Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.2.2:2.2.2 Normatieve ordes en formele mechanismen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.2.2
2.2.2 Normatieve ordes en formele mechanismen
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288398:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het toerbeurtsysteem van het ‘pennetje’ lijkt – als een formeel, objectief, neutraal mechanisme voor de verdeling van taken tussen de dragers – op het eerste gezicht de eenvoudigste oplossing voor het dreigende probleem van chaos of willekeur bij de toedeling van werk.1 Maar dit toerbeurtsysteem is maar een van de mechanismen die kunnen worden ingezet voor een verdeling van levenskansen die kan pretenderen rechtvaardig te zijn. Om dat in te zien moeten we even de stap maken naar een abstracter niveau.
Boltanski & Thévenot hebben in On Justification (2006) een sociale theorie voorgesteld waarin normatieve aspecten van sociaal gedrag centraal staan. Zij baseren zich op het gegeven dat mensen zich normaliter zo gedragen dat zij desgewenst hun gedrag kunnen rechtvaardigen, onder verwijzing naar een meer algemeen beginsel.2 De noodzaak het praktisch eens te worden over wat in een bepaalde situatie ‘rechtvaardig’ is, vereist dat mensen competent zijn in het hanteren van zulke beginselen. Samenleven is dan afhankelijk van het tot stand brengen van overstijgende principes die overeenstemming tussen mensen mogelijk maken. Boltanski & Thévenot onderscheiden zes normatieve ordes die gebaseerd zijn op rivaliserende principes; daarvan zijn er hier vijf van belang:
huishouden (‘domestic’: wederkerigheid op basis van hiërarchie en vertrouwen);
burgerschap (gelijkheid, solidariteit, zelfbepaling van het juridisch kader);
reputatie (faam, status);
markt (ruil, behoeften en bevrediging);
nijverheid (‘industrial’: functionaliteit, productiviteit, efficiëntie).
De ‘markt’, bijvoorbeeld, wordt dan niet gezien als het soort natuurverschijnsel waar sommige economen hem voor aanzien, maar als een verworvenheid van het samenleven zelf, als een orde die collectief tot stand is gebracht. Zij staat op gespannen voet met andere normatieve ordes, zoals de burgerlijke of de industriële, die op andere principes (formele gelijkheid resp. efficiëntie) zijn gebaseerd. De verschillende ordes zijn dus niet bij voorbaat met elkaar verenigbaar. In de 19e eeuw is bijvoorbeeld lang gestreden over de vraag hoe het hiërarchische principe (orde a) van het gezag van de werkgever over de werknemer te verenigen is met de gelijkheid van beider burgerschap (orde b)? De arbeidsovereenkomst kan dan begrepen worden als een moeizaam compromis tussen twee rivaliserende normatieve ordes (a en b). Hier is vooral van belang dat die verschillende normatieve ordes en overstijgende principes een conceptueel hulpmiddel bieden om maatschappelijke kwesties, ook rond arbeidsverhoudingen, beter te kunnen benoemen.
De vroegmoderne stad is juridisch geconstitueerd als een gemeenschap waaraan formeel gelijke burgers zich committeren (orde b). Dat brengt mee dat men voor de verdeling van bevoegdheden en verplichtingen in de stad een beroep doet op een formele, in beginsel neutrale en objectieve ordening (recht). Die ordening maakt gebruik van technologie: voor de markt (d) zijn dat onder meer geijkte gewichten, betrouwbare munten, controlesystemen ten aanzien van de kwaliteit van producten, maar ook: cafés die faciliteren dat transacties in de openbaarheid worden beklonken, een marktjurisdictie die handhavend toeziet op alles wat afbreuk kan doen aan de transparantie van transacties, en andere technische voorzieningen die een compromis tussen de ordes van burgerschap (b), markt (d) en nijverheid (e) moeten bewerkstelligen.
Een kanttekening, tot slot, bij het begrip ‘recht’. Het zou onjuist zijn ‘recht’ te identificeren met overheidsrecht, of met ‘dat wat juridische instanties (rechtspraak) doen’. Het heeft een veel omvattender rol in ons alledaagse handelen. Juridische noties die vaak nauwelijks meer als normatief worden herkend (‘burger’, ‘eigenaar’, ‘bewoner’), bepalen mede ons handelen. Normatieve ordes reiken, in verschillende historische periodes, de categorieën aan waarmee aan arbeidsverhoudingen vorm wordt gegeven, zij bieden een repertoire van legitimeerbare handelingsopties.3 Juridische noties zijn als vertrouwde instrumenten in onze handen, zo vertrouwd dat we niet meer hoeven stil te staan bij hun normatieve karakter.4 Voor ons, bijvoorbeeld, is de opvatting dat een arbeidscontract berust op wilsovereenstemming vanzelfsprekend – maar historisch gezien is dat een betrekkelijk recente voorstelling van zaken.5 Zo beschouwd staat recht dus nietbuiten de dagelijkse praktijk, enkel als een maatstaf van beoordeling ervan, maar maakt het, toen zowel als nu, in het dagelijks leven deel uit van die praktijken. Recht heeft het potentieel verandering aan te brengen in de relatieve posities van deelnemers, ook waar die verhoudingen op het eerste gezicht niet door recht bepaald lijken te zijn.6 Vanuit die posities, binnen de parameters van een gegeven repertoire van handelingsopties zetten werkers hun persoonlijke strategieën uit, waarbij ze de gekozen opties legitimeren met een beroep op de normatieve orde.