Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.6
10.4.7.6 De lengte van de driejaarstermijn
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491534:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 8. Afgezien van de mogelijkheid dat een (voor)overeenkomst is gesloten of een intentieverklaring is opgesteld, is het tijdstip van de obligatoire overeenkomt mijns inziens het moment van het splitsingsbesluit. Zie ook onderdeel 10.4.5.4 en de daar gemaakte verwijzingen. Vgl. ook Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.4, p. 41.
De oorsprong van die driejaarstermijn is het amendement Scholten/Peijnenburg. In de voormalige bedrijfsfusieregeling werd fiscale facilitering (afgezien van een ontheffingsmogelijkheid) teruggenomen wanneer aandelen in de overnemer binnen drie jaar na de bedrijfsfusie werden vervreemd. De indieners van het amendement wilden voorkomen dat aan een normale vervreemding van een onderneming het juridische jasje van een bedrijfsfusie zou worden gegeven om zodoende fiscale faciliteiten te kunnen toepassen. Zie Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 63, p. 2 en Van Horzen, NTFR 2011/199.
In dezelfde zin Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.2.6, p. 310.
In de literatuur wordt deze benadering overigens wel verdedigd. Zie Redactionele aantekening in V-N 2010/52.18 en Heithuis, WFR 2015/1348, onderdeel 4.
In deze zin ook Van Horzen, NTFR 2011/199.
Over de duur van de driejaarstermijn is in de wetsgeschiedenis van de sinds 2001 geldende antimisbruikbepaling niets opgemerkt. Over de driejaarstermijn uit het tussen 1998 en 2001 geldende bewijsvermoeden als onderdeel van de toenmalige zakelijkheidseis (zie hiervóór) is tijdens de parlementaire behandeling opgemerkt dat het gaat over een (aaneengesloten) periode van 36 maanden na het perfect worden van de civielrechtelijke overeenkomst die aan de splitsing ten grondslag ligt.1 De wetgever wenste aan te sluiten bij de driejaarstermijn die toentertijd werd gekoppeld aan een fiscaal begeleide bedrijfsfusie.2 Naar mijn mening moet deze parlementaire uitlating worden getransponeerd naar de huidige driejaarstermijn als onderdeel van het onzakelijkheidsvermoeden (wetshistorische interpretatie).3 Ik onderken dat hier wetssystematisch tegenin kan worden gebracht dat het begrip jaar in art. 7, lid 4, Wet VPB 1969 is gedefinieerd als boekjaar of, als de belastingplichtige niet regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen, kalenderjaar. Sluit men evenwel daarbij aan, dan is de lengte van de driejaarstermijn afhankelijk van het (toevallige) moment waarop de splitsing in het boekjaar van de betreffende belastingplichtige plaatsvindt. Als de splitsing vlak voor het verstrijken van een boekjaar tot stand komt, is de termijn de facto teruggebracht tot iets meer dan twee jaar.4 Geredeneerd vanuit de ratio van het onzakelijkheidsvermoeden zou het naar mijn mening onjuist zijn als het boekjaar van de belastingplichtige van invloed is op de duur van de termijn. Het aansluiten bij een aaneengesloten periode van 36 maanden past veel beter bij het antimisbruikkarakter van de driejaarstermijn.5 Men zoekt immers een verband tussen de splitsing en een opvolgende verkoop van aandelen; een samenstel van rechtshandelingen. Dat verband wordt verondersteld aanwezig te zijn bij een bepaalde termijn tussen die twee rechtshandelingen. Het is dan passend om in alle gevallen uit te gaan van dezelfde duur. Het ligt in elk geval niet voor de hand de lengte van termijn afhankelijk te maken van het moment in het boekjaar van de betreffende belastingplichtige waarop de splitsing haar beslag krijgt. Nog daargelaten de mogelijkheid dat de splitsingspartners ten opzichte van elkaar een afwijkend boekjaar hebben. Het aansluiten bij de boekjaren van de betrokkenen zou dan betekenen dat na een splitsing meerdere termijnen lopen met een verschillende duur.