Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.2.3
10.2.3 Inkomstenderving
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS442579:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover paragraaf 2.6.2.
Zie hierover paragraaf 2.2.
Art. 6:95 BW bepaalt immers dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed onder meer bestaat uit vermogensschade, terwijl art. 6:96 bepaalt dat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst omvat (zie hierover Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-II 2013, nrs. 24-27). Op het uitgangspunt dat elk financieel nadeel ongeacht de aard ervan ten grondslag gelegd kan worden aan een vordering tot schadevergoeding kan in bijzondere schaderegelingen een uitzondering gemaakt zijn. Zo komt op basis van de (thans nog geldende) planschaderegeling van art. 6.1 e.v. Wro enkel schade (financieel nadeel) voor vergoeding in aanmerking die bestaat uit inkomstenderving of waardevermindering van een onroerende zaak.
Zie bijvoorbeeld EHRM 13 maart 2012, Malik/VK, r.o. 93 (zaaknr. 23780/08) en EHRM 25 januari 2000 (ontvankelijkheidsbeslissing), Ian Edgar (Liverpool) Limited/VK (zaaknr. 37683/97). Bovendien kwalificeert ook een opgebouwde klantenkring dan wel goodwill als eigendom (zie paragraaf 2.6.2). Een bestaande klantenkring dan wel goodwill moet volgens het EHRM echter onderscheiden worden van toekomstige inkomsten in die zin dat de waarde daarvan niet berekend mag worden aan de hand van toekomstige inkomsten (zie EHRM 13 maart 2012, Malik/VK, r.o. 93 (zaaknr. 23780/08) en EHRM 25 januari 2000 (ontvankelijkheidsbeslissing), Ian Edgar (Liverpool) Limited/VK (zaaknr. 37683/97); zie hierover ook Van Kampen 2001, p. 991-992 en Vande Lanotte en Haeck 2004b, p. 328-329). Het lijkt mij evenwel onmogelijk om de waarde van een klantenkring dan wel goodwill anders te bepalen dan op basis van de inkomsten die daarmee in de toekomst gegenereerd kunnen worden (vergelijk ook de problemen die Britse rechters blijkens het genoemde arrest-Malik/VK (r.o. 44-46, 50, 53, 55-58) hadden/hebben met het onderscheid tussen een klantenkring dan wel goodwill enerzijds en toekomstige inkomsten anderzijds). Zie over deze kritiek nader mijn noot onder Rb. Den Haag 21 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6161 (Overheid en Aansprakelijkheid 2014/82).
Overigens spreekt het EHRM in dit verband van een ‘enforceable claim’ (zie bijvoorbeeld EHRM 13 maart 2012, Malik/VK, r.o. 93 (zaaknr. 23780/08) en EHRM 25 januari 2000 (ontvankelijkheidsbeslissing), Ian Edgar (Liverpool) Limited/VK (zaaknr. 37683/97)). Ik gebruik echter de term ‘vaststaand recht’, omdat afdwingbaarheid naar Nederlands burgerlijk recht onder meer afhankelijk is van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis of een verbintenis onder tijdsbepaling. Het is mogelijk dat het EHRM ook dergelijke verbintenissen als ‘enforceable claims’ zal aanmerken, ook al kunnen zij naar Nederlands recht niet meer of nog niet afgedwongen worden.
Zie EHRM 11 april 2002, Lallement/Frankrijk, r.o. 24 en 28 (zaaknr. 46044/99) en EHRM 12 juni 2003, Lallement/Frankrijk, r.o. 10 en 16-18 (zaaknr. 46044/99). Zie ook in meer algemene zin het arrest-Choromidis/Griekenland (EHRM 26 juli 2011, Choromidis/Griekenland, r.o. 62 (zaaknr. 54932/08)): ‘la Cour estime que, nonobstant la marge d’appréciation de l'Etat, lorsque le bien exproprié est l’“outil de travail” de l’“exproprié”, l’indemnité versée n’est pas “raisonnablement en rapport avec la valeur du bien” si, d’une manière ou d’une autre, elle ne couvre pas cette perte spécifique (…).’ In dit arrest overwoog het EHRM later in r.o. 68 echter weer het volgende: ‘La Cour est d’avis que l’Etat ne doit pas se trouver dans l’obligation d’indemniser un individu ou une société chaque fois que l’expropriation entraîne la cessation provisoire ou définitive de son activité, mais il ne lui semble pas par principe déraisonnable que les juridictions internes tiennent compte de cet élément dans l’évaluation globale des effets de l’expropriation.’ De benadering van het EHRM blijft dus casuïstisch, waardoor de uitkomst in een concrete zaak onvoorspelbaar is.
Zie EHRM 26 april 2011, Di Marco/Italië, r.o. 51-54 en 65 (zaaknr. 32521/05) en EHRM 10 januari 2012, Di Marco/Italië, r.o. 16 en 18 (zaaknr. 32521/05). Overigens gaat het EHRM in zowel de zaak-Lallement/Frankrijk als de zaak-Di Marco/Italië ervan uit, althans lijkt het ervan uit te gaan, dat de klagers niet in staat waren met de door de nationale autoriteiten geboden schadevergoeding een ander stuk grond te kopen ter voortzetting van hun activiteiten, omdat een geschikt stuk grond om hun (inkomstengenererende) activiteiten op voort te zetten (in hun regio) niet voorhanden was (zie EHRM 11 april 2002, Lallement/Frankrijk, r.o. 21 (zaaknr. 46044/99) en EHRM 26 april 2011, Di Marco/Italië, r.o. 65 (zaaknr. 32521/05)).
Overigens bestond in deze zaak tussen partijen onenigheid over het antwoord op de vraag of de klagers met betrekking tot het gebouw naar nationaal recht een eigendomsrecht hadden of, zoals Malta stelde, slechts een ‘right of perpetual emphyteusis’, hetgeen een gebruiksrecht is. Het EHRM vond het evenwel niet nodig hier een standpunt over in te nemen, omdat ook genoemd gebruiksrecht een ‘possession’ in de zin van art. 1 EP was (zie EHRM 26 september 2006, Fleri Soler en Camilleri/Malta, r.o. 56-57 (zaaknr. 35349/05)).
Zie EHRM 26 september 2006, Fleri Soler en Camilleri/Malta, r.o. 59, 72-74 en 78 (zaaknr. 35349/05) en EHRM 17 juli 2008, Fleri Soler en Camilleri/Malta, r.o. 15-19 (zaaknr. 35349/05).
Zie EHRM 25 januari 2000 (ontvankelijkheidsbeslissing), Ian Edgar (Liverpool) Limited/VK (zaaknr. 37683/97). Zie ook ECRM 21 oktober 1998 (ontvankelijkheidsbeslissing), Pinnacle Meat Processors Company en 8 anderen/VK (zaaknr. 33298/96).
Het EHRM overwoog immers het volgende (zie EHRM 11 april 2002, Lallement/Frankrijk, r.o. 21 (zaaknr. 46044/99)): ‘l’expropriation litigieuse a eu pour effet d’empêcher l’intéressé de poursuivre de manière rentable son activité sur la superficie restante, d’autre part, la cour d’appel n’a pas répondu au moyen du requérant selon lequel, dans la région, les terres à vendre sont introuvables et il ne peut ni changer le type d’exploitation agricole sur les terres lui restant autour de sa ferme, ni transférer son activité laitière sur les pâtures dont il dispose à 10 km de là’.
In paragraaf 2.6.3 is gebleken dat artikel 1ep onder meer de mogelijkheid beschermt om met eigendommen inkomsten te verwerven (winst uit eigendommen te halen). Het is echter van belang te beseffen dat van een aantasting van het door artikel 1ep beschermde eigendomsbelang slechts sprake kan zijn, indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste zal sprake moeten zijn van een eigendom (‘possession’) in de zin van artikel 1 ep.1 Ten tweede moet er een handelen of nalaten van de overheid zijn dat een of meer negatieve gevolgen voor die eigendom heeft.2 De voorwaarde dat er sprake moet zijn van een eigendom (‘possession’) werkt in vergelijking met schadevergoedingsaanspraken die op het Nederlandse recht gebaseerd zijn in sommige opzichten beperkend. De reden daarvan is dat op grond van het Nederlandse recht in beginsel elk financieel nadeel (ongeacht de aard ervan) ten grondslag gelegd kan worden aan een vordering tot schadevergoeding.3 Een recht op schadevergoeding kan (als tevens aan andere voorwaarden is voldaan) op grond van artikel 1 ep echter enkel bestaan, als het financiële nadeel het gevolg is van een aantasting van een bestaande ‘possession’ van een burger.
Het meest in het oog springende verschil met het nationale recht is dan ook dat toekomstige inkomstenderving op zichzelf niet op grond van artikel 1ep vergoed hoeft te worden, omdat toekomstig inkomen geen bestaande ‘possession’ is die de bescherming van artikel 1 ep geniet.4 Artikel 1 ep beschermt alleen bestaande eigendommen van een burger en geen eigendommen die hij mogelijk in de toekomst zal verwerven. Toekomstige inkomsten die nog niet betaald zijn, maar waarop naar nationaal recht al wel een vaststaand recht bestaat (vorderingsrechten tot betaling van een geldsom) kwalificeren wel als eigendom (‘possession’) in de zin van artikel 1 ep.5,6 Toekomstig inkomen waarop naar nationaal recht geen vaststaand recht bestaat is dus op zichzelf geen eigendom (‘possession’) en geniet daarom niet op zichzelf de bescherming van artikel 1 ep. Niettemin biedt de rechtspraak van het ehrm wel voorbeelden van zaken waarin de beperkte of geheel verloren gegane mogelijkheid om met een bestaande eigendom (‘possession’) inkomsten te verwerven geleid heeft tot het oordeel dat de aantasting van deze eigendom disproportioneel was.
Zo oordeelde het ehrm in het arrest-Lallement/Frankrijk dat de gedeeltelijke onteigening van de grond van de klager tot gevolg had gehad dat hij zijn overgebleven grond niet meer op rendabele wijze kon exploiteren. Aangezien de door de Franse autoriteiten geboden schadevergoeding wel de waarde van de grond compenseerde maar niet de inkomsten die hij door de gedeeltelijke onteigening misliep, was het ehrm van oordeel dat op de klager een disproportionele last was gelegd. Het ehrm kende de klager daarom een aanvullende vergoeding toe voor het (gedeeltelijke) verlies aan inkomsten gedurende een aantal jaren.7 Ook in het arrest-Di Marco/Italië oordeelde het ehrm dat de aantasting van het eigendomsbelang van de klager disproportioneel was, onder meer omdat bij het vaststellen van de schadevergoeding geen rekening was gehouden met het feit dat de klager door de beëindiging van de huur van de grond en de onteigening van de daarop aanwezige objecten met die grond en objecten niet langer inkomsten kon genereren.8 Nog een ander voorbeeld biedt het arrest-Fleri Soler en Camilleri/Malta. In deze zaak waren de klagers eigenaar van een gebouw dat zij op basis van een overheidsbesluit gedwongen moesten verhuren aan de overheid, die daar een ministerie in huisvestte.9 Voor deze gedwongen verhuur, die het ehrm overigens kwalificeerde als een regulering van eigendom, ontvingen de klagers slechts een zeer beperkte vergoeding. Het ehrm oordeelde onder meer dat een dergelijke zeer beperkte vergoeding geen recht deed aan de belangen van de eigenaars-verhuurders, waaronder hun recht om winst uit hun eigendom te halen. Dit vormde voor het ehrm een zwaarwegende reden, zo niet de reden, om de aantasting van het eigendomsbelang van de klagers disproportioneel te oordelen en om de klagers een schadevergoeding toe te kennen voor de te lage huurvergoeding die zij gedurende jaren van de overheid hadden ontvangen.10
Uit de voorgaande rechtspraak blijkt dat een derving van inkomsten die het gevolg is van een aantasting van een bestaande ‘possession’ (zoals een stuk grond of een gebouw) onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het niet vergoeden van die gederfde inkomsten de aantasting van die bestaande ‘possession’ (in de omstandigheden van het geval) disproportioneel maakt. Dit ondanks het feit dat op die toekomstige inkomsten naar nationaal recht geen vaststaand recht bestaat en zij dus zelf geen bestaande eigendom (‘possession’) zijn die onder de bescherming van artikel 1ep valt. Bij het antwoord op de vraag of het niet vergoeden van een inkomstenderving de aantasting van de betreffende bestaande eigendom disproportioneel maakt komt overigens (veel) gewicht toe aan de omstandigheid of met de bestaande eigendom nog op andere wijze (dus door een ander gebruik) dan voorheen inkomsten kunnen worden verworven. Zo overwoog het ehrm in de zaak-Ian Edgar (Liverpool) Limited/VK dat, hoewel het nieuw geïntroduceerde verbod op handvuurwapens voor de klaagster als wapenhandelaar een regulering van eigendom inhield, zij eigenaar bleef van al haar tastbare bezittingen (‘tangible assets’), waaronder het kantoor en het terrein van de groothandel, die zij voor nieuwe of gerelateerde handelsactiviteiten kon gebruiken.11 In de genoemde zaken-Lallement/Frankrijk, -Di Marco/Italië en -Fleri Soler en Camilleri/Malta konden de eigendommen van de klagers echter niet voor andere activiteiten gebruikt worden. In de zaak- Lallement werd de grond waarop de klager zijn inkomstengenererende activiteiten ontplooide immers gedeeltelijk ontnomen, terwijl hij op het overgebleven deel van de grond kennelijk niet op rendabele wijze activiteiten kon ontplooien.12 In de zaak-Di Marco werd de grond waarop de klager zijn activiteiten uitoefende geheel ontnomen, zodat hij daarmee ook geen andere inkomsten kon verwerven. In de zaak-Fleri Soler en Camilleri was het gebouw van de klagers op basis van een gedwongen verhuur in gebruik bij de overheid. Zij konden het gebouw dus niet zelf voor enige inkomstengenererende activiteit gebruiken.
Blijkens het voorgaande moet een inkomstenderving die het gevolg is van een omgevingsgerelateerde overheidsmaatregel (die beperkingen aan het gebruik van eigendom stelt) op grond van artikel 1ep onder omstandigheden vergoed worden teneinde een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en het eigendomsbelang te waarborgen.