Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.4
2.4 Aftrek van voorbelasting in de Wet op de omzetbelasting 1968
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS305556:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Deze kamerstukken zijn tegenwoordig goed toegankelijk via de website: www.ndfr.nl.
Art. 10, lid 1 en lid 2, Tweede richtlijn bepaalt dat een vrijstelling (in Nederland zouden we zeggen: nultarief, zie noot 21 hiervoor) van toepassing is of kan zijn bij de uitvoer van goederen of bij diensten die betrekking hebben op goederen die worden uitgevoerd of ingevoerd.
Overigens was er onder de toenmalige wet onduidelijkheid over het aftrekrecht bij prestaties die waren vrijgesteld maar ook onder het nultarief vielen omdat zij werden verricht aan buitenlandse afnemers (zie Tariefcommissie, 18 januari 1977, no. 10 930 O ’68, BNB 1977/232, noot L.F. Ploeger) en bij in het buitenland verrichte vrijgestelde prestaties (zie Hof ’s-Gravenhage, 10 februari 1978, no. 31/1977, BNB 1979/102). De staatssecretaris wilde in deze gevallen geen aftrek toestaan, het ging volgens hem om prestaties ‘als zijn bedoeld in artikel 11’. De rechters trokken uit de wetsgeschiedenis de conclusie dat het de wetgever voor ogen heeft gestaan om in overeenstemming met de Tweede richtlijn bij toepassing van het nultarief en bij onbelastbare prestaties in het internationale goederen en dienstenverkeer, aftrek van voorbelasting toe te staan. In onderdeel d.3. van zijn conclusie onder HR 18 december 1985, no. 23 160, BNB 1986/104 (noot L.F. Ploeger), schaart Van Soest zich achter de beslissing van het Hof ’s Gravenhage. In de in BNB 1986/104 besliste zaak is de uitkomst echter anders dan in BNB 1979/102. De casus van BNB 1986/104 speelt onder vigeur van de Zesde richtlijn. Ik kom daar op terug in onderdeel 5.3.3.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is art. 15, lid 1, letter b, 4°, toegevoegd (zie Kamerstuk 9324, nr. 20) en is art. 15, lid 4, komen te vervallen (zie Kamerstuk 9324, nr. 13).
Art. 11, lid 4, Tweede richtlijn luidde als volgt: ‘Van de aftrekregeling kunnen bepaalde goederen en bepaalde diensten worden uitgesloten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dat zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel.’
Zie art. 1, lid 1, letter b, BUA (tekst vanaf 1 januari 1969).
R.C. Tuk, ‘De Belastingwetgeving’ Wet op de omzetbelasting 1968, Noorduijn Arnhem, aant. 2 bij art. 16 (suppl. 21); deze aantekening heeft het kopje: ‘Fouten in de btw-wetgeving’.
Nederland heeft niet tot 1 januari 1970 gewacht met het invoeren van een belasting over de toegevoegde waarde. Na een uitgebreide behandeling in de Eerste en Tweede Kamer werd het op 4 oktober 1967 ingediende en nadien enkele keren gewijzigde voorstel op 26 juni 1968 aangenomen (zie kamerstuk 93241). Op 1 januari 1969 werd de nieuwe Wet op de omzetbelasting 1968 van kracht. In de wet werd de aftrek van voorbelasting geregeld in art. 15, dat voor zover hier van belang als volgt luidde (tekst tot 1 januari 1978):
1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:
a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;
b. de belasting welke in het tijdvak van aangifte is verschuldigd geworden:
1. ter zake van invoer van voor de ondernemer bestemde goederen, mits is voldaan aan door Onze Minister te stellen voorwaarden;
2. op grond van artikel 12, tweede lid, ter zake van aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten;
3. ter zake van het door de ondernemer beschikken over goederen voor bedrijfsdoeleinden;
4. ter zake van diensten als zijn bedoeld in artikel 4, tweede lid; een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming.
2. Aftrek van belasting vindt niet plaats, voor zover de goederen en de diensten worden gebezigd ten behoeve van prestaties van de ondernemer als zijn bedoeld in artikel 11.
Bij de formulering van art. 15, lid 1, wet heeft in 1968 de wetgever art. 11, lid 1, Tweede richtlijn gevolgd. Weliswaar worden de in de Richtlijn gebezigde bewoordingen niet letterlijk overgenomen maar de strekking is hetzelfde. Waar de Tweede richtlijn zegt: ‘Voor zover de goederen en diensten voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, mag de belastingplichtige aftrekken’, zegt de wet: ‘De belasting welke de ondernemer in aftrek brengt is de belasting welke in rekening is gebracht, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming.’. Zowel Tweede richtlijn als wet zeggen dus: als een ondernemer goederen en diensten in het kader van zijn onderneming gebruikt mag hij, uitzonderingen daargelaten, de daarop drukkende belasting in aftrek brengen.
Waar art. 11, lid 1, Tweede richtlijn en art. 15, lid 1, wet hetzelfde uitgangspunt kiezen, gaan de wegen uiteen in aan de ene kant art, 11, lid 2, Tweede richtlijn en aan de andere kant art. 15, lid 2, wet. Art. 11, lid 2, eerste zin, Tweede richtlijn staat geen aftrek toe van voorbelasting toerekenbaar aan vrijgestelde en niet belastbare prestaties; art, 15, lid 2, wet staat geen aftrek toe van voorbelasting toerekenbaar aan vrijgestelde prestaties. Omdat art. 11, lid 2, eerste zin, Tweede richtlijn ook de aftrek uitsluit van voorbelasting toerekenbaar aan prestaties in het buitenland (die behoren immers tot de niet belastbare prestaties), bepaalt vervolgens art. 11, lid 2, tweede zin, Tweede richtlijn dat de belastingplichtige wel aftrek mag toepassen indien de leveringen van goederen en de diensten in het buitenland worden verricht of zijn vrijgesteld overeenkomstig art. 10, lid 1 of lid 2.2
Toch lijkt de wet in meer gevallen aftrek toe te staan dan de Tweede richtlijn. Anders dan de Tweede richtlijn, sluit de wet niet expliciet de aftrek uit van de belasting die drukt op goederen en diensten die worden gebruikt voor niet-belastbare prestaties, voor zover dat geen in het buitenland verrichte prestaties zijn (bijvoorbeeld leveringen en diensten die niet onder bezwarende titel worden verricht).3
Het is opmerkelijk dat art. 15 op hoofdlijnen4 ongewijzigd door de kamerbehandeling is gekomen. Het oorspronkelijke wetsontwerp is gedurende het gehele wetgevingsproces in Tweede en Eerste Kamer op verschillende punten aangepast. Lid 1 en lid 2 van art. 15 zijn op geen enkel punt gewijzigd. Blijkbaar had het parlement geen moeite met het feit dat art. 15, lid 2, wet anders was geformuleerd dan art. 11, lid 2, Tweede richtlijn. Ook was men blijkbaar nog niet in staat de gevolgen te overzien van de gekozen systematiek.
Naast de in art. 15, lid 2, opgenomen aftrekuitsluiting heeft de wetgever echter ook nog gebruik gemaakt van de door art. 11, lid 4, Tweede richtlijn geboden mogelijkheid om goederen en diensten van de aftrek uit te sluiten waarvan verwacht kan worden dat zij gebruikt worden voor de privébehoeften van de belastingplichtige of zijn personeel.5 In het op art. 16 wet gebaseerde Uitvoeringsbesluit aftrek omzetbelasting 1968 (‘Bua’) werd onder bepaalde voorwaarden de aftrek uitgesloten onder andere6 in de gevallen waarin de goederen en diensten worden gebruikt voor het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen.7 Over de werking van art. 16 wet jo. het Bua zegt Tuk het volgende8:
In de btw, in wezen een belasting, geheven op het verlaten van goederen en andere prestaties uit de (belaste) ondernemerssfeer naar buiten, is het erg belangrijk, dat de heffing bij dat verlaten ook werkelijk plaatsvindt. Die heffing komt nu niet of niet voldoende tot zijn recht door de volgende regelingen in de wetgeving:
a. Geen heffing over prestaties – zowel leveringen als diensten – welke om niet aan derden worden verstrekt (...)
b. (...)
Art. 16 fungeert nu als een gebrekkige correctie op deze fouten in de wetgeving. De Nederlandse wetgever kan daar weinig aan doen. Zij worden grotendeels veroorzaakt door de 2e EEG richtlijn.
Ten slotte merk ik op dat de op 1 januari 1969 in werking getreden wet evenals de Tweede richtlijn geen herzieningsbepaling kende die de gevolgen regelde voor het geval dat er meer of minder voorbelasting in aftrek was gebracht dan waarop later recht bleek te bestaan. De fictieve leveringsbepaling van art. 5, lid 3, letter a, Tweede richtlijn, is terug te vinden in art. 3, lid 1, letter g, wet, zij het onvolledig. De verstrekkingen om niet worden niet gedekt door art. 3, lid 1, letter g.