Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.4.3.3
5.4.3.3 De bewaarplicht
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS375242:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 14 maart 2013, nr. 24117/08 (Bernh Larsen Holding AS e.a. vs. Noorwegen).
Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de verkorting van de bewaartermijn van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, Stb. 1998, 184.
Het BW sluit hier aan op de terminologie van de AWR, zie art. 2:10 lid 1 BW, 2:10 lid 3 BW en art. 3:15i BW.
Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de verkorting van de bewaartermijn van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, Stb. 1998, 184.
Besluit van de staatssecretaris van Financiën 19 juli 1996, PFC 96/854, V-N 1996 p. 2955, gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 oktober 1998, PFC 98/742m, V-N 1998/58.6; zie ook het beleid daaromtrent zoals opgenomen in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 juli 1996, nr. PFC 6/854U, en gewijzigd bij besluit van 3 april 2000, nr. AFZ 2000/956M.
Besluit van 19 juli 1996 (nr. PFC96/854) en nadien gewijzigd bij besluit van 30 oktober 1998 (nr. PFC98/742) en 3 april 2000 (nr. AFZ2000/956M, V-N 2000/19.4). Het besluit van 19 juli 1996 is ingetrokken bij het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 4 april 2011, nr. BLKB2011/1087M, Stcrt. 2011, 6414, V-N 2011/20.5 en nadien is ook het besluit van 3 april 2000 vervallen. De huidige beperkingen daaromtrent zijn opgenomen in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB2016/ 19, Stcrt. 2016, 9680, V-N 2016/18.8.
Voor medische dossiers geldt een langere bewaartermijn, namelijk vijftien jaar (art. 7: 454 lid 3 Wgbo). Voor accountantsdossiers is thans een wetsvoorstel in behandeling met o.a. verlenging van de bewaartermijn naar tien jaar (Kamerstukken II 2017/18, 34 677, nr. 3); op dit moment is de bewaartermijn zeven jaar na afsluiten dossier (art. 11 lid 6 Besluit toezicht accountantsorganisaties).
In dit verband merk ik op dat de bewaarplicht proportioneel moet zijn. HvJ EU 7 mei 2009,C-553/07 (Rijkeboer); zie ook HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 en C-698/15 (Tele2) en HvJ EU 8 april 2014, C-594/12 (Digital Rights Ireland Ltd. vs. Kärntner Landesregierung, Michael Seitlinger, Christof Tschohl e.a.). Mogelijkheden (beperkt) worden geboden in par. 20 onderdeel 5 Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB).
Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens, Stcrt. 2016, 4971.
Ter illustratie nog de volgende voorbeelden van (maximale en minimale) bewaartermijnen: sollicitatiebrieven en cv’s van niet-aangenomen sollicitanten vier weken (Wbp en AVG), tijdsregistratiegegevens 52 weken na de registratie (art. 4.3. Arbeidstijdenbesluit), het kopie ID bewijs bij de werkgever vijf jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking (art 66. lid 4. Uitv. reg. LB), persoonsgegevens volgens de Wmo 15 jaar (art. 5.3.4 Wmo 2015), Arbo-gegevens betreffende kankerverwekkende stoffen en processen minimaal 40 jaar na blootstelling (art. 4.10c lid 4 Arbeidsomstandighedenbesluit) en voor de overheid is er een diversiteit aan bewaartermijnen volgens de Archiefwet 1995, het Archiefbesluit 1995 en de Archiefregeling.
Hof Den Haag 23 april 2013, LJN:CA3041.
Annotatie van S.M.C. Nuyten in JOR 2013/209 bij Hof Den Haag, 23 april 2013, LJN:CA3041.
CBb 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:3 zie ook Rb. Rotterdam, 5 januari 2016,ECLI:NL:RBROT:2016:112.
Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 9 mei 2017 nr. 2017-1209, par. 20.
Zie ook Algemeen Belastingplan 2002-II, onderdeel art. 8b lid 3 Wet VpB; Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 123b; M. Pelinck, Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing. In: Hoofdzaken formeel belastingrecht, E.C.G. Ockhuizen (red.), 2014, p. 122.
Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8313; Hof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6248 en 27 januari 2015 ECLI:NL:GHARL:2015:519; zie ook HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1046.
HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1046.
PHR conclusie A-G Keus 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:44, par. 2.27.
Het verkrijgen van inzage veronderstelt dat de documenten moeten worden bewaard. Hiervoor geldt in beginsel de algemene verplichting voor ondernemingen – al dan niet rechtspersonen – in het Burgerlijk Wetboek (art. 2:10 lid 3 en 4 BW en art. 3:15i BW). De bewaartermijn is zeven jaar.1 Dit geldt voor de administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.2 Dit omvat, aldus de minister, de balans met de staat van baten en lasten inclusief de onderliggende bescheiden.3 Op het niet nakomen van de algemene bewaartermijn van art. 2:10 BW zijn sancties gesteld.4
De fiscale wetgeving kent naast een eigen administratie- ook een bewaarplicht. Die is in beginsel ook zeven jaar maar kan vanuit specifieke belastingwetgeving langer zijn (art. 52 lid 4 AWR).5 Voor omzetbelastinggegevens geldt in bijzondere gevallen een termijn van tien jaar (Art. 34a Wet op de omzetbelasting). Loonbelastingegevens zoals loonbelastingverklaring en een kopie van het identiteitsbewijs dienen zelfs tot vijf jaar na uit dienststreding te worden bewaard (Art. 23a Uitvoeringsreg. Loonbelasting) Dividendnota’s daarentegen weer korter, namelijk vijf jaar (Art. 3: Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting). De fiscale administratieverplichting en de daaraan gekoppelde bewaarverplichting gaan verder dan de civiele variant.6 In fiscalibus heeft de staatssecretaris de bewaarplicht – voor specifieke onderdelen van de administratie en het ter inzage vragen – uitgewerkt in een besluit.7 Particulieren hebben overigens fiscaal geen bewaarplicht.
De toezichthouder heeft in beginsel te maken met de wettelijke bewaarplicht vanuit het BW. Daarnaast kan vanuit specifieke wetgeving een aanvullende bewaarplicht zijn voorgeschreven. Veelal geldt dan ook een termijn van zeven jaar.8 Maar dit kan ook langer zijn.9 Daarnaast kan vanuit beroepsreglementering aanvullend een bewaartermijn zijn bepaald.10 Op basis van privacywetgeving kan de bewaartermijn juist weer verkort worden. Zo mag een onderwijsinstelling de gegevens van een leerling, na het verlaten van de school, nog maar twee jaar bewaren. Daarna moeten die worden vernietigd.11 Camerabeelden van openbare plaatsen mogen slechts vier weken bewaard worden en moeten daarna worden vernietigd.12 En daarmee is er een grote diversiteit aan termijnen variërend van vier weken tot soms meer dan veertig jaar.13 Met een aanvullend kader voor het bewaren van persoonsgegevens. Die mogen niet langer dan strikt noodzakelijk worden bewaard (art. 10 Wbp en art. 5 sub e AVG).
De Awb kent geen bewaarvordering. Wel kan de toezichthouder tijdens een onderzoek vorderen om eventueel aanvullende gegevens – waarvan inzage wordt gevraagd – te bewaren. Dit kan echter niet tot gevolg hebben dat dit leidt tot ‘een praktisch onbegrensde bewaarplicht’.14 Het bewaren van de gegevens moet redelijk zijn. De minister van Justitie geeft aan dat aanvullende toezichtsbevoegdheden slechts bij formele wet kunnen worden toegekend.15 Tot het vorderen van gegevens waarvoor geen wettelijke bewaarplicht geldt, is de toezichthouder volgens Nuyten niet bevoegd.16 Dat standpunt deel ik aangezien er geen specifieke termijnen voor het toezicht zijn bepaald.
Gegevens die bijvoorbeeld op een whiteboard worden vastgelegd, worden vanwege periodieke schoning niet bewaard. Hierover moeten inlichtingen worden verstrekt (art. 5.16 Awb, maar er is geen inzageplicht (art. 5:17 Awb). Dat daarvoor wel een administratieplicht kan gelden vanuit andere wetgeving – in casu van arbeids- en rusttijden volgens de Arbeidstijdenwet – doet niet ter zake.17
De bewaarplicht kan met de vernietigingsplicht conflicteren. Zo is de fiscale bewaarplicht van gegevens van leerlingen voor een onderwijsinstelling zeven jaar. De vernietigingsplicht voor diezelfde gegevens is twee jaar nadat de leerling de school heeft verlaten.
De fiscale bewaarplicht heeft de staatssecretaris uitgewerkt in een besluit.18 Zolang een stuk actuele waarde heeft, maakt het deel uit van de (jaar)administratie. Is dat niet meer het geval, dan vangt de bewaartermijn van zeven jaar pas aan.19 Ook na het verstrijken van de bewaartermijn kan de inspecteur overigens informatie vragen (ex art. 47 AWR).20 In de jurisprudentie komt het beeld naar voren dat dit zich beperkt tot het (gericht) opvragen van bescheiden (art. 47 lid 1 letter a AWR) en niet tot het (ongericht) verkrijgen van inzage (art. 47 lid 1 letter b AWR). De Hoge Raad is namelijk van oordeel dat ‘art. 47 AWR en art. 52 AWR van elkaar verschillen. Art. 47 AWR verplicht tot het – desgevraagd – verstrekken van gegevens en inlichtingen [MS: en noemt hier niet het voor raadpleging beschikbaar stellen (…)]. Deze verplichting geldt voor alle (vermoedelijk) belastingplichtigen en is niet aan een termijn gebonden.’21
Naar de opvatting van A-G Keus ‘is er, na ommekomst van de bewaartermijn, in het geheel geen verschil tussen de wél- en niet-administratieplichtige, voor wie nimmer een bewaarplicht heeft gegolden. Beiden zijn en blijven verplicht inlichtingen en bescheiden te verstrekken waarover zij redelijkerwijze (kunnen) beschikken. En ten aanzien van beiden zal zich kunnen voordoen dat bescheiden niet meer beschikbaar zijn (zonder dat zij zich van die bescheiden hebben ontdaan om bepaalde feiten en omstandigheden voor de Belastingdienst te verhullen)’.22 De termijn voor het opvragen van inlichtingen wordt slechts beperkt door de beginselen van behoorlijk bestuur.23