Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.2.2
5.2.2 Voorstel voor een zesde richtlijn
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291046:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze bepaling werd voorgesteld dat lidstaten de mogelijkheid hebben om de maatstaf van heffing vast te stellen op het verschil tussen de aan- en verkoopprijs, de marge, bij de levering van een gebouw die met het oog op de wederverkoop is gekocht van een niet-belastingplichtige of een belastingplichtige die voor dit gebouw geen aanspraak op aftrek kon maken.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752.
In art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn heeft de Europese Commissie voorgesteld om de levering van nieuwe gebouwen en de erbij behorende grond te belasten. De levering van een gebouw en de erbij behorende grond na eerste ingebruikneming wenste de Europese Commissie blijkens deze bepaling vrij te stellen, mits de belastingplichtige voor dat gebouw geen enkele aanspraak op aftrek kon maken en ook geen gebruik heeft kunnen maken van het bepaalde in art. 12, A, lid 1, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn1. In deze bepaling zijn duidelijke invloeden vanuit de destijds bestaande wetgeving in de verschillende lidstaten zichtbaar. Zo is de eenheid van het gebouw en de bijbehorende grond op Franse leest geschoeid. Het onderscheid tussen nieuwe en oude gebouwen is ontleend aan de Belgische en Franse wetgeving, terwijl ook Nederland een onderscheid kende tussen nieuwe en oude onroerende goederen. De keuze om ook de levering van oude gebouwen te belasten indien de belastingplichtige voor dat gebouw aanspraak op aftrek kon maken of gebruik heeft kunnen maken van het bepaalde in art. 12, A, lid 1, onderdeel d Voorstel zesde richtlijn, is ontleend aan de Nederlandse wetgeving. Hoewel de Europese Commissie de voorstellen in het studierapport van Bours ter voorbereiding op het ontwerp van een zesde richtlijn niet één-op-één heeft overgenomen, zijn de invloeden van Bours op art. 14, B, onderdeel l Voorstel voor een zesde richtlijn duidelijk waarneembaar. Zo komt het criterium voor het onderscheid tussen nieuwe en oude gebouwen, de eerste ingebruikneming, uit zijn koker (zie paragraaf 5.2.1). Volgens de Europese Commissie is dit criterium aangehouden als zijnde beslissend voor het tijdstip waarop het gebouw het productie- en distributieproces verlaat en in de consumptiesector terechtkomt, d.w.z.: het gebruik van het goed door de eigenaar daarvan of een huurder.2 Hiermee citeert de Europese Commissie Bours bijna letterlijk, hetgeen naar mijn mening overigens geen gelukkige keuze is geweest (zie paragraaf 5.3.2). Ook in de toelichting van de Europese Commissie op het belasten van de levering van nieuwe gebouwen is de invloed van Bours duidelijk waarneembaar.3