Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.5.3
3.5.3 De balans
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS493665:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Erp 1993, p. 81-83.
In par. 2.4.3 werd overigens aangetoond dat art. 3 lid 1 richtlijn om praktische redenen geen integrale weging van alle rechten en plichten van de partijen bij de overeenkomst op het oog heeft.
Deze vaststelling van het nadeel toont gelijkenis met de causa-leer, de objectieve op de inhoud van de overeenkomst gebaseerde variant van de wilsvertrouwensleer, waarin de wederkerige prestaties centraal staan (art. 1356 OBW). De prestatie van de een vindt haar oorzaak in die van de ander (vgl. par. 4.5.3). Wessels en Jongeneel 1997, nr. 449: de inbreuk op het causa-beginsel ligt ten grondslag aan art. 6:236 onder b, c, d en h en art. 6:237 onder b, c, e, f, g en i.
MvA I Inv. en MO I Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1564 en 1569. Er is over 'het doorbreken van het dwingende karakter' van de lijst op dit punt wel overleg geweest: doorslaggevend was echter het vermijden van 'lastige bewijskwesties'. Het voordeel van de zwarte lijst is dat de consument 'weet welk minimum aan rechten hem wordt gegarandeerd, ook wanneer hij tegen sterk verlaagde prijzen koopt'. Zie ook MvT Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1650 en 1700.
Dit wordt elders in de parlementaire geschiedenis bevestigd: MO I Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1569: 'Gaat het daarentegen om toetsing van voorwaarden aan art. 2a(thans art. 6:233 onder a) en 4 (thans art. 6:237), dan kan de hoogte van de prijs een rol spelen bij het oordeel over het al dan niet onredelijk bezwarend zijn van de voorwaarden.'
De onredelijk bezwarendheid van het beding is in bepaalde gevallen bijv. afhankelijk gemaakt van het bestaan van een ontbindingsbevoegdheid (art. 6:236 onder i).
Van Wechem 2007, nr. 161. Zie ook Mëlenberg 1995, p. 204-205.
Dat een compensatie het beding zijn onredelijk bezwarend karakter kan ontnemen, betekent a contrario dat de afwezigheid van een compensatie op de onredelijk bezwarendheid van het beding wijst.
Hof Leeuwarden 21 maart 2007, LJN BA1381.
Rb. Dordrecht 23 september 2009, LJN BJ9290, r.o. 4.4.
Rb. Arnhem 23 november 2005, LJN AV1969: 'De consument heeft niet de mogelijkheid zich tot de burgerlijke rechter te wenden, dit terwijl de verkoper ingevolge art. 9.4 van de algemene voorwaarden wel een dergelijk recht toekomt.' Zie ook Rb. 's-Hertogenbosch 9 februari 2001, NJ kort 2001/19, r.o. 4.3.2, waarin voor het beding een tegenprestatie ontbrak.
Ktr. Zaandam 26 juli 2007, LJN BB0005: een beding inhoudende eenmalige kosten wegens een voortijdige beëindiging van de overeenkomst is meerdere malen als onredelijk bezwarend 'terzijde (...) geschoven voor zover deze ertoe mocht(en) leiden dat geen aftrek plaatsvindt vanwege door de vroegtijdige beëindiging niet genoten bedtegoed'; Ktr. Heerlen 8 oktober 2008, LJN BG4338: 'Tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst, staan vanaf datum ontbinding (...) immers geen diensten meer van KPN. De kantonrechter merkt daarbij op dat KPN ter zitting heeft bevestigd dat het om een sim-only-contract ging. Een gratis mobiele telefoon is derhalve niet verstrekt.' In gelijke zin: Ktr. Maastricht 19 augustus 2009, LJN BJ8252.
Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 6 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen).
Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 13 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen).
Hieruit blijkt overigens dat een tegenprestatie een nauwere relatie heeft tot het beding dan een compensatie.
Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 16 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen).
MvT Inv., Part. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1580 en MO I Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1569. Volgens Breedveld-De Voogd heeft de HR, door kernbedingen strikt te definiëren, de iustum pretiumregel bij de inhoudstoetsing geïntroduceerd en moet de rechter zich gaan uitspreken over de gelijkwaardigheid van de wederzijdse prestaties (goed en prijs): Breedveld-De Voogd 2003, p. 76.
Jongeneel 2010b, p. 138, met o.m. verwijzing naar Loos 2001, nr. 120.
Kan er bijv. op objectieve wijze een bepaalde waarde, in geld uitgedrukt, aan een beding dat de gebruiker eenzijdig het recht verleent de openingstijden van een sportschool te wijzigen, worden toegekend?
Wellicht worden de prijzen al voldoende gedrukt door de scherpe concurrentie zonder dat een voor de consument nadelig exoneratiebeding nodig is.
Breedveld-De Voogd 2003, p. 73-76 wijst op het verband tussen het nadeel en het prijsvoordeel als compenserend recht: 'de dochter profiteert van het feit dat de door haar vader betaalde koopprijs waarschijnlijk is gedrukt door het voorkeursrecht'
Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen), r.o. 9.3.
Vgl. Rb. Utrecht 27 januari 2010, LJN BL0870, r.o. 4.10; Rb. Maastricht 12 november 2003, LJN AN8413.
Loos 2007a, p. 744.
Jongeneel 2010b, p. 140. Bij koop op afstand (`aard van de overeenkomst') heeft de consument bijv. belang bij duidelijke en tijdige informatie; bij een tweezijdige totstandkoming van de voorwaarden gaat het o.m. om de vraag of de Consumentenbond de belangen van de consument naar behoren heeft vertegenwoordigd, overige omstandigheden van het geval als de verzekerbaarheid van het risico bepalen het belang van gebruiker bij een exoneratiebeding.
Dit geldt in elk geval voor de lijstbedingen. Hof 's-Gravenhage 25 augustus 1998, NJ 1999/298, r.o. 5.5 (m.b.t. een koppelverkoopbeding in de zin van art. 6:237 onder j), waarover Loos 2001, nr. 182 e.v.
Vgl. Loos 2001, nr. 186.
Is 'de met het beding getroffen regeling (...) noodzakelijk, geschikt en proportioneel'? Loos 2001, nr. 165. Vgl. art. 6:237 onder f en j.
Hof Leeuwarden 21 maart 2007, LJN BA1381, r.o. 13.
Zie Loos 2001, nr. 131; Jongeneel 2010b, p. 140-141.
Zo wordt de overeenstemming met aanvullend recht (par. 3.5.2) vertaald naar een belang.
Vgl. de zaken m.b.t. een verbod op (schotel)antennes in de huurvoorwaarden: HR 3 november 1989, NJ 1991/ 168; recenter: Ktr. Dordrecht 24 maart 2005, LJN AT3052; Hof 's-Gravenhage 1 augustus 2005, LJN BB2283 en Hof 's-Gravenhage 22 augustus 2007, LJN BB2640. Dit belang werd niet geschonden omdat de consument naar oordeel van de rechter over een voldoende alternatief beschikt waarmee hij zijn recht op nieuwsgaring (eng geïnterpreteerd) alsnog kan uitoefenen.
Ktr. Hoorn 10 april 2006, LJN AZ1613.
Vgl. Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, to. 11-16 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen).
Rb. Alkmaar 25 juli 2002, NJ 2003/421 (het indienen van een declaratie was terecht aan een vervaltermijn onderhevig).
Hof Arnhem 10 november 1998, NJ 2002/264; Ktr. Alkmaar 5 november 2008, LJN BG5040, r.o. 20.
Loos 2001, nr. 132.
114. De vraag is of de Nederlandse rechter een toetsingswijze hanteert waarin het ontbreken van een contractueel evenwicht de onredelijk bezwarendheid bepaalt en zo ja, in hoeverre dit evenwicht, of het ontbreken daarvan, naar de belangen van partijen wordt vertaald. Deze paragraaf gaat in op de mate waarin de 'overige inhoud van de overeenkomst' en/of de 'afweging van belangen' van belang is/zijn bij de vaststelling van de onredelijk bezwarendheid. Volgens Van Erp behelst
art. 3 lid 1 richtlijn een zeer ruime toets en is de norm uit art. 6:233 onder a niet —
open genoeg.1 De formulering van de Europese norm komt volgens hem neer
op de introductie van een zeer vergaande beoordeling van het geheel van de overeenkomst. Naar ik meen biedt de onredelijk bezwarendheidstoets uit onder a gelet op zijn ruime gezichtspunten wel degelijk de mogelijkheid om verschillende rechten, plichten en belangen tegen elkaar af te wegen.2
115. Dat het onevenwichtige karakter van een beding naar Nederlands recht van betekenis is, blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Hieruit volgt dat de vaststelling van de verstoring van het contractuele evenwicht de aanpak is geweest, op grond waarvan de zwarte lijst is vastgesteld.3 Met name het gebrek aan wederkerigheid komt duidelijk terug in de formulering van vele lijstbedingen.4Bij het opmaken van de contractuele balans is ook de mogelijkheid van een compensatie van belang. In de parlementaire geschiedenis wordt zij genoemd in relatie tot de open norm en de grijze lijst, daar de zwarte lijst hiervoor geen ruimte biedt.5
Hierin is immers vastgelegd dat `(...) onder omstandigheden de hoogte van de prijs of een voor de wederpartij uitgesproken en ongewoon gunstig beding met name indien dit verband houdt met het bekritiseerde beding, het onredelijk bezwarend karakter van dit laatste (zal) kunnen wegnemen' .6
De wetgever accepteert het idee dat de prijs, zonder dat hierover is onderhandeld, de onredelijk bezwarendheid wegneemt.7 Wanneer van een ander compenserend voordeel sprake is, moet het om een onmiskenbaar en buitengewoon gunstig beding gaan. Een gelijkwaardig of wederkerig recht lijkt dan niet voldoende. Het bestaan van een verband met het schadelijke beding vormt geen harde eis voor het aannemen van een compensatie, een verband zal het bijzonder gunstige beding wel sneller als compensatie door laten gaan. Dit verband aantonen zal echter niet altijd eenvoudig zijn. Tot slot is er met name in de grijze lijst aandacht voor compenserende bepalingen, die het effect van het nadelige beding tenietdoen of afzwakken.8
Ook in de literatuur wordt gewezen op de mogelijkheid dat een compensatie het contractuele evenwicht kan herstellen en een beding zijn onredelijk bezwarend karakter kan ontnemen. Volgens Van Wechem kan een verrassend beding dat wordt getoetst aan de open norm aan de vernietigingssanctie ontsnappen omdat `de overige inhoud van een overeenkomst voor de wederpartij gunstig is' .9
116. In de Nederlandse rechtspraak is er, naar verhouding van de aandacht hiervoor in de parlementaire geschiedenis en literatuur, echter weinig belangstelling voor het bij het bepalen van het contractuele evenwicht wezenlijke gezichtspunt 'de overige inhoud van de overeenkomst'. De wederkerigheid en aan- of afwezigheid van een compensatie komen bij de toetsing aan de open norm zelden aan de orde.10 Dat de tekst van art. 6:233 onder a, anders dan die van art. 3 lid 1 richtlijn, niet naar het geheel van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten verwijst, heeft naar ik meen gevolgen voor de relatief geringe betekenis van de vergelijking van de rechten en plichten van beide partijen naar Nederlands recht.
Er zijn echter wel een paar voorbeelden te vinden van uitspraken waarin het bestaan van een compenserende voorwaarde in ogenschouw wordt genomen11 en soms zelfs doorslaggevend is.12 Dergelijke compensaties worden echter meestal niet eens achterhaald. Andersom geldt dat ook de afwezigheid van enige compensatie, reciprociteit of tegenprestatie soms aandacht krijgt13 en af en toe doorslaggevend is.14 In het kader van de ambtshalve toetsing van boetebedingen in mobieletelefonieovereenkomsten komt de zoektocht naar een tegenprestatie (onder invloed van onder e en o Europese lijst) wel steeds vaker voor.
117. Een voorbeeld van een uitspraak waarin het contractuele evenwicht een rol speelt is de uitspraak van Hof Leeuwarden inzake Weevers Stous/Stichting Parkwoningen. In deze uitspraak15 met betrekking tot een antispeculatiebeding in een koopovereenkomst betreffende een verzorgingsflat, i.e. een beding inhoudende een aanbiedingsplicht van de eigenaar aan de stichting alsmede een prijsbepaling, bestaat het nadeel voor de consument uit de beperking van het recht op wedervervreemding. Bij de toetsing aan het gezichtspunt 'de overige inhoud van de overeenkomst' wordt de balans opgemaakt:
`Het hier aan de orde zijnde gezichtspunt vraagt met name aandacht voor de mogelijkheid dat het beding dat potentieel nadelig is voor de verkoper, 'in evenwicht wordt gehouden' door andere bepalingen uit de overeenkomst die juist voordelig zijn voor de verkoper, zodat daarmee sprake is van een zekere balans in de overeenkomst.'16
Ten eerste is de betaalde koopprijs als 'compensatie' aangevoerd. Ten tweede is door de stichting de bij de koopovereenkomst behorende zorgovereenkomst naar voren geschoven. Deze zorgovereenkomst vormt volgens haar geen tegenprestatie voor het beding maar wel een compenserend voordeel voor de koper.17 Koopprijs noch zorgovereenkomst vormde volgens Hof Leeuwarden een (voldoende) compensatie. Het beding werd zelfs (mede) vanwege het ontbreken van een compensatie als onredelijk bezwarend aangemerkt.
`Enig beding dat voor de koper een specifiek voordeel biedt, dat als compensatie voor het nadelige beding zou kunnen gelden, heeft het hof in de overeenkomst niet aangetroffen.'18
118. Ik wil kort stilstaan bij het feit dat de koopprijs door gedaagde vergeefs als compensatie werd aangevoerd. De prijs an sich mag worden meegewogen bij de toetsing aan art. 6:233 onder a.19 In de literatuur wordt evenwel gesteld dat een lagere prijs, als zij in acht wordt genomen, geen doorslaggevende omstandigheid mag vormen.20 De stelling dat het onredelijke karakter van het onereuze beding in verhouding staat tot de lagere prijs is namelijk moeilijk controleerbaar. Rechtseconomische methoden bieden, los van hun tijdrovende karakter, nauwelijks uitkomst.21 Als zij uitkomst bieden (bij risicoverdelingsbedingen bijvoorbeeld), is het de vraag in hoeverre zij betrouwbare resultaten opleveren.22 Daarom zou een prijscompensatie niet snel mogen worden aangenomen, behalve in een zaak waarin de marktwaarde oorspronkelijk is vastgesteld of een zaak waarin de consument de bewuste keuze heeft om in ruil voor een nadelig beding een lagere prijs te aanvaarden én over een alternatief beschikt. Er is in de rechtspraak ook sprake van een zekere terughoudendheid ten aanzien van het aannemen van het prijsargument. Dit blijkt uit bovengenoemde uitspraak.
In deze zaak had het prijsargument naar ik meen wel in het nadeel van de consument kunnen meewegen. Het verband tussen prijs en voorkeursrecht is i.c.
zeer aannemelijk.23 Het is echter onvoldoende gesteld.24 Dit verband zou wel eenvoudiger aangetoond kunnen worden dan de relatie tussen een exoneratiebeding en een prijsvoordeel (te denken valt aan een taxatierapport). Het voordeel dat de consument bij de vernietiging van het beding zou genieten is in dit geval ook duidelijker dan in geval van exoneratiebedingen.
119. 'De overige inhoud van de overeenkomst' vormt slechts één van de gezichtspunten uit art. 6:233 onder a. De vaststelling van het contractuele evenwicht kan ook plaatsvinden aan de hand van een afweging tussen de `wederzijds kenbare belangen van partijen'.25 De inhoud van het contract wordt dan vertaald naar de belangen van partijen en krijgt op zichzelf minder aandacht. Naar Nederlands recht vormt de belangenafweging de kern van de toets. Volgens Loos is 'de inhoudstoetsing van art. 6:233 onder a BW (...) voor alles een belangenafweging.'26 De belangenafweging vormt, zo beaamt Jongeneel, 'in veel gevallen het belangrijkste element van de open-norm-toets' en andere gezichtspunten bij de toetsing kunnen grotendeels worden 'omgerekend' in de kenbare wederzijdse belangen.27
De wetsgeschiedenis geeft weinig sturing aan de belangenafweging. Aangenomen mag worden dat het belang van de consument bij het schrappen van een bezwarend beding voorrang geniet.28 Hierop bestaan echter uitzonderingen In sommige gevallen kan een nadelig beding als gerechtvaardigd worden beschouwd gelet op de belangen van de gebruiker. Een nadelig beding dat proportioneel en evenredig is aan het door de gebruiker met het beding nagestreefde doel, kan om die reden als gerechtvaardigd worden beschouwd.29 Deze proportionaliteitstoets speelt als rechtvaardigingsgrond een belangrijke rol bij de grijze lijst.30 Het gerechtvaardigde karakter van een voor de consument nadelig beding kan ook zijn gelegen in een publiekrechtelijk belang.31 De uitkomst van de belangenafweging is moeilijk te voorspellen. In de praktijk worden veelal de hierna opgesomde, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst kenbare, typische belangen van partijen tegen elkaar afgewogen. Deze niet exhaustieve opsomming is grotendeels ontleend aan de literatuur.32
120. De consument heeft belang bij:
het behoud van wettelijke rechten, zoals het recht op ontbinding of schadevergoeding (waaronder de vergoeding van de volledige schade bij niet-nakoming door de gebruiker);33
het behoud van grond- en verdragsrechten (rechtstoegang, recht op informatie);34
duidelijkheid omtrent de eigen rechtspositie;35
de realisering van het doel van de overeenkomst;36
de correcte nakoming en de snelle afwikkeling van de overeenkomst door de gebruiker;
zekerheid omtrent de inhoud van de verwachte prestatie;
een eenvoudige, snelle, efficiënte, goedkope en vriendelijke wijze van afdoening van klachten en geschillen, ruime termijnen voor het indienen van klachten en het instellen van rechtsvorderingen en klachten;
een gunstige prijs-kwaliteitverhouding.
121. De gebruiker heeft daarentegen belang bij:
de rationalisering van een productieproces, winstmaximalisatie en rentabiliteit van investeringen;
de bewaking van de concurrentiepositie;
de vereenvoudiging van het arbeids- en administratieproces: bijvoorbeeld de noodzaak om een rationele administratie te voeren en de simplificering van contractsbeheer en -bewaking;37
de rationalisering en standaardisering van de contractssluiting (dit vormt een reden voor het opstellen van algemene voorwaarden);38 de correcte nakoming en snelle afwikkeling van de overeenkomst door de wederpartij;
de zekerheid van betaling door de wederpartij;
de beperking van 'moral hazards' (de wederpartij betreffende bijzondere omstandigheden die leiden tot een verzwaarde positie voor de gebruiker);
de flexibiliteit om in te kunnen spelen op veranderende marktomstandigheden;
de beperking, beheersbaarheid, verzekerbaarheid39 en voorzienbaarheid van risico’s40
bij een niet-commerciële gebruiker of overheid: het bereiken van de ideële doelen en de bescherming van het collectieve belang.