Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/3.3.4
3.3.4 Aanbevelingen
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708404:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Renssen 2022, par. 6.2.
Vergelijk artikel 1.1.2 van het Voorontwerp Insolventiewet: ‘Een insolventieprocedure strekt tot tegeldemaking van het vermogen van de schuldenaar en verdeling van de opbrengst onder de gezamenlijke schuldeisers of tot sanering van de schulden van de schuldenaar. Heeft de schuldenaar een onderneming, dan wordt deze zoveel als mogelijk behouden’ (cursivering toegevoegd).
Zie bijvoorbeeld de aanbeveling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid om het faillissementsrecht zodanig aan te passen dat de curator het maatschappelijk belang van een patiëntveilige afbouw en/of voortzetting van zorgactiviteiten moet laten prevaleren boven de belangen van de schuldeisers, Faillissement MC Slotervaart en MC IJsselmeerziekenhuizen. Risico’s voor patiëntveiligheid, Den Haag: december 2019, p. 97. In de literatuur is hier kritisch op gereageerd. Zie bijvoorbeeld Bentfort van Valkenburg & Van de Wiel, TvI 2021/23, par. 6.4 en Crul, FIP 2021/130. Zie ook artikel 362 lid 3 Fw, op grond waarvan een akkoord niet gehomologeerd wordt als het akkoord niet voorziet in terugbetaling van staatssteun die ingevolge een besluit van de Europese Commissie moet worden teruggevorderd.
Vergelijk Verstijlen 1998, p. 153-155.
De wijze waarop conform de hier door mij voorgestelde gedachtegang rekening wordt gehouden met de belangen van degenen die betrokken zijn bij het faillissement en de door de failliet gedreven onderneming, sluit aan bij het ondernemingsrecht en past mijns inziens in het stelsel van de wet. Toch is een wettelijke verankering uit het oogpunt van rechtszekerheid naar mijn mening wenselijk. In artikel 68 Fw zou, naar artikel 2:129/239 lid 5 BW, opgenomen kunnen worden dat de curator zich bij de vervulling van zijn taak richt naar het belang van de gezamenlijke schuldeisers.1 Daaraan kan worden toegevoegd dat de curator rekening houdt met belangen van andere betrokkenen bij het faillissement, indien en voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het belang van de gezamenlijke schuldeisers.2 Indien gewenst kunnen specifieke betrokkenen zoals werknemers expliciet worden genoemd.
In de derde afdeling van titel I van de Faillissementswet kan, naar artikel 2:8 BW en de verbintenisrechtelijke redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:2 BW, het volgende artikel worden opgenomen:
‘1. De curator en degenen die bij het faillissement van de schuldenaar zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
Het tweede lid van dit voorgestelde artikel is ook van toepassing op de voorgestelde toevoeging aan artikel 68 Fw dat de curator zich bij de vervulling van zijn taak richt naar het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Onder omstandigheden is het dus mogelijk dat belangen van betrokkenen voorrang hebben op het belang van de gezamenlijke schuldeisers.
Het is uiteraard mogelijk om in faillissement in ruimere mate rekening te houden met de belangen van degenen die betrokken zijn bij het faillissement. In de wet kan bijvoorbeeld opgenomen worden dat de curator de belangen van specifieke betrokkenen zoals werknemers even zwaar moet meewegen als de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Het is zelfs mogelijk in de wet op te nemen dat andere belangen altijd of in de regel voorrang hebben op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.3 Ook kan de curator verplicht worden rekening te houden met belangen die niet direct betrokken zijn bij het faillissement. Hiervoor is echter een fundamentele herbezinning van het faillissement op wetgevingsniveau noodzakelijk.4 Een dergelijke bezinning dient mede in het kader van het eerste gezichtspunt uit hoofdstuk 2.3 niet alleen de (grondslagen van de) Faillissementswet te behelzen, maar ook hoe het faillissementsrecht zich verhoudt tot het privaatrecht in algemene zin en andere rechtsgebieden.