https://www.schadefonds.nl/slachtoffer/veelgestelde-vragen-en-voorwaarden/ Zie onder “Vragen voor slachtoffers (…)” en vervolgens “Is de tegemoetkoming van het Schadefonds hetzelfde als (letsel)schadevergoeding of smartengeld?”
HR, 28-01-2025, nr. 23/04051
ECLI:NL:HR:2025:97
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2025
- Zaaknummer
23/04051
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:97, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1203
ECLI:NL:PHR:2024:1203, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:97
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑03‑2024
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2025-0080
SR-Updates.nl 2025-0033
NTS 2025/6
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling (art. 302.1 Sr). Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof begroting van immateriële schade toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 over begroting door rechter van immateriële schade. Hof heeft vastgesteld dat verdachte de aangever omver heeft geduwd en hem vervolgens meermalen tegen hoofd heeft geschopt en geslagen. Verder heeft hof vastgesteld dat dit geweld op aangever “flinke impact” heeft gehad en dat hij fysieke gevolgen van geweld heeft ervaren in vorm van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat b.p. als gevolg van bewezenverklaard handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat gevorderd geldbedrag van € 2.500 wegens immateriële schade het hof billijk voorkomt en daarom volledig toewijsbaar is. Daarbij heeft hof gelet op aard en ernst van de door verdachte jegens aangever begane normschending. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat door verdediging in hoger beroep niet meer is aangevoerd dan dat “gevorderde immateriële schade sterk zou moeten worden gematigd, nu deze niet goed is onderbouwd” en dat zij dus niet heeft betwist dat aangever a.g.v. bewezenverklaarde het door hof vastgestelde letsel heeft opgelopen. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04051
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2023, nummer 21-003996-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van hem aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde] en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het cassatiemiddel klaagt in het bijzonder over de begroting door het hof van de immateriële schade.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 september 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen tegen het lichaam heeft geduwd en meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van [benadeelde] van 24 november 2018. Dit formulier houdt onder meer in:
“3 Strafbaar feit
Hoe is uw schade ontstaan?
Dat we bij toeval op een geheime zender stuiten. Hierdoor ben ik zwaar mishandeld/poging tot doodslag.
(...)
Immateriële schade (smartengeld)(...)We hebben een hele poos niet op straat durven lopen, omdat we bang waren voor nog meer acties. De dader woont bij ons in de straat. Deze dader deinst nergens voor terug. Dagelijks klachten zoals hoofdpijn en duizeligheid.
Totaal immateriële schade € 2.500,-.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2023 houdt onder meer in:
“De voorzitter laat de derde getuige voor het hof verschijnen. Deze geeft op te zijn [benadeelde] , (...).
De getuige verklaart:
U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van zes jaren geleden. Dat ik flink toegetakeld ben door [verdachte] . (...) Ik heb nog last van hoofdpijn en ben sneller vermoeid. Ik heb wel veel geluk gehad, want ik ben tegen mijn hoofd getrapt. Er is toen een scan gemaakt.
(...)
De benadeelde partij ( [benadeelde] voornoemd) voert het woord, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij of de gehele vordering in hoger beroep aan de orde is. Ja, maar ik weet niet wat normaal is aan bedragen en waar het dan ophoudt. Binnen vier weken was ik fysiek wel weer normaal. Mijn werkgever heeft gezegd dat ik het kon uitzieken. Nu denk ik er nog wel eens aan terug.(...)
De raadsman bepleit (...) de gevorderde immateriële schade sterk te matigen, nu deze niet goed is onderbouwd.”
2.2.4
Het arrest van het hof houdt onder meer in:
“Oplegging van straf
(...)
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [benadeelde] omver te duwen en hem vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen en te slaan. Verdachte is kennelijk zonder aanleiding overgegaan tot het gebruik van grof geweld tegen het slachtoffer en heeft ernstige inbreuk gemaakt op diens fysieke integriteit. Op zowel het slachtoffer als op zijn daarbij aanwezige zoon heeft dit geweld een flinke impact gehad, temeer nu verdachte hen bekend was en bij hen in de straat woont. Zij hebben na het incident met gevoelens van angst en onbehagen over een mogelijke nieuwe confrontatie met verdachte moeten leven. Ook heeft het slachtoffer fysieke gevolgen van het geweld ervaren in de vorm van hoofpijn- en duizeligheidsklachten. (...)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.885,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.385,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. (...) Aan immateriële schade is een geldbedrag van € 2.500,- gevorderd. Het hof is van oordeel dat ook de immateriële schade, gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar is. Het gevorderde bedrag komt het hof billijk voor en zal daarom volledig worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
2.3
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW)
2.4.4
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
(...)
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel (...)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7
Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing zoals hiervoor onder 2.8.4 bedoeld.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [benadeelde] omver heeft geduwd en hem vervolgens meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen. Verder heeft het hof vastgesteld dat dit geweld op [benadeelde] een “flinke impact” heeft gehad en dat hij fysieke gevolgen van het geweld heeft ervaren in de vorm van hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Het hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en dat het gevorderde geldbedrag van € 2.500 wegens immateriële schade het hof billijk voorkomt en daarom volledig toewijsbaar is. Daarbij heeft het hof gelet op de aard en ernst van de door de verdachte jegens [benadeelde] begane normschending. In het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat door de verdediging in hoger beroep niet meer is aangevoerd dan dat ‘de gevorderde immateriële schade sterk zou moeten worden gematigd, nu deze niet goed is onderbouwd’ en dat zij dus niet heeft betwist dat [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde het door het hof vastgestelde letsel heeft opgelopen.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Motivering vordering benadeelde partij t.a.v. immateriële schade. ’s Hofs oordeel dat het gevorderde bedrag van 2.500 euro toewijsbaar is en billijk voorkomt is ontoereikend gemotiveerd, nu de b.p. genoemd bedrag in het geheel niet heeft onderbouwd, de verdediging om die reden om matiging heeft verzocht en het hof bij de begroting van de omvang van de immateriële schade enkel heeft verwezen naar de aard en de ernst van de normschending, zonder daarbij kenbaar de ernst van de gevolgen en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend te betrekken. Deze conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing wat betreft de vordering van de b.p. en de opgelegde svm en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04051
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens "poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen en voor het toegewezen bedrag (€ 2.885,00, bestaande uit € 385,00 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade) een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 dagen bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij waar het de immateriële schade betreft en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 september 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen tegen het lichaam heeft geduwd en meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
In eerste aanleg is de vordering van de benadeelde partij, waar het de gevorderde immateriële schade betreft, door de politierechter - conform de eis van de officier van justitie - toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. In hoger beroep heeft de Advocaat-Generaal bij het hof op dit punt bevestiging van het vonnis gevorderd.
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2023 houdt het volgende in:
“De voorzitter laat de derde getuige voor het hof verschijnen. Deze geeft op te zijn [benadeelde ] , geboren op [geboortedatum] 1967, [beroep] , wonende te [plaats] .
De getuige verklaart:
U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van zes jaren geleden. Dat ik flink toegetakeld ben door [verdachte] . (…) Ik heb nog last van hoofdpijn en ben sneller vermoeid. Ik heb wel veel geluk gehad, want ik ben tegen mijn hoofd getrapt. Er is toen een scan gemaakt.
(…) De benadeelde partij ( [benadeelde ] voornoemd) voert het woord, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij of de gehele vordering in hoger beroep aan de orde is. Ja, maar ik weet niet wat normaal is aan bedragen en waar het dan ophoudt. Binnen vier weken was ik fysiek wel weer normaal. Mijn werkgever heeft gezegd dat ik het kon uitzieken. Nu denk ik er nog wel eens aan terug.(…)Na hervatting van de zitting voert de advocaat generaal het woord en vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de op te leggen straf, en oplegging van een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.
(…)
De raadsman bepleit (…) de gevorderde immateriële schade sterk te matigen, nu deze niet goed is onderbouwd.”
3.5
De zich in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindende vordering van de benadeelde partij van 24 november 2018 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3 Strafbaar feit
(…)
3.1
Hoe is uw schade ontstaan? Dat wij bij toeval op een geheime zender stuiten.Hierdoor ben ik zwaar mishandeld / poging tot doodslag.
3.2
Datum of periode strafbaar feit 24 september 2017
3.3
Plaats strafbaar feit [plaats]
(…)
4B Immateriële schade (smartengeld)
(…)
Omschrijving immateriële schade Bijlage
We hebben een hele poos niet op straat durven lopen, omdat we bang waren voor nog meer acties. De dader woont bij ons in de straat. Deze dader deinst nergens voor terug. Dagelijks klachten zoals hoofdpijn en duizeligheid.
Totaal immateriële schade € 2.500,-
(…)
4D Verzoek tot schadevergoeding Bedrag
(…)Totaal immateriële schade €2.500,-(…)Totaal niet vergoede schade € 2.500,-
(…)
5 Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven
> Heeft u voor uw schade een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ontvangen? Geef deze dan hier op.
Zie Toelichting.
Bedrag Bijlage
Totaal uitkering(en) € 1.000,-”
3.6
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Oplegging van straf
(…)
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [benadeelde ] omver te duwen en hem vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen en te slaan. Verdachte is kennelijk zonder aanleiding overgegaan tot het gebruik van grof geweld tegen het slachtoffer en heeft ernstige inbreuk gemaakt op diens fysieke integriteit. Op zowel het slachtoffer als op zijn daarbij aanwezige zoon heeft dit geweld een flinke impact gehad, temeer nu verdachte hen bekend was en bij hen in de straat woont. Zij hebben na het incident met gevoelens van angst en onbehagen over een mogelijke nieuwe confrontatie met verdachte moeten leven. Ook heeft het slachtoffer fysieke gevolgen van het geweld ervaren in de vorm van hoofpijn- en duizeligheidsklachten.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.885,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.385,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. (…)
Aan immateriële schade is een geldbedrag van € 2.500,- gevorderd. Het hof is van oordeel dat ook de immateriële schade, gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar is. Het gevorderde bedrag komt het hof billijk voor en zal daarom volledig worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
(…)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde ] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde ] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 (achtendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 september 2017.”
3.7
In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de benadeelde partij een aanzienlijk hoger bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd dan het bedrag dat door het Schadefonds aan hem is uitgekeerd. Ook zou uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijken dat de benadeelde partij ten aanzien van de hoogte van het door hem gevorderde bedrag in feite een slag in de lucht heeft geslagen. Het hof heeft dit hogere bedrag toegewezen en daarbij slechts overwogen dat het bedrag “gelet op de aard en ernst van de normschending” toewijsbaar is. Het kennelijke oordeel van het hof dat het daarbij niet ook behoefde te letten op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend is volgens de stellers van het middel onjuist. Indien het hof dit niet over het hoofd heeft gezien, zou het oordeel onbegrijpelijk zijn, nu het Schadefonds bij het doen van uitkeringen aan slachtoffers juist let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals kennelijk ook door de officier van justitie, de politierechter en de advocaat-generaal is aangenomen. De beslissingen op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel zouden daarom ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.8
Voor zover wordt gesteld dat het Schadefonds bij het doen van uitkeringen aan slachtoffers let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, merk ik allereerst op dat de tegemoetkoming van het Schadefonds geen (letsel)schadevergoeding of smartengeld is. Met de tegemoetkoming wordt erkend dat iemand slachtoffer is en wordt iets teruggedaan, zodat deze persoon geholpen wordt om weer vertrouwen in de samenleving te krijgen.1.Verder geldt dat de uitkering (op dit moment2.) wordt bepaald op grond van een zestal letselcategorieën, waaraan zes vaste bedragen zijn gekoppeld. Bij het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt derhalve - anders dan bij smartengeld3.- niet door een deskundige naar rechterlijke uitspraken in concrete vergelijkbare gevallen gekeken.
3.9
In zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 over de vordering van de benadeelde partij overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang, als volgt:
“2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7
Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing zoals hiervoor onder 2.8.4 bedoeld.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”
3.10
Zoals uit genoemd overzichtsarrest blijkt is de begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
3.11
In het onderhavige geval blijkt uit het Verzoek tot schadevergoeding, zoals weergegeven onder 3.5, dat de benadeelde partij nog een tijd angstig is geweest en dat hij dagelijks hoofdpijn-en duizeligheidsklachten heeft. Ook blijkt daaruit dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de benadeelde partij € 1.000,- heeft uitgekeerd. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de benadeelde partij aangevoerd dat hij nog last van hoofdpijn heeft en sneller vermoeid is, dat hij binnen vier weken fysiek wel weer normaal was en dat hij er nog wel eens aan terugdenkt. Verder geeft hij aan dat hij niet weet wat normaal is om als bedragen te vorderen en waar het dan ophoudt. Door de verdediging is bepleit om de gevorderde immateriële schade sterk te matigen, omdat deze niet goed is onderbouwd.
3.12
Het hof heeft geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof heeft de gevorderde immateriële schade van € 2.500,-, gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar geacht en tevens geoordeeld dat dit bedrag het hof billijk voorkomt en daarom volledig wordt toegewezen.
3.13
Door bij de begroting van de omvang van de immateriële schade enkel te verwijzen naar de aard en ernst van de normschending, zonder daarbij kenbaar de ernst van de gevolgen en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend te betrekken, is het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag van € 2.500,- toewijsbaar is en ook billijk voorkomt, ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de benadeelde partij genoemd bedrag in het geheel niet heeft onderbouwd en de verdediging om die reden heeft verzocht de gevorderde immateriële schade sterk te matigen, terwijl de kern van het smartengeldoordeel juist een duiding is van de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de gelaedeerde en een vergelijking met eerder toegewezen bedragen.4.
3.14
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de ten behoeve van hem aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Zie voor een overzicht van de letsellijsten https://www.schadefonds.nl/schadefonds/letsellijst/
Zie de noot van S.D. Lindenbergh (onder 7) bij HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241, NJ 2017/89.
Beroepschrift 18‑03‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/04051
Betekening aanzegging: 23 januari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240029
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 4 oktober 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een vordering van een benadeelde partij.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 51f.1, 361.2.b en 592a Sv, art. 36f Sr en art. 6:96 en 6:106 BW, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof het vonnis vernietigd omdat het hof tot een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij is gekomen.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de benadeelde partij een aanzienlijk hoger bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd dan het bedrag dat door het Schadefonds aan hem is uitgekeerd. Voorts blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat de benadeelde partij ten aanzien van de hoogte van het door hem gevorderde bedrag in feite een slag in de lucht heeft geslagen. Dit hogere bedrag is vervolgens door het hof toegewezen. Daartoe heeft het hof slechts overwogen dat het bedrag ‘gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar is’. Het kennelijke oordeel van het hof, dat het hof daarbij niet behoefde te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend is evenwel onjuist. Indien het hof dit niet over het hoofd heeft gezien, is het oordeel onbegrijpelijk nu het Schadefonds bij het doen van uitkeringen aan slachtoffers juist let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals ook kennelijk door de officier van justitie, de politierechter en de advocaat-generaal is aangenomen. Gelet hierop zijn de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en opgelegde schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 24 september 2017, te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam heeft geduwd en/of te gedrukt en/of meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 september 2017 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente], [benadeelde] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam, te duwen en/of te slaan en/of te stompen en/of meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juli 2019 is onder meer gerelateerd:
‘De benadeelde partij stelt —zakelijk weergegeven— onder meer het volgende:
Ik ben angstig en durf niet meer haar het bos te gaan, omdat ik daar mishandeld ben. Bovendien heb ik nog steeds regelmatig last van hoofdpijn, daar had ik voor de mishandeling geen last van. Het klopt dat ik een bedrag van € 1.000,- uitgekeerd heb gekregen van het schadefonds, en dat ik dat bedrag moet terugbetalen als ik schadevergoeding toegewezen krijg.
De officier van justitie voert het woord en vordert veroordeling van verdachte voor het primair tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 80 uren. Bovendien vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 1.385,-, waarvan € 385,- materieel en € 1.000,- immaterieel, en verzoekt het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie verzoekt daarbij bovendien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te kennen vanaf 24 september 2017.
(…)
De politierechter acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.385,-, waarvan € 385,- materiële schade en € 1.000,- immateriële schade. De politierechter verklaart het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
De politierechter bepaalt daarbij dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2017. De politierechter legt bovendien aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], te betalen een bedrag van € 1.385,- (zegge: dertienhonderdvijfentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vervangende hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.’
1.3
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 oktober 2023 is onder meer gerelateerd (p. 6, 7):
‘De benadeelde partij ([benadeelde] voornoemd) voert het woord, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij of de gehele vordering in hoger beroep aan de orde is. Ja, maar ik weet niet wat normaal is aan bedragen en waar het dan ophoudt. Binnen vier weken was ik fysiek wel weer normaal. Mijn werkgever heeft gezegd dat ik het kon uitzieken. Nu denk ik er nog wel eens aan terug.
De oudste raadsheer deelt mee dat het hof verstaat dat de vordering wordt gehandhaafd.
(…)
Na hervatting van de zitting voert de advocaat generaal het woord en vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de op te leggen straf, en oplegging van een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.’
1.4
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich: in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.885,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.385,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
(…)
Aan immateriële schade is een geldbedrag van € 2.500,- gevorderd. Het hof is van oordeel dat ook de immateriële schade, gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar is. Het gevorderde bedrag komt het hof billijk voor en zal daarom volledig worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
(…)
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 (achtendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het; slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 september 2017.’
1.5
De rechter zal de immateriële schade moeten begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.1.
1.6
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de benadeelde partij een aanzienlijk hoger bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd dan het bedrag dat door het Schadefonds aan hem is uitgekeerd. Voorts blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat de benadeelde partij ten aanzien van de hoogte van het door hem gevorderde bedrag in feite een slag in de lucht heeft geslagen. Dit hogere bedrag is vervolgens door het hof toegewezen. Daartoe heeft het hof slechts overwogen dat het bedrag ‘gelet op de aard en ernst van de normschending, toewijsbaar is’. Het kennelijke oordeel van het hof, dat het hof daarbij niet ook behoefde te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend is evenwel onjuist. Indien het hof dit niet over het hoofd heeft gezien, is het oordeel onbegrijpelijk nu het Schadefonds bij het doen van uitkeringen aan slachtoffers juist let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals ook kennelijk door de officier van justitie, de politierechter en de advocaat-generaal is aangenomen. Gelet hierop zijn de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en opgelegde schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 18 maart 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑03‑2024
Zie o.m. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga.