ‘modaliteiten’ staan in de filosofie bekend als ‘deontische modaliteiten’, respectievelijk ‘aletische modaliteiten’.4 Ze zien op specifieke juridische posities: een ‘claim’ verbiedt of verplicht ergens toe, een ‘liberty’ staat iets toe. Een ‘power’ maakt het mogelijk of noodzakelijk dat een juridische positie wordt veranderd, een ‘immunity’ maakt dat onmogelijk. (Te) kort door de bocht – maar wel handig als ezelsbruggetje – gaat de eerste groep dus over mogen, de tweede groep over kunnen.
81. Het belang van het bovengenoemde onderscheid is onder andere gelegen in de afdwingbaarheid van de juridische relaties. Het is mogelijk om een ‘claim’ in rechte hard te maken, omdat het een directe aanspraak is. Een ‘power’ kan men niet in rechte hard maken, maar dient men te gebruiken. Het gebruik van een ‘power’ kan vervolgens tot resultaat hebben dat de juridische relatie dusdanig verandert dat de partij die de ‘power’ gebruikt – bijvoorbeeld – een ‘claim’ krijgt (het aanvaarden van een aanbod), een ‘liberty’ krijgt (het doen van een beroep op verjaring van een ‘claim’ van de wederpartij), of een ‘liability’ aanvaardt (het doen van een aanbod).5 Het uitoefenen van een ‘power’ kan dus het ontstaan van één van de acht typen juridische posities tot gevolg hebben, waaronder ook die uit de eerste groep van vier.6 Andersom gaat het uitoefenen van een ‘claim’ normaliter niet vooraf aan het ontstaan van juridische posities uit de tweede groep (althans niet voor degene die de ‘claim’ uitoefende). Er wordt daarom wel gezegd dat de tweede groep met juridische posities ten dienste staat van de eerste groep.7
82. Iets correcter is naar mijn mening te zeggen dat beide groepen van belang zijn. Zonder de begrippen uit de eerste groep is het niet mogelijk om met behulp van het recht het gedrag van mensen te veranderen; ze zijn dan nergens toe gehouden. Zonder de begrippen uit de tweede groep zouden juridische posities alleen kunnen veranderen door blote rechtsfeiten; het is dan niet mogelijk om juridische posities aan te passen. Dat beide groepen nodig zijn, kan worden geïllustreerd met een voorbeeld. Stel dat A een zaak verkoopt aan B. Als na afronding van de verkoop blijkt dat A de zaak gestolen had van een derde, dan wordt B (behoudens gevallen van derdenbescherming) geen eigenaar. A had, net als iedereen, wel de ‘power’ om de zaak te koop aan te bieden, maar slechts de eigenaar van de zaak heeft de bijbehorende ‘liberty’ die hem toestaat de eigendom van de zaak op de koper te doen overgaan.8 Andersom is ook een ‘liberty’ zonder ‘power’ niet voldoende om een geslaagde overdracht tot stand te brengen. Stel dat A een ‘liberty’ heeft om met de zaak te doen wat hij wil, dan nog kan hij de positie die B ten aanzien van de zaak inneemt niet veranderen; hij mist de ‘power’ om dat te doen.9