Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.7.3:6.7.3 Voorwaardelijke en onzekere verplichtingen
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.7.3
6.7.3 Voorwaardelijke en onzekere verplichtingen
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410218:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Blumberg e.a. 2010, p. 85-28.
Mellon Bank, N.A. v. Official Comm. of Unsecured Creditors of R.M.L., Inc. (In re R.M.L., Inc.), 92 F.3d 139 (3d Cir. 1996), p. 155-156.
“[T]he hypothetical existence of an unaccrued tort claim does not give rise to a debtor-creditor relationship. There is no existing debt.” (Lippe v. Bairnco Corp., 99 Fed. Appx. 274 (2d Cir. 2004), p. 282).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onzekere en voorwaardelijke verplichtingen van de debiteur moeten worden meegenomen bij de beoordeling of er sprake is van insolventie. Daarbij moet in de regel de omvang van een onzekere verplichting worden verminderd met de kans dat de verplichting niet hoeft te worden voldaan.1 Er moet vanzelfsprekend uit worden gegaan van de informatie die ten tijde van de litigieuze overdracht bekend was over de onzekere verplichting.2 Met name zeer onzekere verplichtingen uit hoofde van vorderingen die nog onvoldoende vast staan (bijvoorbeeld uit onrechtmatige daad) hoeven doorgaans niet in de analyse te worden betrokken.3