Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.2.3
9.4.2.3 Bepaalde bescheiden
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577561:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Sijmonsma 2007, p. 37.
Barendrecht & Van den Reek meende dat deze bepaling niet zo eng hoefde te worden uitgelegd en dat het artikel toepasbaar was op alle schriftelijke bewijsstukken en zelfs op informatiedragers. Naar hun mening zou de wetgever niet beoogd hebben de bepaling zo beperkt te interpreteren. Barendrecht & Van den Reek 1994, p. 739 e.v.; Zie Giesen 2001, p. 19; Zie ook Van den Reek 1997, nr. 28 en nr. 25 e.v.; Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 68-69, p. 124-126; Van Dijk, TVP 1999, p. 88; Hoyng 1991, p. 107 e.v.; Giesen wijst mijns inziens echter terecht op het feit dat nu in het ontwerp tot herziening van het bewijsrecht ook de regeling van de onderhandse akte herzien is, de term onderhandse akte bewust is opgenomen in art. 843a Rv. Dit volgde ook uit het feit dat in art. 843b Rv wel expliciet werd gerefereerd aan het schriftelijk bewijsmiddel. De ruime uitleg van art. 843a Rv was dan ook niet te verenigen met dit alles. Zie hiervoor Giesen 2001, p. 19-20; Zie ook J.B.M. Vranken in zijn noot onder HR 20 september 1991, Nl 1992, 552 (Tripels/Masson); Vranken achtte ingrijpen door de wetgever noodzakelijk: Asser/Vranken (1995), nr. 24; Zie ook Dijksterhuis-Wieten 1998, p. 52 e.v.; Wieten 2008, p. 40 e.v. Het begrip 'onderhandse akten' is inmiddels door de wetgever gewijzigd in het begrip 'bepaalde bescheiden'.
Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 417.
Ekelmans 2007, p. 24.
Ekelmans plaatst de ruimere opvatting in het kader van de verruiming van de processuele mededelingsplichten en met de rechtspraak die verhindert dat een relevant aanbod tot leveren van getuigenbewijs wordt afgewezen op grond van de prognose dat bewijs niet geleverd zal kunnen worden. Daarnaast is de ruimere opvatting zijns inziens in overeenstemming met de eisen die gesteld worden aan een ter zake dienend aanbod om getuigenbewijs te leveren, nu ook in dat geval in beginsel niet hoeft te worden aangegeven wat de getuigen naar verwachting zullen verklaren (HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270(OZ Export Planten Roozen Holland)). Ekelmans 2007, p. 25.
Zie de aangehaalde jurisprudentie bij Ekelmans. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 29 februari 1996, NJ 1997, 127(Sigma Coatings/Bouman).
Ekelmans 2007, p. 26.
Sijmonsma 2007, p. 38. Zie ook de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 december 2004, LJN AR4980(verwijdering kernwapens vliegbasis Volkel).
Ekelmans 2007, p. 26 e.v.
Met bepaalde bescheiden wordt bedoeld dat het om een onderhandse akte of bepaalde andere bescheiden moet gaan.1 Van een algemeen inzagerecht is geen sprake. De vragende partij kan slechts inzage in bepaalde, met name genoemde stukken vragen. De term bescheiden dient ruim te worden uitgelegd.2 Hoewel de term bepaalde bescheiden ruimer is dan de term onderhandse akten van artikel 843a Rv (oud), kan gezegd worden dat het bereik van de exhibitieplicht uiteindelijk is beperkt.3 De bescheiden waarvan de inzage eisende partij exhibitie vordert, moeten met name worden genoemd. Vage of algemene omschrijvingen zijn volgens de Hoge Raad niet voldoende.
Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt dat de exhibitie-plicht slaat op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel in beginsel wel aan een partij bekend is, maar dat de betreffende partij het schriftelijk bewijsmiddel niet in haar bezit heeft.4 Uit de jurisprudentie blijkt echter dat niet vereist is dat de inhoud in beginsel bekend is en dat als gevolg daarvan reeds van tevoren vaststaat dat de bescheiden een bepaald processueel standpunt ondersteunen.5 Deze in de praktijk gehanteerde ruimere opvatting versterkt de betekenis van de exhibitieplicht.6 De parlementaire geschiedenis geeft geen duidelijk antwoord op de vraag wat bepaalde bescheiden zijn. Aansluiting kan worden gevonden bij het begrip bepaalde bescheiden in artikel 22 Rv. Daaruit valt te concluderen dat de bescheiden tamelijk precies moeten worden omschreven, á zal het van het concrete geval afhangen hoe precies.7 In ieder geval moeten de bescheiden concreet genoeg worden beschreven om zonder veel moeite vast te kunnen stellen welke stukken worden bedoeld.8 De reden van deze eis ligt in het feit dat het 'vissen' naar informatie ongeoorloofd is.9 Voor een recent overzicht van toegewezen en afgewezen verzoeken tot verstrekking van bepaalde bescheiden verwijs ik naar Ekelmans.10