Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.10
4.7.10 Afscheiding en vruchttrekking
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644915:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wichers (2002), p. 320.
Wichers (2002), p. 320, voetnoot 6.
Tweehuysen (2016), p. 207: “Het beperkte recht dat rustte op de oorspronkelijke zaak, wordt dan gesplitst en bestaat voort op de door splitsing ontstane nieuwe zaken, in die zin dat twee zaken ontstaan, met daarop twee afzonderlijke beperkte rechten. De grens ligt bij vruchttrekking, waarbij de vruchten wél onbezwaard worden verkregen.” De grens, waarover Tweehuysen spreekt, heeft betrekking op een discussie over een al dan niet verschil in rechtsgevolgen tussen “afscheiding” en “splitsing” Van afscheiding is sprake als na de verwijdering van een bestanddeel de hoofdzaak blijft bestaan (motor uit een auto). Van splitsing is sprake als de hoofdzaak na de verwijdering van een of meer onderdelen niet meer bestaat (vaas valt kapot in drie gelijke delen). Tweehuysen is, net als ik, van mening dat er tussen “afscheiding” en “splitsing” geen verschil in rechtsgevolgen bestaan. Voor beide gevallen luidt de hoofdregel dat beperkte rechten op de afgescheiden/gesplitste delen voortbestaan. De reikwijdte (grens) van deze regel gaat volgens Tweehuysen tot het afscheiden van natuurlijke vruchten. (zie over het onderscheid splitsing/afscheiding: Spath (2004), p. 91; Spath (2010), p. 173; en hierna §4.7.12).
Tweehuysen (2016), p. 207.
Aan de andere kant is aan te voeren dat van waardevermindering sprake kan zijn. Een koe die verschillende kalveren ter wereld heeft gebracht is wellicht daardoor minder waard geworden. Hetzelfde geldt voor landbouw grond dat na enkele oogsten uitgeput kan raken.
Zo ook onder het OBW, zie Hoofdstuk 3, §3.6.3.
T.M., art. 5.1.1, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 21. Zie over §953 BGB, Hoofdstuk 2, §2.3.1.
Opgemerkt zij tot slot dat het al dan niet van toepassing zijn van de hoofdregel van afscheiding op de afgescheiden vruchten voor de praktijk in beginsel weinig zal uitmaken. Een schuldenaar heeft aan de zekerheidsgerechtigde doorgaans via een bepaling alle toekomstige goederen verpand. Het lam is na de geboorte in ieder geval verpand: ofwel door die bepaling ofwel van rechtswege (op grond van de hoofdregel van afscheiding). De toepassing van de hoofdregel kan wel invloed hebben op de rangorde van de zekerheidsrechten.
M.O., art. 3.9.2.2., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 751-752: “Voor de geldigheid van het bij voorbaat gevestigde pandrecht is immers nodig dat de pandgever door verkrijging van het verpande goed naderhand alsnog bevoegd wordt daarover te beschikken.”
Schuijling (2016), p. 214; MvA II, art. 3.9.2.2. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 750-751.
Hoe verhoudt de hoofdregel van afscheiding zich met de afscheiding van natuurlijke vruchten? Rust op een lammetje een pandrecht als het moederschaap verpand is (hoofdregel) of is het eigendomsrecht op het lammetje onbezwaard?
Wichers is van mening dat afgescheiden natuurlijke vruchten onbezwaard verkregen worden, al is niet geheel duidelijk of dit in haar optiek van rechtswege geschiedt.1 Hoewel de hoofdregel van afscheiding luidt dat het beperkte recht op een zaak eveneens op het afgescheidene daarvan komt te rusten, “kan [cursivering, JCTF] de wet evenwel anders bepalen. Voor bijvoorbeeld vruchten (…) doet de wet dat regelmatig.” Het lijkt erop dat Wichers van mening is dat de hoofdregel op de afscheiding van vruchten van toepassing is, maar dat wettelijke uitzonderingen deze hoofdregel opzij kunnen zetten. Verkrijgt bijvoorbeeld iemand anders dan de eigenaar van de vruchtdragende zaak op basis van een genotsrecht de eigendom van de vruchten, dan is dat eigendomsrecht onbezwaard (art. 5:17 BW). Dit eigendomsrecht op de vruchten vloeit immers voort uit het genotsrecht en niet uit het eigendomsrecht van de oorspronkelijke zaak. In dat genotsrecht is een “recht van verwerving” op de vruchten verdisconteerd, waardoor hij de eigendom van de vruchten direct en onbezwaard door middel van de afscheiding verkrijgt. De vruchten komen zo met een “schone zakenrechtelijke lei” ter wereld.
In een voetnoot stelt Wichers dat de hoofdregel geldt als er geen wettelijke uitzondering is en het afgescheidene geen vruchten behelst.2 Hiermee lijkt zij te zeggen dat afscheiding van vruchten niet onder de hoofdregel vallen en dat de vruchten onbezwaard verkregen worden.
Onder verwijzing naar Wichers stelt Tweehuysen eveneens dat de afgescheiden natuurlijke vruchten onbezwaard worden verkregen.3 Als rechtvaardiging hiervoor draagt ze aan dat vruchtdragende goederen na de afscheiding van de vruchten ongewijzigd blijven voortbestaan en bovendien doorgaans opnieuw vruchten kunnen dragen. Een pandhouder ziet door de afscheiding van de vruchten zijn pandobject niet verslechteren of in waarde verminderen, aldus Tweehuysen.4 Het is inderdaad waar dat het afscheiden van vruchten niet per se een waardevermindering tot gevolg heeft en dat de afscheiding van een bestanddeel van een zaak dat doorgaans wel heeft. Het plukken van een appel maakt de boom niet minder waard, het verwijderen van de motor zorgt daarentegen wel voor een waardevermindering van de auto.5
Dit verschil is mijns inziens echter nog geen reden om bij afscheiding van een natuurlijke vrucht andere regels toe te passen dan bij afscheiding van een bestanddeel. De vrucht is immers ook een bestanddeel. Weliswaar is deze vrucht aan of in de zaak gegroeid, maar desalniettemin is zij bestanddeel. De hoofdregel van afscheiding geldt naar mijn mening onverkort voor vruchten.6 Niet voor niets verwijst Meijers in zijn toelichting op art. 5:1 lid 3 naar §953 BGB. Dat artikel bevat eenzelfde regeling voor afscheiding van vruchten als voor afscheiding van (andere) bestanddelen.7 Op de afgescheiden natuurlijke vruchten rusten in beginsel dezelfde beperkte rechten als die op de hoofdzaak rusten. Een lam dat geboren is uit een verpand schaap is eveneens bezwaard met een pandrecht.8
Op een groot aantal gevallen zal echter de hoofdregel van afscheiding op vruchttrekking niet van toepassing zijn, omdat dit niet in het wettelijke systeem past. De te velde staande vruchten bijvoorbeeld zijn na afscheiding niet van rechtswege bezwaard met het zekerheidsrecht dat op de grond rust. Deze vruchten zijn, zolang zij nog niet geoogst zijn, bestanddelen van de grond. De grond is een onroerende zaak. Rust daarop een hypotheekrecht, dan vallen de hangende vruchten hier ook onder. Als een vrucht wordt afgescheiden, dan wordt zij een roerende zaak. Op een roerende zaak kan geen hypotheekrecht rusten. Wil de hypotheekhouder dat de afgescheiden vruchten strekken tot onderpand, dan dienen de te velde staande vruchten bij voorbaat verpand te worden.9 Een bijkomend effect hiervan is, dat de pandhouder aan wie de vruchten bij voorbaat zijn verpand een recht tot “inoogsting” van de te velde staande oogst (toekomstige oogst) toekomt (3:237 lid 4 BW). Door die (toekomstige) verpanding mag hij de vruchten zelf afscheiden als er vrees bestaat dat de pandgever niet gaat oogsten. Dit recht van “inoogsting” is aan de kredietverlener gegeven bij wijze van uitzondering. De gedachte achter deze uitzonderingspositie is dat zij strekt tot bevordering van landbouwkrediet.10
De hoofdregel van afscheiding geldt voor vruchttrekking onverkort, mits geen wettelijke uitzonderingen bestaan en de toepassing van haar past in het wettelijke systeem. Op de afgescheiden vruchten rusten dan dezelfde (type) beperkte rechten als die op de vruchtdragende zaak rusten.