Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/11.2
11.2 Redelijkerwijs is een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens gewaarborgd
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS451579:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hij verwijst daarbij naar HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459 (interforce-Rosier).
Ik herhaal hier voor de zekerheid dat uit HR 6 oktober 2006, NJ 2006, 547, Jbpr 2007, 6, m.nt. 7.G.A. Linssen, AA 2007, p. 371-374, m.nt. H.B. Krans, Meijer-VOF Gebr. Comelis volgt dat indien geen verweer wordt gevoerd, de rechter niet ambtshalve dient te beoordelen of aan elk in art. 843a Rv genoemd vereiste is voldaan.
J.G.A. Linssen onder Hof Den Bosch 27 maart 2003, JBPR 2003, 63.
Ekelmans, p. 44-45.
Hof Den Bosch 28 september 2004, JOR 2004, 23. Ook zo Rb Amsterdam 13 april 2005, JOR 2005, 142 overwegend waar het bescheid waarvan inzage werd gevorderd dateerde van 20 december 2001, dat het eventueel horen van getuigen geen goed alternatief is gelet op het tijdsverloop. Ook zo Rb Amsterdam 24 januari 2007, AZ7826 en Rb Rotterdam 19 maart 2008, BC9708 en Hof Amsterdam 2 december 2008, BG9050, NJF 2009, 39 en Rb Rotterdam 4 maart 2009, BH5652. Rb Rotterdam 5 april 2006, AV9821 overweegt in een internationale transportzaak waarin bewijs onder meer geleverd kan worden door het horen van zich in Spanje bevindende getuigen, maar de rechtbank ook wordt verzocht om met gebruik van artikel 22 Rv de tegenpartij te bevelen om delen van de opgemaakte expertiserapporten in het geding te brengen, dat de getuigen in Spanje wonen en het voorval zich in Spanje heeft voorgedaan, zodat bewijs niet op eenvoudige wijze anderszins te verkrijgen is en beveelt de tegenpartij om de betreffende stukken in het geding te brengen. Vermoedelijk ook zo Rb Rotterdam 5 december 2007, BCO225, NJF 2008, 95. Rb Rotterdam 1 april 2009, B11747 oordeelt getuigenverhoor minder zinvol, gelet op de aard van de stukken waarin inzage wordt gevorderd (financiële stukken, berekeningen, enz.). Rb Arnhem 22 juli 2009, BJ6230, NJF 2009, 411 oordeelt op een verweer dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder inzage is gewaarborgd omdat getuigen gehoord kunnen worden dat dit veel tijd in beslag neemt en getuigen niet altijd even betrouwbaar en volledig zijn als de schriftelijke informatie. Verder kunnen getuigenverhoren nauwelijks 'minder bezwaarlijk' worden genoemd in vergelijking tot inzage in bescheiden. Deskundigenonderzoeken zijn kostbaar en tijdrovend zodat het uit het oogpunt van een goede procesorde in beginsel de voorkeur verdient om -indien het bewijs ook door middel van inzage in bescheiden kan worden geleverd- zo'n deskundigenonderzoek te voorkomen. Anders Rb Breda 25 oktober 2006, AZ1374 die nadat met succes bewijsbeslag is gelegd omdat eiser stelt dat de beslagene inbreuk maakt op aan eiser in eigendom toebehorende intellectuele en industriële eigendom op een vordering tot inzage in die bescheiden (in elk geval papieren en digitaal vastgelegde administratie) overweegt dat het bewijs van een dergelijke onrechtmatige verkoop redelijkerwijs ook langs andere weg kan worden verkregen, waarbij de rechtbank vooral denkt aan het deskundigenbericht. Rb Utrecht 9 april 2008, BC9990 is van oordeel dat inzage in de door eiser genoemde jaarrekeningen en statuten ook bij de Kamer van Koophandel kan worden verkregen en wijst de vordering af omdat redelijkerwijs van eiser kan worden gevergd dat hij die openbare weg afloopt.
Zie over dit prognoseverbod onder meer AG Verkade bij HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 en AG Wesseling-van Gent bij HR 29 januari 2010, BK2007 die in nr. 2.28 schrijft dat waar het hof slechts in zijn algemeenheid heeft overwogen dat resultaten en betrouwbaarheid van een getuigenverhoor alleen al door het tijdsverloop kunnen afwijken van aantekeningen van de griffier gemaakt tijdens een arbitragezitting, dit oordeel neerkomt op een (verboden) bewijsprognose.
Hof Arnhem 17 april 2007, NJF 2007, 391.
Rb Amsterdam 2 februari 2005, AT1558, JOR 2005, 71 overwegende dat het bewijs van het bestaan en/of de inhoud van de bedoelde lijst door verzoeker redelijkerwijs ook langs andere weg kan worden verkregen.
Rb Zutphen 23 januari 2008, BC2626 en Rb Zutphen 20 augustus 2008, JAR 2008, 255 afwijzend een vordering van een werknemer tot inzage in de gespreksverslagen op grond waarvan hij wordt overgeplaatst, omdat de werknemer met het oog op een eventuele procedure tegen zijn werkgever een verzoek kan indienen tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, in welk kader hij de collega's die de verklaringen hebben afgelegd kan doen horen. Ook kan hij niet gehoorde collega's als getuigen laten horen. De werknemer had al inzage gehad in het rapport dat mede aan de hand van die verslagen was opgemaakt.
Rb Assen 29 oktober 2008, te kennen uit Hof Leeuwarden 4 augustus 2009, BJ4901, welke rechtbank nadat gebruik is gemaakt van het verlof om bewijsbeslag te mogen leggen en vervolgens inzage daarin wordt gevorderd, de vordering afwijst omdat de beslaglegger ook een voorlopig getuigenverhoor heeft geëntameerd, zodat het mogelijk is om de benodigde informatie ook op andere wijze te verkrijgen en het, aldus de rechtbank, ...niet aannemelijk ...(is) geworden dat inzage in de in beslag genomen gegevens noodzakelijk is om een behoorlijke rechtsbedeling te waarborgen.'
Rb Rotterdam 7 maart 2007, BA0914, ook oordelend dat indien een eiser inzage wenst omdat hij denkt dat de wederpartij in strijd met de inhoud van de overeenkomst factureert en bang is óf aan het eind van de rit te weinig te hebben betaald met als gevolg betaling van hoge wettelijke rente óf teveel te hebben betaald en dan te blijven zitten met een vordering tot terugbetaling op een niet solvabele debiteur, dit geen risico is waarin sprake is van een situatie waarin een behoorlijke rechtspleging zonder verschaffing van de gevraagde stukken niet is gewaarborgd en Rb Rotterdam 10 juni 2009, BJ8968.
Rb Den Bosch 22 maart 2007, BA1352, NJF 2007, 213.
Hof Den Haag 9 oktober 2007, BB6971.
Rb Utrecht 15 oktober 2008, BG4385.
Rb Alkmaar 30 augustus 2007, BB2608.
Rb Amsterdam 11 september 2008, BF0587.
Rb Amsterdam 24 augustus 2005, AU4935. Uit Rb Zutphen 23 januari 2008, BC2626 (kort geding) blijkt dat de bodemrechter, aldus de voorzieningenrechter, een verzoek van een partij tot exhibitie van stukken bij de tegenpartij heeft afgewezen omdat exhibitie niet noodzakelijk is voor de onderbouwing van haar vorderingsrecht omdat de vorderende partij heeft aangeboden bewijs te leveren van haar stellingen onder meer door het doen horen van klanten als getuigen. Met het woord 'noodzaak' is een zwaarder toetsingscriterium aangelegd dan dit lid geeft. Rb Middelburg 7 mei 2008, BD3047 oordeelt op een vordering tot afschriften van, althans inzage in, correspondentie dat nu de tegenpartij heeft aangevoerd vooralsnog niet te beschikken over dit bewijsmateriaal dat het mogelijke verweer van die tegenpartij zou ondersteunen (de tegenpartij heeft in de hoofdzaak nog niet geantwoord), inzage of afschrift onnodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. De Hoge Raad zou overwegen dat het gelet op het woordgebruik onduidelijk is of de rechtbank het juiste criterium heeft aangelegd. Zie onder meer HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363 waarin de rechtbank Zutphen in hoger beroep ten onrechte dacht met de woorden 'in strijd met de redelijkheid en billijkheid' het criterium van art. 6:248 lid 2 BW (in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) gevangen te hebben. De rechtbank Roermond dacht, eveneens ten onrechte, met de woorden 'niet redelijk' dit criterium te hebben gevangen (HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471). Voor de volledigheid: het criterium voor afwijzing is immers niet of inzage 'onnodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling', maar 'of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gegevens is gewaarborgd'.
Parl. Gesch. burgerlijk procesrecht p. 553.
HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589. Zie daarover uitgebreid par. 7.1.1.
In par. 2.2.2 is uiteengezet waarom ik het niet eens ben met de zinsnede dat de bescheiden niet ter inzage verstrekt hoeven te worden indien 'redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd'. Een behoorlijke motivering waarom het inzagerecht moet worden achtergesteld bij andere mogelijke bewijsmiddelen als het getuigenverhoor, is door niemand gegeven. Het tegendeel lijkt eerder het geval; er is volop literatuur over de twijfelachtige betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Veel andere bewijsmiddelen dan bescheiden (waaronder mede worden verstaan op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, dus ook geluid- en videoopnames) en getuigen zijn er niet. Niet alleen getuigen, maar ook bescheiden zijn niet zonder meer betrouwbaar; alles kan gemanipuleerd worden, maar in abstracte heb ik toch meer vertrouwen in bescheiden als bewijsmiddel dan in getuigenverklaringen als bewijsmiddel. Lindijer is in nr. 212-213 van mening dat ook indien een partij zich niet beroept op een bepaald stuk, zij toch gehouden kan zijn (een afschrift van) dat stuk in het geding te brengen.1 Ook daaruit blijkt niet dat er sprake is van subsidiariteit. Eerder het tegendeel: voor stukken geldt kennelijk een norm die niet geldt voor getuigen: er is tot op vandaag niemand die heeft verdedigd dat indien partij A weet dat getuige Z zijn stellingen ontkracht, A op de wetenschap van die getuige moet wijzen. Lindijer verdedigt verder terecht dat de eisen van een goede procesorde onder omstandigheden kunnen meebrengen dat een partij in hoger beroep terstond alle beschikbare bescheiden dient over te leggen, of althans gemotiveerd moet stellen waarom bepaalde bescheiden ontbreken, waarmee het mij voorkomt dat het failliet van in elk geval deze zinsnede in lid 4 is uitgesproken. Ook uit een groot deel van onderstaande jurisprudentie kan worden afgeleid dat de rechters geen grote waarde hechten aan deze zinsnede in lid 4.
Linssen lijkt dit bestanddeel wel belangrijk te vinden. Hij is van mening dat nadat aan de bestanddelen van art. 843a lid 1 Rv is getoetst, nog aan dit onderdeel van lid 4 getoetst moet worden.2 Hij schrijft verder dat indien de rechter het getuigenbewijs overtuigend oordeelt, de beginselen van een behoorlijke procesorde en het beginsel van equality of arms er niet aan in de weg staan dat de rechter het niet nodig oordeelt te bevelen dat een afschrift van het schriftelijk bewijs wordt verstrekt. Hierbij miskent hij dat de rechter, behoudens in het geval van het zogeheten `voorshandse oordeel', geen tussenoordelen geeft omtrent de bewijswaardering. Indien na de enquête het geleverde bewijs wordt gewaardeerd, zal er meestal eindvonnis worden gewezen. De rechter zal tot op heden in elk geval niet in een tussenvonnis oordelen dat het bewijs nog onvolkomen is en de bewijsleverende partij in staat stellen om een vordering ex art. 843a Rv in te stellen.3
Ekelmans vindt dit bestanddeel vooral niet erg praktisch. Iets met stukken bewijzen is immers minder bewerkelijk dan door middel van getuigen. Waar volgens hem uit de jurisprudentie blijkt dat er bij de rechters geen sprake is van grote ontvankelijkheid voor verwijzing naar getuigenverhoren indien een verzoeker inzage vraagt, noemt hij dit een terechte opvatting.4
Zoals hiervoor opgemerkt, is er inmiddels de nodige jurisprudentie over de vraag of de vordering tot inzage moet worden afgewezen omdat redelijkerwijs een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing is gewaarborgd.
Zo zijn er de nodige uitspraken over de vraag of de vordering tot inzage moet worden afgewezen als de andere partij stelt dat een getuigenverhoor tot de mogelijkheden behoort. De antwoorden in de jurisprudentie op deze vraag zijn niet gelijk. Zo overweegt het hof Den Bosch in een zaak waarin 7 jaar daarvoor een onderzoek is geweest dat is neergelegd in een rapport, dat al op grond van dit tijdsverloop een verhoor van getuigen niet meer als substituut kan dienen van terbeschikkingstelling van het rapport. De inhoud van een getuigenverklaring is immers afhankelijk van wat de getuige zich herinnert omtrent hem bekende, uit 1997 daterende feiten, waarbij niet onaannemelijk is dat de betrokken partijen niet alle details zullen hebben onthouden. Daar tegenover staat dat in het rapport die feiten in 1997 zijn vastgelegd en het rapport dus een authentieke bron vormt. Het genuanceerde beeld dat het rapport kan verschaffen, kan niet eenvoudig door het horen van getuigen worden verkregen.5 Het lijkt mij dat aldus eigenlijk is geanticipeerd op wat de getuigen zich mogelijk nog herinneren, waarmee een voorbeeld is gegeven van de botsing van deze zinsnede met het prognoseverbod.6 Overigens is hier natuurlijk juist sprake van een omgekeerde situatie: het hof neemt aan dat een ander bewijsmiddel, met name getuigen, niet tot een behoorlijke rechtsbedeling zal leiden.
Er wordt echter ook regelmatig overwogen dat een getuigenverhoor mogelijk is, waarna de gevorderde inzage wordt worden afgewezen. Zo onder meer hof Arnhem,7 rechtbank Amsterdam,8 rechtbank Zutphen,9 en rechtbank Assen10
Het lijkt erop dat als de bewijslast op de andere partij rust, of als het antwoord op de vraag wie bewijs moet leveren nog niet duidelijk is, de vordering tot inzage wordt afgewezen. Hierbij wordt, vooral impliciet, waarschijnlijk aansluiting gezocht bij het criterium dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Aldus vermoedelijk de rechtbank Rotterdam11 rechtbank Den Bosch,12 hof Den Haag13 en rechtbank Utrecht.14
Het verweer van een verkoper van appartementen die de bouwtekeningen bezit waarvan inzage wordt gevorderd, inhoudende dat die tekeningen ook bij de afdeling Bouw en Woningtoezicht van de gemeente ter inzage liggen, wordt gepasseerd omdat ook de verkoper er belang bij heeft dat er duidelijkheid komt omtrent de gestelde gebreken zodat het in strijd is met hetgeen de verkoper maatschappelijk betaamt om zich thans als het ware te verschuilen achter de mededeling dat bepaalde stukken openbaar zijn. De rechtbank stelt verder dat deze proceshouding het bereiken van een oplossing onnodig bemoeilijkt.15
Het is goed mogelijk dat meerdere partijen de stukken waarvan inzage wordt gevorderd, bezitten. Art. 843a Rv kent geen regel welke partij in zo'n geval als eerste moet worden aangesproken. Ik ben van mening dat in zo'n geval elke persoon die de informatie bezit, kan worden aangesproken om inzage te verschaffen, en wel des dat als de ene persoon inzage heeft gegeven, de andere van deze plicht is bevrijd. Er is sprake van nevenschikkendheid. De rechtbank Amsterdam overweegt in zo'n geval waarbij enkele banken de informatie hebben, maar de curator in het faillissement van het bedrijf KPNQwest ook, dat de keuze van eiseres om de inzagevordering tegen de banken in te stellen begrijpelijk is en niet onredelijk. Het feit dat A, de partij die inzage vordert, voordat hij die inzagevordering instelde al wist dat de banken hun gepretendeerde vordering op A al hadden overgedragen maakt dit niet anders.16
Het is niet altijd duidelijk of een gerecht een eigen criterium hanteert of slordig formuleert. De rechtbank Amsterdam oordeelt bijvoorbeeld dat het bij de toepassing van art. 843a Rv moet gaan om bepaalde bescheiden waarin informatie is vervat die eiser niet op een andere manier kan verkrijgen.17 Deze formulering lijkt in te houden dat de rechtbank van oordeel is dat een vordering alleen maar kan worden toegewezen als de informatie op geen enkele andere manier is te verkrijgen. Aldus legt het een maatstaf aan die niet overeenkomt met de woorden in de Memorie van Toelichting. Die houden namelijk wat dit betreft in dat een vordering kan worden afgewezen indien aangenomen kan worden dat het bewijs van de betreffende feiten redelijkerwijs langs andere weg, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, kan worden verkregen.18
Het lijkt mij dat aan de hand van de literatuur en de vele uitspraken, inmiddels verdedigd kan worden dat dit bestanddeel van lid 4 niet zeer zwaar (meer) weegt. Het behoort in elk geval in het belang van het op een redelijk eenvoudige en snelle manier vinden van de waarheid niet zwaar te wegen. Voor de volledigheid vermeld ik nog dat Vranken in zijn noot onder het Observatiearrest19 schrijft dat de afwijzende beslissing van het hof en de Hoge Raad in die zaak wellicht steunt op een analogie met dit bestanddeel uit lid 4 van art. 843a Rv en daar in elk geval mee spoort. Ik vind dat te speculatief, zeker omdat dit lid pas is in werking is getreden op 1 januari 2002 en het arrest van het hof op 18 mei 2000 is gewezen.
Tot slot: op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv rust de stelplicht en bewijslast van de aanwezigheid van dit bestanddeel op de partij die ter motivering van de weigering van de gevorderde inzage hierop een beroep doet.