Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.3.2:3.3.2 Opvattingen in de literatuur
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.3.2
3.3.2 Opvattingen in de literatuur
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458832:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verschillende auteurs pleiten voor een objectief begrip van godsdienst. Zo hield Cliteur naar aanleiding van het parlementaire debat over het wetsvoorstel van Thieme van de Partij voor de Dieren (PvdD)1 een pleidooi voor het invoeren van juridische criteria die bepalen wat telt als godsdienst. Volgens Cliteur moeten we de vraag wat juridisch te beschermen godsdienst is niet overlaten aan ‘rabbi’s, priesters, imams of pandits’ maar aan juristen. Juristen moeten zich volgens Cliteur bezinnen op het verleden bij het bedenken van deze criteria. Als aanzet voor de ontwikkeling van deze criteria noemt Cliteur drie criteria die volgens hem door juristen in ieder geval in acht moeten worden genomen. Ten eerste mag religie niet lijden vergroten of geweld veroorzaken, ten tweede mag religie geen schade aan anderen toevoegen en ten derde mag religie de gelijkheid niet schenden.2
Ook Soeteman heeft zich uitgesproken voor een objectief begrip van godsdienst. Hij stelt:
‘Wanneer de overheid niet heeft uit te maken wat de gelovige als zijn godsdienst heeft te beschouwen, betekent dat allerminst dat de overheid evenmin heeft uit te maken of wat die gelovige als zijn godsdienst beschouwt ook door grondrechten beschermd wordt.’
De staat moet volgens Soeteman slechts dat beschermen ‘(...) wat hij zelf als godsdienst beschouwt’.3 Hoewel Soeteman zelf geen objectieve criteria noemt op grond waarvan kan worden bepaald wat telt als godsdienst(ig), stelt hij dat het beginsel van rechtszekerheid van de staat verlangt dat duidelijk is wat godsdienst in juridische zin is en wat niet.
Ten slotte kan Vermeulen genoemd worden als voorstander van een meer objectieve uitleg van het begrip godsdienst. Volgens Vermeulen dient het godsdienstbegrip te zijn gebaseerd op het historische verband van de godsdienstvrijheid, dat zijn ‘de traditionele cultus, riten en organisatievormen en de onaantastbaarheid van het innerlijk, het forum internum’.4 Daarbij erkent hij dat een dergelijke historisch-restrictieve interpretatie van godsdienst problemen kan opleveren voor de religieuze uitingen en gedragingen van minderheden of individuen. Het gevaar zou volgens Vermeulen zijn dat de godsdienst van deze rechtssubjecten buiten de traditionele opvattingen over godsdienst valt en dat de rechtssubjecten daardoor geen aanspraak kunnen maken op de vrijheid van godsdienst. Vermeulen is van mening dat dit probleem tot op bepaalde hoogte kan worden opgelost door in die gevallen het religieuze rechtssubject het voordeel van de twijfel te geven. Maar, zo stelt hij, er is een grens aan een dergelijke subjectiverende interpretatie. In de zienswijze van Vermeulen verbiedt het beginsel van rechtsgelijkheid dat de rechtsorde kan uitgaan van een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst wanneer dit ertoe leidt dat een minderheidsgroep of een individu hierdoor ten opzichte van andere rechtssubjecten buitenproportioneel wordt begunstigd. Vermeulen vindt dan ook dat het in de meerderheid van de zaken daarom nodig is dat de rechter uitgaat van een restrictieve, historische interpretatie. Bovendien stelt Vermeulen algemene voorwaarden aan het godsdienstbegrip. Er moet in alle gevallen sprake zijn van een coherente en omvattende wereldbeschouwing, een daarop geënte consistentie van handelen, een mate van communiceerbaarheid en een collectief karakter. Over deze laatste eis merkt Vermeulen op dat een louter particuliere overtuiging in juridische zin niet kan gelden als godsdienst.