Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.4.1
3.3.4.1 Recht op tegenspraak ten aanzien van processtukken
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304895:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. HR 7 maart 1980, NJ 1980, 611 (WHH); HR 27 maart 1987, NJ 1988, 130 (WHH); HR 10 november 1989, NJ 1990, 111; HR 13 september 1991, NJ 1991, 783; HR 15 januari 1993, NJ 1993, 594; HR 12 februari 1993, NJ 1993, 596 en HR 16 september 1994, NJ 1995, 76. Deze formulering is sindsdien vaste rechtspraak; zie recenter HR 12 maart 1999, NJ 1999, 400, alsmede HR 17 februari 2006, NJ 2006, 156, JBPr 2006, 75 (A. Knigge) en HR 16 juni 2006, NJ 2006, 585 U.H. Spoor).
Zie reeds HR 29 juni 1990, NJ 1990, 732 en HR 4 november 1994, NJ 1995, 98. Zie ook - in een verzoekschriftprocedure - HR 27 juni 1997, NJ 1998, 328 (HJS).
HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 (HJS). Kort daarvoor had de Hoge Raad in een Bopz-zaak een 'opmaat' voor haar standpunt gegeven in HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599. Vgl. tevens recentelijk HR 4 mei 2007, NJ B 2007, 1128, p. 1320-1321.
Uit HR 5 september 1997, NJ 1999, 410, blijkt dat een bij pleidooi overgelegde productie onder omstandigheden toelaatbaar kan zijn.
In dezelfde zin D.M. Thierry in diens commentaar op het arrest van de Hoge Raad, Adv.bl. 2003, p. 802 e.v.
HR 24 december 1993, NJ 1994, 194. De Hoge Raad maakt hier omwille van de bescherming van het beginsel van hoor en wederhoor een uitzondering op de regel dat een rechter een in het geding gebracht stuk in beginsel slechts terzijde legt wanneer de wederpartij van degene die het stuk in het geding heeft gebracht, tegen kennisneming daarvan door de rechter bezwaar heeft gemaakt (HR 24 maart 1933, NJ 1933, p. 1095).
Zie reeds HR 31 januari 1975, NJ 1976, 146.
Conform de Straatsburgse hoofdregel uit het Ruiz Mateos-arrest luidt het uitgangspunt dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven.1 Volgens A-G Vranken in zijn conclusie voor HR 12 februari 1993, NJ 1993, 596 geldt dit uitgangspunt onverkort voor zowel dagvaardings- als verzoekschriftprocedures en is hier sprake van vaste rechtspraak en heersende opvatting. Het uitgangspunt ligt voor de rekestprocedure ten grondslag aan art. 290 Rv, bepalende dat de verzoeker en iedere belanghebbende recht hebben op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal.
De (kort) vóór of bij gelegenheid van een terechtzitting overgelegde stukken kunnen daarbij een probleem vormen.2 In een recent arrest heeft de Hoge Raad dienaangaande de norm gesteld.3 Zolang het gaat om stukken waarvan de aard en omvang klaarblijkelijk geen beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, mag de rechter, zeker als tegen de overlegging van deze bescheiden geen bezwaar is gemaakt, zonder meer aannemen dat aan de hierboven geformuleerde (en door de Hoge Raad als fundamentele regel van hoor en wederhoor bestempelde) eis is voldaan. Als het echter gaat om bescheiden waarvan reeds de aard en omvang, gelet op het tijdstip waarop zij zijn overgelegd, het vermoeden wettigen dat tot de betrokken terechtzitting, de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming ervan en een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken, dient de rechter - ambtshalve - erop te letten dat aan de hiervoor bedoelde eis is voldaan en een daarmee in overeenstemming zijnde beslissing te geven waarvan, met het oog op de controle door de hogere rechter van de naleving van dit fundamentele beginsel, uit vonnis of arrest of uit het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. In het bijzonder moet worden vermeld hetzij dat de rechter een bepaalde maatregel te dezer zake heeft genomen op grond waarvan kan worden aangenomen dat voormelde kennisneming en voorbereiding alsnog hebben kunnen plaatsvinden, hetzij dat de wederpartij ermee heeft ingestemd dat de rechter zonder een zodanige maatregel met het stuk rekening zou kunnen houden.
Zoals A-G Wesseling-van Gent en annotator Snijders constateren ontbreken op dit punt 'hard and fast rules', het hangt van de omstandigheden af. Om het cryptisch te zeggen: één A4-tje met technische gegevens een paar dagen voor een zitting kan meer voorbereiding vergen dan twintig luchtig-illustratieve sheets die eerst bij pleidooi worden getoond.4 De tweeweken-regel van art. 1.12 van het Landelijk Rolreglement (LRr) voor het overleggen van producties vóór comparitie of pleidooi is niet meer dan indicatief.5
Wordt een stuk door een partij (buiten de zitting) in het geding gebracht zonder dat blijkt dat daarvan afschrift is gegeven aan de wederpartij, dan wel dat deze van de nederlegging ter griffie mededeling heeft gedaan op de voet van art. 85 (art. 147 (oud)) Rv, en de rechter dientengevolge betwijfelt of de wederpartij van het in het geding gebrachte stuk kennis heeft, dan rust op de rechter de ambtshalve plicht de wederpartij ervan op de hoogte te brengen dat het betreffende stuk behoort tot de hem overgelegde stukken van het geding en behoort hij die partij in de gelegenheid te stellen zich desgewenst over dit stuk uit te laten.6
In kort geding gelden de hier geformuleerde regels onverkort,7 zij het dat in de dikwijls hectische kortgedingpraktijk van een flexibele toepassing daarvan sprake zal zijn.