Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.E.4
III.E.4. Rekening en verantwoording
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS408226:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA, nr. 12, p. 55, Parl. Gesch. Inv., p. 2073.
Tweede NvW, nr. 9, p. 11, Parl. Gesch. Inv., p. 2104.
ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en Schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr. 547 enKLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, nr. 431.
Interessant is ook de in art. 1:377 BW neergelegde regel dat een vordering terzake van het voogdijbewind verjaart 5 jaar na de dag waarop de voogdij is geëindigd.
ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en Schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr.547, noot 322 vindt echter de betekenis van art. 1:374 lid 3 BW duister nu art. 771 e.v. Rechtsvordering een regeling inhoudt omtrent de dagvaarding van personen, die onbekend of afwezig zijn, tot het opnemen en goedkeuren van de rekening en verantwoording. Het verhelderende is mijns inziens net dat men in geval van weigerachtige erfgenamen toegang tot de rechter heeft.
ZieT.J. MELLEMA-KRANENBURG, Nieuw erfrecht in de praktijk. Een evaluatie, Preadvies KNB (2006), Executele en bewind, Den Haag: SDU Uitgevers 2006, p. 189.
L.L.M. PRINSEN, Rekenplicht en aansprakelijkheid, diss. Tilburg, Schoordijk Instituut, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1995, p. 68.
Dit verklaart mijns inziens ook dat de regel van art. 4:1063 (oud) BW over aansprakelijkheid over het gevoerde beheer niet meer is opgenomen.
Een 'slechts' gevolmachtigde is in beginsel niet verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. Zie onder meer Rechtbank Arnhem 1 november 2006, Notafax 2006, 298, waar gesproken wordt van vaste rechtspraak, en Hof Den Haag, 2 augustus 2006, Notafax 2006, 298. Het hoflegde het navolgende criterium aan. Er moet een rechtsverhouding bestaan of hebben bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen, waarbij geldt dat een rechtsverhouding die een dergelijke verantwoordingsplicht impliceert kan voortvloeien uit de wet of uit een contractuele relatie alsmede uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er werd overigens ook rekening gehouden met het feit dat erflater tijdens leven geen rekening en verantwoording gevraagd had voor bepaalde opnames. Dit lag anders met opnames na het overlijden, daarvoor moest wel aan de executeur rekening en verantwoording afgelegd worden. In HR 13 mei 2005, Notafax 2005, 129 bevestigt de Hoge Raad niet alleen dat in de concrete casus de volmachtverlening geen rechtsverhouding heeft geschapen op grond waarvan men zich over de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid moet verantwoorden, maar oordeelt ook dat zo'n rechtsverhouding ook niet nadien ontstaan is. Rechtbank Zwolle-Lelystad18 januari 2006, Notafax 2006, 118 laat zien dat er een nuance is tussen 'verantwoordingsplicht' aan de volmachtgever en de verplichting tot rekening en verantwoording. Indien er na het overlijden geen opnamen zijn gedaan is er zelfs geen verantwoordingsplicht aan de erfgenamen, laat staan een verplichting tot rekening en verantwoording.
ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2005, nr. 533 wijst er op dat naast de rekening en verantwoording betreffende de ontvangsten en uitgaven de verantwoording van zijn beleid staat en dat hem hierbij een ruime armslag moet worden gegeven en dat dit slechts marginaal kan worden getoetst.
MvA, nr. 6, p. 100, Parl. Gesch.Vast., p. 846.
Vgl. W. BREEMHAAR, De uiterste wilsbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992, p. 183. Art. 4:1065 oudBW bepaalde: 'Elke bepaling, waarbijde erflater bevolen heeft dat de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken eener boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording, zal zijn ontheven, is van rechtswege nietig.' Dit lijkt ook thans nog een algemeen vermogensrechtelijk beginsel.
Een executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëin-digd, is verplicht aan degene die na hem tot het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als voor bewindvoerders is bepaald (art. 4:151 BW). Dezelfde schakelbepaling vinden we terug bij de vereffening (art. 4:207 BW).
Gelet op het schakelmechanisme dient stil gestaan te worden bij de wijze waarop bewindvoerders rekening en verantwoording dienen af te leggen. Dit is geregeld in art. 4:161 BW. Deze regeling kent andere verantwoordingstijdstippen dan die voor de executeur gelden. De rekenplicht van de executeur ontstaat in beginsel pas bij het einde van het beheer. De relatie tussen art. 4:150 en 4:151 BW is dat zodra de beheersbevoegdheid van de executeur is ge-eindigd, hij verplicht is rekening en verantwoording afte leggen.1
In lid1 van art. 4:161 BW wordt wat de rekening en verantwoording betreft rekening gehouden met wie de bewindvoeder benoemd heeft. Dit geldt derhalve ook voor de executeur. Indien de kantonrechter de executeur benoemd heeft, legt deze rekening en verantwoording af ten overstaan van de kantonrechter. Uit de parlementaire geschiedenis2 leren wij dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat rekening en verantwoording afgelegd wordt aan de rechthebbende of belanghebbende in het bijzin van, dan wel met afschrift, aan de kantonrechter.
Indien de rechthebbende of een belanghebbende niet in staat is tot het opnemen van de rekening en verantwoording, of het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende is, wordt de rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd, tenzij de uiterste wil iets anders bepaalt. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording belet niet dat de rechthebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is, art. 4:161 lid 2 BW.
Lid4 van art. 4:161 BW bepaalt dat voor het overige het bepaalde aangaande de voogdijrekening in de paragrafen 10 en 11 van afd. 6 van titel 14 van Boek 1 overeenkomstige toepassing vindt. Niet geheel duidelijk3 is waar na het 'schakelen' de specialis-regel nog werking heeft in het licht van de op uitgeschakelde bepalingen 'voortbouwende regelingen'. Zijn die dan hiermee ook definitief uitgeschakeld? Mijns inziens is een belangrijke bepaling4 die overeindblijft en waar weer naar een ander wetboek geschakeldwordt, art. 1:374 lid3 BW:5
'Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.'
Hiermee heeft de executeur in ieder geval toegang tot de rechter indien een erfgenaam niet meewerkt. Acht men deze bepaling niet op grond van art. 4:151 juncto art. 4:161 BW rechtstreeks van toepassing, dan lijkt deze, mede gelet op het belang van de regeling, bij wijze van (buitenwettelijke) analo-gie6 van toepassing. Prinsen7 merkt op dat de regeling van de artikelen 771 e.v. Rv. een restfunctie vervult, omdat bij de huidige stand van zaken vooral uit overwegingen van doelmatigheid andere acties tot vergelijkbare resultaten kunnen en dienen te leiden. Dit past mijns inziens ook in de quasi-overeenkomstgedachte. Uit de aard8 van de overeenkomst van opdracht, zie art. 7:403 lid 2 BW, kan men reeds de verplichting tot rekening en verantwoording als een algemeen beginsel aannemen, mede gelet op het bepaalde in art. 6:2 lid1 BW.9
Uit de parlementaire geschiedenis kunnen we opmaken dat voor zover de erflater de executeur het beheer heeft gelaten, hiervoor de art. 4:145-147 BW gelden en dat van die bepalingen geen afwijkende beschikking10 is toegelaten, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld is (art. 4: 147 lid 2 en 3 BW).11 Erflater kan in het verlengde van deze systematiek de executeur dan ook niet via deze route een vrijstelling verlenen van de verplichting tot rekening en verantwoording. Ook dit past weer in de gedachte van de aanzuigende werking van het erfrechtelijk gesloten stelsel. Voorts blijkt ook uit de dwingende formulering van lid1 en lid3 van art. 4:161 BW dat erflater hem geen vrijstelling van deze verplichting kan verlenen.12