Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.3.4.2
2.3.4.2 Btw-uitvoeringsverordening
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291235:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op het zogenoemde ‘omzettingsverbod’ bestaat slechts een uitzondering indien lidstaten op grond van de verordening uitvoeringsmaatregelen kunnen of moeten nemen (F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, Recht van de Europese Unie, Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 189). Van Hilten en Van Kesteren wijzen er terecht op dat de verordening vanwege het omzettingsverbod een beter instrument is om eenvormigheid te bereiken dan een richtlijn. Zij werpen de vraag op of het niet beter zou zijn indien de Europese btw in een verordening zou zijn geregeld. Zij menen dat art. 113 VWEU daartoe de ruimte laat (M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 40). Toch is dat maar de vraag, aangezien deze bepaling rept over ‘harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting’. Zouden de Europese btw-regels in een verordening zijn neergelegd dan is geen sprake meer van harmonisatie, maar van unificatie. Daarnaast is de EU op grond van het in art. 5 lid 4 VEU neergelegde evenredigheidsbeginsel gehouden om bij regelgevend optreden het minst ingrijpende middel te kiezen. Dit houdt in dat als harmonisatie van btw zowel door een richtlijn als een verordening mogelijk is de voorkeur gegeven moet worden aan een richtlijn (F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, Recht van de Europese Unie, Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 173).
Vgl. HvJ EG 17 mei 1972, zaak 93/71, ECLI:EU:C:1972:39, r.o. 21-22 (Leonesio).
Anders dan een richtlijn wordt een verordening niet omgezet in nationaal recht.1 Een verordening, zoals de Btw-uitvoeringsverordening, heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (art. 288, tweede alinea VWEU). Lidstaten zijn op grond van het loyaliteitsbeginsel (art. 4 lid 3 VEU) gehouden om de eenvormige toepassing van de Btw-uitvoeringsverordening te verzekeren. Nationaal btw-recht dat in strijd is met de Btw-uitvoeringsverordening kan door de belastingdienst niet ten nadele aan een belastingplichtige worden tegengeworpen.2 Vanwege de rechtstreekse toepasselijkheid van de Btw-uitvoeringsverordening kan een belastingplichtige zich naar mijn mening niet met succes beroepen op daarmee strijdig gunstiger nationaal recht. Op grond van het beginsel van voorrang gaat de rechtstreeks toepasselijke Btw-uitvoeringsverordening immers voor op het daarmee strijdige nationale recht.