Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.1:5.3.3.1 Inleiding
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.1
5.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS350337:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toetsing aan gelijkheid vindt plaats op basis van art.14 EVRM en art. 26 IVBPR. Allereerst moet worden vastgesteld of sprake is van gelijke gevallen (zie paragraaf 5.3.3.2). Indien gelijke gevallen niet gelijk worden behandeld moet sprake zijn van een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Daarvan is volgens het EHRM sprake als de overheid een legitiem doel voor de ongelijke behandeling heeft en er een redelijke proportionaliteit bestaat tussen het gekozen middel en het gewenste doel (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Dit wordt uitgewerkt in paragraaf 5.3.3.3. Voor ongelijke gevallen geldt dat zij niet onevenredig ongelijk mogen worden behandeld. Dit doet zich overigens alleen voor bij een overduidelijke onevenredigheid (o.a. HR 21 oktober 1992, nr. 28 548, BNB 1993/29). Zie paragraaf 5.3.3.4.
Vervolgens wordt in paragraaf 5.3.3.5 aandacht besteed aan de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting de toets aan het draagkrachtbeginsel kan doorstaan. Ook al zou een beroep op het gelijkheidsbeginsel op grond van de mensenrechtenverdragen worden afgewezen, dan nog is relevant de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit past in een heffing naar draagkracht (zie paragraaf 1.4).