Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.5.3.3
10.5.3.3 Nationale jurisprudentie
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258402:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tariefcommissie 25 november 1997, nrs. 88/95 tot en met 90/95, 118/95 tot en met 122/95, 131/95 tot en met 155/95 en 10/96 (niet gepubliceerd, gebaseerd op het commentaar in DUD 1997/1115. Zie ook Tariefcommissie 21 december 1994, nrs. 12986, 12988, 12989 en 13049 (niet gepubliceerd).
Tribunal Supremo 30 november 2009, nr. 3582/2003. Zie ook S. Ibáñez Marsilla, Towards customs valuation compliance through corporate income tax, World Customs Journal 5(1), p. 82-84.
Het estoppelbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel uit het (internationale) verbintenissenrecht. Het houdt in dit verband in dat de Spaanse belastingdienst niet (tot schade van de belastingplichtige) mag terugkomen op wat eerder werd verklaard door de Spaanse douaneautoriteiten.
Högsta domstolen 27 april 2010, zaak nr. 3329-09 en La Corte Suprema Di Cassazione 12 februari 2013, zaak nr. 07715-13.
Helsingin hallinto-oikeus 15 maart 2007, zaak 07/0285/1.
Finanzgericht München 15 september 2016, zaak 14 K 1974/15.
De Tariefcommissie, tot 1 januari 2002 de hoogste rechter in douanezaken in Nederland, heeft in 1997 uitspraak gedaan in een zaak die qua feitencomplex overeenkomsten vertoont met de zaak Procureur de la République tegen René Chatain.1 In de onderhavige zaak deed X BV als douane-expediteur aangiften ten invoer in opdracht van B. De ten invoer aangegeven goederen betroffen kleding die B van een aan haar verbonden partij, onderneming C, had gekocht. Onderneming C kocht de kleding op haar beurt van fabrikanten in het Verre Oosten. Onderneming B had tot aan de Hoge Raad geprocedeerd over de verrekenprijzen die zij hanteerde ten aanzien van de transacties tussen haar en onderneming C. Uit het arrest van de Hoge Raad zou volgen dat een gedeelte van de interne verrekenprijs geen betrekking had op de ingevoerde goederen, maar op dividenden en andere bedragen. De transactiewaarde van de ingevoerde goederen werd bepaald op de initiële interne verrekenprijzen tussen onderneming C en B. Nu een gedeelte van de interne verrekenprijs kennelijk geen betrekking had op de ingevoerde goederen, werd een verzoek om gedeeltelijke teruggaaf voor te veel betaalde invoerrechten ingediend, omdat de douanewaarde te hoog was vastgesteld. De douaneautoriteiten stemden niet in met het verzoek en de Tariefcommissie oordeelde, onder verwijzing naar het Procureur de la République tegen René Chatain-arrest, dat het teruggaafverzoek terecht was afgewezen.
Het Tribunal Supremo (Spaanse Hoge Raad) heeft in het zogenoemde Coca-Cola-arrest geoordeeld dat belastingautoriteiten niet mogen overgaan tot het corrigeren van een interne verrekenprijs indien deze gelijk is aan een door de douaneautoriteiten gecontroleerde douanewaarde die zakelijk is vastgesteld.2 Het rechtszekerheidsbeginsel en estoppelbeginsel3 verzetten zich daartegen aldus het Tribunal Supremo. In het Coca-Cola-arrest werden concentraten ingevoerd in Spanje door Refrescos y Envasados S.A.. De concentraten, benodigd om Coca-Cola te maken, werden aangekocht van verbonden partijen gevestigd in Frankrijk en Ierland waar de aldaar gevestigde entiteiten profiteerden van een winstbelastingvrijstelling (tax holiday). In 1990 werden de douanewaardes van de ingevoerde goederen betwist en corrigeerden de douaneautoriteiten de waardes naar boven waarbij de waardes werden gebaseerd op transactiewaardes die voor identieke of soortgelijke transacties gebruikt zouden worden. Jaren later betwisten de belastingautoriteiten de interne verrekenprijzen. De douanewaarde zou niet zakelijk zijn vastgesteld en Refrescos y Envasados S.A. zou de hoge verrekenprijs enkel gebruiken om de belastinggrondslag te verlagen. Refrescos y Envasados S.A. betrok daarop de stelling dat de belastingautoriteiten gehouden waren aan de beslissing van de douaneautoriteiten. Het Tribunal Supremo oordeelt dat nu aan zowel de vaststelling van interne verrekenprijzen als de douanewaarde een zakelijkheidstoets ten grondslag ligt en bij het aanleggen van deze toets dezelfde parameters gelden, de belastingautoriteiten niet voorbij kunnen gaan aan een eerdere beslissing van de douaneautoriteiten vanwege het rechtszekerheids- en estoppelbeginsel, ondanks dat in beginsel enkel de belastingautoriteiten de discretionaire bevoegdheid hebben om interne verrekenprijzen vast te stellen.
Daarnaast heeft een grote speler uit de auto-industrie in drie EU-lidstaten een teruggaafverzoek voor te veel betaalde invoerrechten ingediend volgend op een neerwaartse retroactieve verrekenprijsaanpassing. De douanewaarde van de ingevoerde auto’s was vastgesteld op basis van een verrekenprijs(analyse). Zowel de Zweedse als Italiaanse hoogste rechter oordeelde dat de belanghebbende geen recht op teruggaaf toekwam, omdat een wettelijke grondslag zou ontbreken.4 Het Helsingen Hallinto-Oikeus, het Finse Hof dat is belast met douanezaken, oordeelde echter dat de initieel aangegeven prijs bij invoer niet de werkelijk betaalde prijs van de ingevoerde auto’s betrof en dat voor de vaststelling van de douanewaarde ook de retroactieve neerwaartse verrekenprijs in aanmerking genomen moest worden en kende derhalve het teruggaafverzoek toe.5
Het Finanzgericht München was in het Hamamatsu-verwijzingsarrest geneigd te oordelen dat een neerwaartse retroactieve verrekenprijsaanpassing in aanmerking genomen moet worden, omdat de initieel aangegeven prijs bij invoer een fictieve prijs betreft die niet de economische waarde van de ingevoerde goederen reflecteert.6 Aangezien het Finanzgericht München niet geheel zeker was van zijn zaak, zijn prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft de zaak daarop in behandeling genomen zoals hierna wordt besproken.