De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.5.2
2.5.2 Ontstaan van de rechtsverhouding bij erfpacht
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS389661:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Algemeen wordt geoordeeld dat op deze overeenkomst de regels uit titel 7.1 BW over koop van overeenkomstige toepassing zijn, De Jong & Ploeger 2008, p. 13-14, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/218, Asser/Hijma 7-I* 2013/128 onder c en Vonck, in: GS Zakelijke rechten, titel 7 Boek 5 BW, aant. 54.1: ‘Titel van vestiging’ (online, bijgewerkt 30 januari 2018).
Zie bijvoorbeeld Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 60 en 384-386 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017, p. 34. De wetgever heeft de contractvrijheid in een aantal gevallen beperkt door aan te duiden ‘dat het partijen ook niet vrijstaat om bij obligatoire overeenkomst van de artikelen die de inhoud van het zakelijk recht bepalen, af te wijken, (…) met woorden als: ‘Een daarmee strijdig beding is nietig’,’ aldus PG Boek 5 BW, p. 4-5. Dergelijke zinsneden zijn opgenomen bij art. 5:87 lid 3 BW, art. 5:92 lid 3 BW, art. 5:98 lid 2 BW en art. 5:100 lid 2 BW.
Het Ontwerp 1816 kende in het deel over verbintenissen een regeling voor het benoemde contract van erfpachtgunning, zie Kemper, Bijleveld & Reuvens 1816, art. 2873-2895 waarover kort in par. 2.2.1.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/23: “Wanneer een recht op een goed krachtens wilsovereenstemming wordt gevestigd of overgaat, spreekt men van een goederenrechtelijke overeenkomst.” Hierover eerder Asser/Scholten 1913, p. 112 die de zakelijke overeenkomst een voorbeeld noemde van de verbintenissen die uit het zakenrecht konden voortvloeien. Het begrip zakenrechtelijke overeenkomst ging terug op het ‘dinglicher Vertrag’ uit het systeem van de Duitse rechtsgeleerde Von Savigny die dit behandelde in deel III van zijn System des heutigen römischen Rechts, p. 313, te vinden via de website van het Max-Planck-Institut für europäische Rechtsgeschichte,
Het ontstaan van een erfpachtrecht door verjaring komt zelden voor en is vrijwel altijd het gevolg van een gebrekkige vestiging. Meestal is er dan geen twijfel aan de inhoud van het erfpachtrecht. Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 444 en 484. Een voorbeeld van een zaak waarin een leveringsgebrek jaren later leidde tot de vraag of een rechtsgeldig erfpachtrecht was gevestigd bood Rb. Midden-Nederland 11 maart 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1658 (erfpachter/Staatsbosbeheer), wat tevens een zeldzaam geval was van verkrijging van een erfpachtrecht door bevrijdende verjaring. Het vonnis biedt een goed overzicht van alle verjaringskwesties die bij erfpachtrechten kunnen spelen, ook onder de Overgangswet NBW. Voor andere uitspraken over het ontstaan van erfpachtrechten door verjaring, zie: Rb. Rotterdam 3 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3944 (grondeigenaar/Rotterdam), Rb. Noord-Holland 11 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:12183 (Stichting Studio/Zaanstad), Hof Den Haag 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2319 (erfpachter/erfpachter naastgelegen perceel), Rb. Den Haag 27 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8611 (erfpachter/erfpachter aangrenzend perceel) en Rb. Amsterdam 3 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5027 (grondeigenaar/erfpachter aangrenzend perceel), waarin het beroep op verjaring in alle gevallen werd afgewezen. Zie over verjaring ook Hoops 2017, Jansen 2015b en Jansen 2017.
Meijers 1948, p. 121: “Erfopvolging en levering van goederen behoren ongetwijfeld tot die veranderingen, welke geen nieuwe rechten of rechtsbetrekkingen scheppen, maar de oude met een nieuw rechtssubjekt laten voortbestaan.”
De rechtsverhouding tussen erfpachter en grondeigenaar ontstaat in goederenrechtelijke zin met het ontstaan van het recht door vestiging of verjaring. Voorafgaand aan de vestiging van het recht sluiten partijen eerst een overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht en daarbij ontstaat tussen hen een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding.1 Partijen spreken met elkaar af dat de grondeigenaar-toekomstig erfverpachter ten behoeve van de beoogd gebruiker-toekomstig erfpachter een erfpachtrecht zal vestigen op een bij de overeenkomst bepaalde onroerende zaak en met de bij de overeenkomst bepaalde inhoud. Ten aanzien van deze overeenkomst geldt, voor zover het de inhoud van het erfpachtrecht betreft, contractvrijheid binnen het gesloten stelsel van beperkte rechten.2 De overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht is een gewone obligatoire overeenkomst die niet afzonderlijk in de wet is geregeld.3 Uit de overeenkomst tot vestiging volgen voor partijen de verbintenissen tot medewerking aan de vestigingshandeling. De overeenkomst tot vestiging fungeert als titel van de vestiging en wordt voor die functie ook wel aangeduid als de goederenrechtelijke overeenkomst.4
De inhoud van de overeenkomst wordt conform art. 3:98 jo. 3:89 BW vastgelegd in een tussen partijen opmaakte notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Bij de vestiging van het erfpachtrecht wijzigt de verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen twee contractspartijen in een goederenrechtelijke rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter en transformeren de obligatoire afspraken omtrent de omvang en inhoud van het gebruiksrecht tot de goederenrechtelijke inhoud van het erfpachtrecht. Die transformatie tot erfpachtvoorwaarden kan de gehele inhoud van de overeenkomst betreffen of een gedeelte daarvan. Afspraken uit de overeenkomst die niet in de vestigingsakte worden opgenomen blijven tussen de partijen bij vestiging gelden op grond van de overeenkomst, betreffen hen persoonlijk en niet in hun hoedanigheid van erfverpachter en erfpachter en gaan niet over op rechtsopvolgers. Een schematische samenvatting van de vier naar hun werking onderscheiden bevoegdheden en verplichtingen die in de overeenkomst van erfpachtgunning (de titel) kunnen zijn opgenomen en het gevolg van vestiging voor die bevoegdheid of verplichting:
de verplichting tot het vestigen van een erfpachtrecht: deze is met die vestiging uitgewerkt;
de bevoegdheid of verplichting die tot de inhoud van het recht behoort op grond van de wet: deze transformeert bij vestiging tot een bevoegdheid of verplichting uit het zakelijk recht van erfpacht;
de bevoegdheid of verplichting die tot de inhoud van het recht behoort omdat deze voldoet aan het voldoende verband-vereiste: deze transformeert bij vestiging tot een bevoegdheid of verplichting uit het zakelijk recht van erfpacht;
de overige bevoegdheden en verplichtingen uit de overeenkomst tot vestiging of uit een andere overeenkomst tussen partijen die niet voldoen aan het voldoende verband-vereiste: deze blijven berusten op de overeenkomst en gelden niet voor rechtsopvolgers, tenzij het gaat om een kwalitatieve verplichting of ingeval er een kettingbeding aan is verbonden.
Kader 1. Bevoegdheden en verplichtingen opgenomen in de titel en hun transformatie bij vestging.
De verschillen worden nog duidelijker indien het schema wordt aangevuld met de verschillende sancties in geval van tekortschieten. Ten aanzien van de eerste en de vierde verplichtingen gelden de regels van het verbintenissenrecht voor niet nakomen. Ten aanzien van de verplichtingen die deel uitmaken van het beperkt recht geldt het goederenrecht, tekortschieten in de nakoming van een verplichting betekent dan een inbreuk op het erfpachtrecht of de bloot eigendom.
Het resultaat van vestiging is dat de erfpachter een recht op een onroerende zaak verkrijgt dat bestaat naast het recht van bloot eigendom van de erfverpachter op diezelfde onroerende zaak, waarbij de omvang en inhoud van het recht van de erfpachter in de vestigingsakte is omschreven. De akte bevat tevens de bevoegdheden en verplichtingen van erfpachter en erfverpachter ten aanzien van de onroerende zaak en jegens elkaar en deze bepalingen zijn bedoeld om gedurende de looptijd van het erfpachtrecht de rechtsverhouding te regelen. Daarnaast kunnen tussen partijen obligatoire afspraken (blijven) gelden die niet in strijd mogen zijn met dwingend recht uit titel 5.7 BW.
Bij het ontstaan van een erfpachtrecht door verjaring ontbreekt de verbintenisrechtelijke fase en ontstaat de goederenrechtelijke rechtsverhouding van rechtswege.5 Bij overdracht van het beperkt recht of het eigendomsrecht blijft die goederenrechtelijke rechtsverhouding in stand en veranderen alleen de personen van de kwalitatief aangewezen rechtssubjecten.6 Kwalitatieve verbintenissen gaan over op rechtsopvolgers, terwijl zuiver obligatoire afspraken vervallen bij rechtsopvolging, tenzij voortzetting door middel van een kettingbeding was voorzien.