Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.11:3.3.11 Tussentijdse conclusie naar aanleiding van JPO/CBB
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.11
3.3.11 Tussentijdse conclusie naar aanleiding van JPO/CBB
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298206:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor zover thans van belang, dient op grond van deze uitspraak te worden geconcludeerd dat tot het bestaan van rechtens relevant vertrouwen in de totstandkoming van een overeenkomst niet snel mag worden geconcludeerd. Er dient in dat kader "een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" te worden aangelegd. Uit het arrest JPO/CBB wordt niet direct duidelijk of de Hoge Raad met deze formulering heeft willen breken met de eerdere jurisprudentie (met het arrest Plas/Valburg als basis). Opvallend is wel dat in de kernoverwegingen van het arrest JPO/CBB de Hoge Raad nagenoeg letterlijk de eerdere rechtsoverwegingen uit met name het arrest De Ruijterij/MBO herhaalt, maar niet (meer) aansluit bij de kernoverweging uit het arrest Plas/Valburg. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het inderdaad de intentie van de Hoge Raad is geweest om af te wijken van de tot dan geldende norm voor wat betreft het aannemen van rechtens relevant vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen. Dit is door onder meer Drion betoogd.1 Voor dit standpunt zou ook steun gevonden kunnen worden in de door de Hoge Raad gebruikte bewoordingen; een nog restrictievere maatstaf dan een "strenge en tot terughoudendheid nopende" laat zich nauwelijks formuleren. Aan de andere kant moet bedacht worden dat het aanleggen van een "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" in overeenstemming is met de omstandigheid dat het aanvaarden van de mogelijkheid dat onderhandelingen op enig moment, in de precontractuele fase, niet meer eenzijdig kunnen worden afgebroken, een inbreuk betekent op het fundamentele beginsel van de contractsvrijheid zoals dat in hfdst. 2 van dit boek al aan de orde is gekomen en dat onder meer inhoudt de vrijheid om de onderhandelingen te kunnen afbreken, ook wanneer deze zich al in een vergevorderd stadium bevinden. Een inbreuk op een dergelijk fundamenteel rechtsbeginsel zal, zoals hiervoor reeds is betoogd, niet lichtvaardig mogen worden aangenomen.
Wat verder van deze bespiegelingen ook zij, met Drion ben ik (inmiddels) van mening dat ervan moet worden uitgegaan dat de Hoge Raad inderdaad de spreekwoordelijke lat hoger heeft willen leggen voor wat betreft het aannemen van rechtens relevant vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen. Grafisch weergegeven geeft dit het volgende beeld:
Laten wij nu deze grafische weergave combineren met de uitkomst van het praktijkonderzoek naar aanleiding van de vraag wanneer sprake zou dienen te zijn van rechtens relevant vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen. Zoals hiervoor al is uiteengezet, is 18 % van de ondervraagden van mening dat totstandkomingsvertrouwen nimmer rechtens relevant zou mogen zijn (onderhandelingen zouden altijd eenzijdig niet-schadeplichtig moeten kunnen worden afgebroken) en is 73% van mening dat — kort gezegd — slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor het honoreren van totstandkomingsvertrouwen. Samenvattend voedt dit de veronderstelling dat de praktijk gemiddeld genomen de spreekwoordelijke lat hoger lijkt te willen leggen dan in JPO/CBB2, met als gevolg dat de periode gedurende welke het een partij niet meer vrij staat om de onderhandelingen eenzijdig af te breken, wederom wordt bekort. Vereenvoudigd grafisch weergegeven geeft dit het volgende beeld: