Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3.5
3.3.3.5 Slotsom
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499061:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 4.3.1.1, waarin ik gevallen van betaling behandel.
Vgl. HvJ 5 februari 1981, nr. C-154/80, BNB 1981/232 (Coöperatieve Aardappelbewaarplaats) en HvJ 8 maart 1988, nr. C-102/86, Jur. 1988, p. 1464 (Apple and Pear). Zie ook A-G Van Hilten bij HR 15 januari 2010, BNB 2010/82, pt. 5.8. Vgl. HR 4 december 1991, BNB 1992/37 en HR 17 februari 1993, BNB 1993/125.
In gelijke zin: het in paragraaf 4.3.1.1.4 onder het Nederlandse recht te bespreken arrest HR 30 maart 2007, BNB 2007/186.
In deze paragraaf heb ik stilgestaan bij de derde categorie van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn: de ‘prijsvermindering nadat de handeling is verricht’.
Bij de invulling van deze categorie is een hoofdrol weggelegd voor het neutraliteitsbeginsel, dat impliceert dat enkel de eindverbruiker wordt belast en dat ondernemers geen hinder mogen ondervinden van de btw. Ten eerste betekent dit dat de over de gehele linie aan de Belastingdienst af te dragen btw niet hoger kan zijn dan de btw die correspondeert met de door de eindverbruiker betaalde tegenprestatie. Ten tweede kan het ook niet zijn dat een belastingplichtige over een hogere grondslag btw moet afdragen dan het bedrag dat hij uiteindelijk zelf ontvangt. Hier staat tegenover dat in geval van een prijsvermindering deze daadwerkelijk moet plaatsvinden. Immers: als vermindering van de maatstaf van heffing al aan de orde zou zijn bij de enkele aanspraak op de korting, dan zou de btw-heffing uit de pas gaan lopen met de daadwerkelijk door de ondernemer ontvangen vergoeding. Bovendien zou dit ook niet passen binnen de gedachte dat art. 90 lid 1 Btw-richtlijn enkel ziet op gevallen waarin de vergoeding (uiteindelijk) niet wordt ontvangen. Strijdigheid met het neutraliteitsbeginsel (als onderdeel van het rechtskarakter) was echter onoverkoombaar in het Grattan-arrest. Hierin bevestigt het HvJ zijn eerdere rechtspraak dat het neutraliteitsbeginsel enkel kan dienen als uitleggingsbeginsel. Onder verwijzing naar dit beginsel komt het HvJ in het Elida Gibbs-arrest en het Boehringer-arrest tot de conclusie dat een fabrikant bij het berekenen van de maatstaf van heffing rekening moet houden met een rechtstreeks (al dan niet via de groothandelaar of detaillist) aan de eindverbruiker – een partij met wie hij geen enkele juridische band heeft (anders dan de aanspraak op korting) – verleende korting. Ik heb aangegeven dat beide uitkomsten als kwestieus kunnen worden ervaren, maar wel recht doen aan het neutraliteitsbeginsel. Tot slot heb ik betoogd dat de Elida Gibbs-doctrine ook van toepassing zou moeten zijn op kortingen die worden verleend c.q. ontvangen in andere schakels in de bedrijfskolom, en in zoverre tevens de spiegelbeeldsituatie van art. 185 Btw-richtlijn zou moeten omvatten om recht te doen aan het neutraliteitsbeginsel.
In de hiervoor besproken rechtspraak bevestigt het HvJ dat art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn) enkel betrekking heeft op prijsverminderingen nadat de handeling is verricht, ofwel: prijsverminderingen achteraf. Een prijsvermindering vóór of op het moment waarop het belastbaar feit plaatsvindt (prijsverminderingen vooraf) valt onder het toepassingsbereik van art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 79 onderdeel b Btw-richtlijn). Uit deze bepaling volgt bovendien dat prijsverminderingen kunnen worden onderverdeeld in prijskortingen en –rabatten. Daar waar kortingen terstond mogen worden verrekenend bij het bepalen van de tegenprestatie, hebben rabatten betrekkingen op terugbetalingen van een deel van de (initiële) tegenprestatie. Hoewel prijskortingen en –rabatten niet expliciet in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn worden genoemd vallen zij mijns inziens beide onder het toepassingsbereik van deze bepaling.
Op grond van het vorenstaande kom ik wat betreft de prijsvermindering tot de conclusie dat de maatstaf van heffing naar beneden moet worden bijgesteld als de prijsvermindering:
plaatsvindt nadat de handeling heeft plaatsgehad (en het dus een prijsvermindering ‘achteraf’ betreft); en
daadwerkelijk door de leverancier aan de begunstigde van de korting wordt ‘uitbetaald’ en de begunstigde deze daadwerkelijk ontvangt (de enkele aanspraak op de korting is dus niet voldoende; verrekening van vorderingen en schulden zou mijns inziens weer wel leiden tot (uit)betaling1).
Hierbij ligt het voor de hand om aan te nemen dat een prijsvermindering ook dient te strekken tot vermindering van de initiële vergoeding voor de prestatie (rechtstreeks verband). Reden hiervoor is dat de maatstaf van heffing (waarop de prijsvermindering betrekking heeft) ook reeds een rechtstreeks verband veronderstelt tussen de verrichte prestatie en door de afnemer te verrichten tegenprestatie.2 Het uitreiken van een creditfactuur vormt mijns inziens geen harde voorwaarde voor toepassing van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, al doet een creditfactuur wel sterk vermoeden dat een prijsvermindering is beoogd.3