De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/1.3.4
1.3.4 Afbakening
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284997:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Donner zegt over deze vorm van legitimiteit het volgende: ‘De socioloog bezigt het woord legitiem in het voetspoor van Weber als een neutrale term, op één lijn te stellen met qualificaties als ‘zoet’ of ‘geel’. Legitiem is voor hem wat door mensen wordt aanvaard. Hij vraagt zich niet af of het terecht of ten onrechte wordt aanvaard: dat past niet bij zijn benadering van de samenlevingsverschijnselen als onderzoeker. Hij moet immers objectief, ‘wert-neutral’ blijven. De beoefenaar van het staatsrecht heeft daar niet genoeg aan. Hij is een geëngageerde onderzoeker, die komt met een normatieve benadering en die de verschijnselen meet aan bepaalde maatstaven.’ Zie: Donner, Beleid en maatschappij 1975/1, p. 34. Zie bijv: Burkens, Kummeling, Vermeulen & Widdershoven 2006, p. 196.
In zekere zin zagen Buijs in 1883 en Van den Bergh in 1953 dat al in. Buijs schrijft: ‘Men behoeft de verzameling van de in de Europa geldende constitutiën slechts te doorlopen om de meest verschillende stelsels bijeen te vinden. […] De reden van de groote verscheidenheid van inzichten omtrent de beste oplossing van het hier bedoelde vraagstuk, zoeke men vóór alles in de zeer tegenstrijdige eischen, welke aan eene deugdelijke regeling gesteld worden. Zij moet namelijk aan de Grondwet eenerzijds haar karakter van vastheid en duurzaamheid waarborgen en anderzijds geen te grote belemmeringen aan inderdaad noodzakelijke verbeteringen in de weg leggen; met andere woorden, zij moet tegelijkertijd twee lijnrecht tegenover elkaar staande eischen bevredigen, lenig zijn en niet lenig’, zie: Buijs 1883, p. 789. Van den Bergh schreef: ‘Het probleem der grondwetsherziening is steeds een theoretische crux geweest. In alle landen is met dit vraagstuk geworsteld’, zie: Van den Bergh 1957, p. 35.
Zie art. 79 lid 3 GG. Let hier wel op art. 146 GG, waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de Duitse Grondwet haar gelding verliest door een beslissing van het Duitse volk. Art. 146 GG is nooit toegepast.
In het volgende overzicht geef ik enkele afbakeningen in dit onderzoek. Ten eerste, ik ga in principe alleen in op de Grondwet vanaf 1814. Eerdere grondwetten laat ik buiten beschouwing, aangezien deze grondwetten geen bijzondere wijzigingsprocedure bevatten. Ten tweede, dit onderzoek is nauwelijks rechtsvergelijkend van aard. Er bestaat een grote variëteit tussen de landen waar het gaat om de herzieningsprocedure. Hoewel ik meen dat er wel degelijk lessen kunnen worden getrokken uit de systemen van andere landen, meen ik de methode van rechtsvergelijking niet nodig te hebben om mijn centrale vraagstelling te kunnen beantwoorden. Bovendien vergt een dergelijke rechtsvergelijking diepgaande kennis en inzicht van het grondwettelijke systeem van het andere land. Bij deze keuze speelt mee dat een dergelijk onderzoek naar een ander land tijdrovend is. Ten derde, de Grondwet is sinds 1954 niet meer de hoogste norm binnen het Koninkrijk. Dat betekent dat de Grondwet en de herzieningsprocedure opereren binnen het kader van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Ik zal hier echter niet het accent op leggen, omdat de Grondwet en de herzieningsprocedure als zodanig voldoende stof tot nadenken geven en afzonderlijk kunnen worden onderzocht.
Ten vierde, deze dissertatie is eerst en vooral een juridisch en historisch onderzoek. Dat heeft consequenties voor de afbakening van mijn onderwerp. Tegenwoordig kennen velen het staatsrecht een legitimerende functie toe. Legitimatie (of legitimiteit) is een begrip dat veel voorkomt in de sociale en politieke wetenschappen. In deze disciplines doen wetenschappers onderzoek naar de feitelijke aanvaarding van overheidsregels en overheidsoptredens door onderdanen. Een dergelijk onderzoek zal ik niet verrichten. Ik zal niet onderzoeken welke varianten van de grondwetsherzieningsprocedure tot meer of minder aanvaarding door onderdanen van overheidsoptreden leiden. Daarvoor ontbreekt bij mij de deskundigheid.
Het begrip legitimatie kan ook een normatieve betekenis hebben. Bij een dergelijke betekenis gaat legitimiteit over de vraag of een bepaalde overheidsregel of overheidsoptreden geaccepteerd moet worden. Het gaat dan veeleer om de vraag of een overheidsregeling of overheidsoptreden conform een aantal normatieve uitgangspunten is.1 Deze uitgangspunten vormen dan een normatief kader. Het zoeken naar een normatief kader is bepaald geen sinecure bij het thema van deze dissertatie.2 Een blik naar het buitenland biedt alleen al een grote variëteit aan grondwetten met totaal verschillende uitgangspunten en herzieningsprocedures. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen Grondwet (met een bijzondere wijzigingsprocedure), terwijl Duitsland juist een zeer uitgebreide Grondwet heeft, waarin zelfs constitutionele bepalingen bestaan (artikelen 1 en 20 GG) die niet gewijzigd kunnen worden door de Duitse grondwetgever.3 Deze verschillen hangen samen met de verschillende normatieve achtergronden van deze grondwettelijke stelsels. De vraag welke normatieve uitgangspunten als kader behoren te dienen voor een Grondwet en haar wijzigingsprocedure is niet op eenduidige wijze te beantwoorden. Die vraag is te groot mede gelet op de doelstelling van dit onderzoek. De inrichting van ieder grondwettelijk stelsel en de bijbehorende herzieningsprocedure staat bovendien altijd in een specifieke juridische en vaak complexe historische achtergrond. Belangrijk is daarom om hier het onderwerp af te bakenen om niet te verzanden in een zee aan (normatieve) mogelijkheden. Hoe interessant een onderzoek naar de normatieve achtergronden van diverse grondwettelijke stelsels ook moge zijn, hier wordt deze niet verricht. Bovendien bestaat het risico dat een keuze voor een bepaald normatief stelsel, al te zeer een analyse zal opleveren op grond van persoonlijke voorkeuren.
Deze dissertatie neemt de functies van de Grondwet als kader. Deze functies benader ik vanuit een positiefrechtelijke invalshoek. Voor deze benadering valt het volgende te zeggen. Deze benadering stelt mij in staat om de Grondwet zoals deze nu is juridisch en historisch te karakteriseren. Enig begrip van de specifieke Nederlandse juridische en historische situatie is al ingewikkeld genoeg. Vervolgens kan ik bezien in hoeverre de huidige herzieningsprocedure en de herzieningspraktijk aansluiten bij de functies van de Grondwet. Uiteraard kent deze benadering haar beperkingen omdat zij niet in gaat op sociologische en rechtsfilosofische aspecten. Niettemin kan deze historische en positiefrechtelijke benadering, ondanks haar beperkingen, zinvolle inzichten opleveren aan de discussie rondom de grondwetsherzieningsprocedure.
Ontwikkelingen tot en met 24 juli 2021 zijn in dit manuscript verwerkt.