Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.3
2.3 Aftrek van voorbelasting in de Tweede richtlijn
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298329:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Eerste richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (67/227/EEG) en Tweede richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (67/228/EEG), beide vastgesteld op 11 april 1967 en afgekondigd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 april 1967, nr. 71.
John Watson en Kate Garcia, t.a.p. blz. 191.
Op grond van Bijlage A 21 bij de Tweede richtlijn hadden lidstaten de bevoegdheid het recht op aftrek te beperken tot de handelingen welke betrekking hebben op goederen waarvan de levering in het binnenland belast is.
In Nederland zijn deze leveringen en diensten niet ‘vrijgesteld met recht op aftrek’ maar onder het nultarief gebracht (art. 9, lid 2, letter b van de wet jo. Tabel II).
Op 11 april 1967 heeft de Raad de Eerste en de Tweede richtlijn vastgesteld.1 De Eerste richtlijn verplicht de lidstaten een belasting over de toegevoegde waarde in te voeren (uiterlijk op 1 januari 1970). Op grond van art. 3 Eerste richtlijn zal de Raad een Tweede richtlijn vaststellen inzake de structuur en de wijze van toepassing van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. In de considerans van de Eerste richtlijn wordt de keuze voor een belasting over de toegevoegde waarde als volgt gemotiveerd:
overwegende dat de voornaamste doelstelling van het Verdrag is het instellen, in het kader van een economische unie, van een gemeenschappelijke markt waarin een gezonde mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt;
overwegende dat het verwezenlijken van deze doelstelling vooronderstelt dat in de Lid-Staten wetgevingen inzake omzetbelasting worden toegepast welke de mededingingsvoorwaarden niet vervalsen en het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de gemeenschappelijke markt niet belemmeren;
overwegende dat de thans geldende wetgevingen niet aan voormelde vereisten voldoen; dat het derhalve in het belang van de gemeenschappelijke markt is om een harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting tot stand te brengen welke ten doel heeft de factoren die de mededingingsvoorwaarden zowel op nationaal als op communautair niveau zouden kunnen vervalsen zoveel mogelijk uit te schakelen en welke harmonisatie het mogelijk maakt om vervolgens te komen tot het doel van de afschaffing van het belasten bij invoer en het ontlasten bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten;
overwegende dat uit de verrichte studies is gebleken dat deze harmonisatie dient te leiden tot afschaffing van de cumulatieve cascadestelsels en tot aanvaarding door alle Lid-Staten van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;
overwegende dat een stelsel van belasting over de toegevoegde waarde de grootste mate van eenvoud en neutraliteit verkrijgt wanneer de belasting zo algemeen mogelijk wordt geheven en het toepassingsgebied ervan alle fasen van produktie en distributie, zomede het gebied van de diensten omvat: dat het derhalve in het belang van de gemeenschappelijke markt en van de Lid-Staten is een gemeenschappelijk stelsel te aanvaarden dat eveneens op de kleinhandelsfase wordt toegepast;
Er werd dus gekozen voor een niet-cumulatieve, meermalige heffing. Daarmee zou de grootste mate van neutraliteit en van een vrij verkeer van goederen en diensten worden bereikt. Om neutraliteit te bereiken is aftrek van voorbelasting een essentieel onderdeel van een systeem van belasting op de toegevoegde waarde. In art. 2 Eerste richtlijn wordt de aftrek van voorbelasting als volgt geïntroduceerd:
Artikel 2
Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde berust op het beginsel dat van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden.
Bij elke transactie is de belasting over de toegevoegde waarde, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor het goed of voor de dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.
Het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt toegepast tot en met de kleinhandelsfase.
Artikel 3
Op voorstel van de Commissie stelt de Raad een tweede richtlijn vast betreffende de structuur en de wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Watson en Garcia zeggen het volgende, en ik sluit me daarbij aan, over de verhouding van de Eerste richtlijn en de Tweede richtlijn (en de latere Zesde richtlijn en btw-richtlijn)2:
The purpose of those implementing Directives was to set out a detailed code which would enable the economic vision of those who had introduced the First directive to be effectively realized. In short, whereas economists designed the conceptual structure of the tax as set out in the First Directive, it fell to those drafting the implementing Directives to put enforceable flesh on those bones.
Met andere woorden: het concept en de juridische vormgeving van de btw zijn twee verschillende dingen. Conceptueel is de aftrek van voorbelasting hét middel om de beoogde neutraliteit te realiseren. In de Tweede richtlijn wordt de aftrek als volgt juridisch vormgegeven in art. 11:
1. Voor zover de goederen en diensten voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:
a. de belasting over de toegevoegde waarde, welke hem is gefactureerd voor de hem geleverde goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte diensten;
b. (...)
c. (...)
2. Niet aftrekbaar is de belasting over de toegevoegde waarde, drukkende op de goederen en de diensten, welke worden gebruikt voor het verrichten van niet belastbare of vrijgestelde handelingen.
De belastingplichtige mag evenwel aftrek toepassen indien de leveringen van goederen en de diensten in het buitenland worden verricht3 of zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 1 of lid 2.4
3. (...)
4. Van de aftrekregeling kunnen bepaalde goederen en bepaalde diensten worden uitgesloten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dat zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel.
Opvallend is dat de Tweede richtlijn geen herzieningsbepaling kent waarin de gevolgen worden geregeld voor het geval dat er meer of minder voorbelasting in aftrek wordt gebracht dan waarop later recht blijkt te bestaan. Zo wordt er bijvoorbeeld geen woord gewijd aan de gevolgen voor de aftrek van het niet gebruiken van goederen (bijvoorbeeld in verband met diefstal, verlies of vernietiging) die de belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden heeft aangeschaft.
Met enige goede wil zou art. 5, lid 3, letter a, als een herzieningsbepaling gezien kunnen worden. Het luidt als volgt:
3. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld: a. het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed, dat hij voor privé-gebruik bestemt of dat hij om niet verstrekt;
Deze fictieve levering komt in materiële zin neer op een correctie van de eerder genoten aftrek.