Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.8
2.8 De belastingplichtige
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303169:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Waar in de (Nederlandse vertaling van de) Europese regelgeving vanaf het begin wordt gesproken over de ‘belastingplichtige’, wordt in Nederland vanaf het begin gesproken over ‘de ondernemer’. Ik zal beide begrippen door elkaar gebruiken, inhoudelijk, btw-technisch, hebben ze dezelfde betekenis (bij de bespreking van Europese regelgeving en jurisprudentie gebruik ik het begrip ‘belastingplichtige’, bij de bespreking van Nederlandse regelgeving en jurisprudentie zal ik het begrip ‘ondernemer’ gebruiken).
De Negende richtlijn inzake omzetbelasting van 26 juni 1978 (Pb. EG 19 juli 1978, nr. L 194) machtigde een aantal lidstaten, waaronder Nederland, de bepalingen van de Zesde richtlijn uiterlijk per 1 januari 1979 in hun wetgeving op te nemen.
Zie V-N 1973, no. 18A, blz. 717 e.v.
Opvallend is dat zowel de Tweede richtlijn als het Voorstel Zesde richtlijn nog de woorden ‘economische bedrijvigheid’ gebruiken, terwijl in de definitieve tekst van de Zesde richtlijn de woorden ‘economische bedrijvigheid’ worden gebezigd. Swinkels, t.a.p. blz. 134, komt tot de conclusie dat dit verschil geen betekenis heeft.
Zie hierover ook Swinkels, t.a.p. blz. 130, die A-G Fennelly citeert bij zaak C-80/95 (Harnas & Helm).
Dit is niet helemaal waar: met ingang van 1 januari 1992 is ‘exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak’ vervangen door: exploitatie van een vermogensbestanddeel.
Alleen een belastingplichtige1 komt recht op aftrek van voorbelasting toe. Zonder belastingplichtige geen aftrek. Zolang de belasting over de toegevoegde waarde bestaat en de vraag naar het bestaan van belastingplicht werd gesteld, was de achterliggende vraag of er recht op aftrek van voorbelasting bestond. In een onderzoek dat gaat over het aftrekrecht kan daarom niet ontkomen worden aan het wijden van enkele woorden aan de belastingplichtige.
De op 11 april 1967 vastgestelde Tweede richtlijn, die de toenmalige lidstaten verplichtte om uiterlijk op 1 januari 1970 een belasting op de toegevoegde waarde in te voeren, bepaalde met betrekking tot de belastingplicht (voor zover hier van belang) het volgende:
Art. 4. Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die zelfstandig en regelmatig, met of zonder winstoogmerk, handelingen verricht welke tot de werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter behoren.
Art. 7 wet die op 1 januari 1969 in werking is getreden definieerde de ondernemer als volgt:
Art. 7
1. Ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.
2. Waar in deze wet wordt gesproken van een bedrijf, wordt daaronder mede verstaan beroep.
Deze definitie was gelijk aan die onder de Wet op de Omzetbelasting 1954. Tot de dag van vandaag is deze definitie ongewijzigd gebleven, zij het dat de invulling die in de rechtspraak aan het begrip ‘bedrijf’ geeft een ontwikkeling heeft ondergaan. Toen de wet op 1 januari 1969 in werking trad werd onder ‘bedrijf’ verstaan een organisatie van kapitaal en arbeid die erop is gericht om in een duurzaam streven door deelneming aan het maatschappelijk verkeer maatschappelijke behoeften te bevredigen.
Opvallend is dat in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de omzetbelasting 1968 met geen woord wordt gerept over de vraag of definitie van de ondernemer in de wet in overeenstemming was met de definitie van de belastingplichtige in de Tweede richtlijn.
In de op 17 mei 1977 vastgestelde Zesde richtlijn, die de lidstaten verplichtte om uiterlijk 1 januari 19782 hun btw-wetgeving in overeenstemming te brengen met deze richtlijn, werd in vergelijking met in art. 4 Tweede richtlijn de definitie van belastingplichtige gewijzigd:
Art. 4. 1. Als belastingplichtige wordt beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een van de in lid 2 omschreven economische activiteiten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
Op grond van art. 4, lid 2, Zesde richtlijn omvatten de bedoelde economische activiteiten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Ook wordt als economische activiteit beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De officiële toelichting op het Ontwerp Zesde richtlijn3 zegt dat de nieuwe definitie van belastingplichtigen getuigt van het streven de werkingssfeer van de btw in overeenstemming met het karakter van een algemene verbruiksbelasting uit te breiden tot elke vorm van economische bedrijvigheid4, ongeacht de plaats waar deze wordt uitgeoefend, alsmede tot andere handelingen die eveneens behoren tot de economische bedrijvigheid, doch die afzonderlijk of niet regelmatig kunnen worden verricht.
Hier wil ik al opmerken dat art. 4, lid 2, Zesde richtlijn (thans: art. 9, lid 1, tweede zin, btw-richtlijn) het begrip ‘economische activiteiten’ in de zin van de btw definieert. Bij de latere bespreking van de jurisprudentie van de Hoge Raad en Hof van Justitie EU zullen we zien dat bepaalde handelingen niet worden aangemerkt als economische activiteiten in de zin van de btw, ofschoon zij wel plaats vinden in het economisch verkeer in de brede betekenis als ‘verband houdend met de economie in het algemeen of met de handel in het bijzonder’.5
Naar aanleiding van art. 4, lid 2, tweede volzin, Zesde richtlijn wordt art. 7, lid 2, wet aangevuld. Onder ‘bedrijf’ wordt voortaan niet alleen ‘beroep’ verstaan maar ook de ‘exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Vanaf 1 januari 1979 tot vandaag zijn art. 7, lid 1 en lid 2, wet ongewijzigd gebleven.6