Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.2
I.2 Zes problemen en de onderzoeksvraag
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598611:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Jong & Van Lent 2013, p. 275-280. Zie in dezelfde zin tevens De Jong & Van Lent 2016.
Henrion 2006, bijv. p. 915.
Zie o.a. Dershowitz 2001, p. 79-82; Corcos 2003; Aviram 2014.
Zie dichter bij huis over de rol van de onschuldpresumptie in het opsporingsonderzoek als tegenwicht voor tunnelvisie bijvoorbeeld Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/ Groenhuijsen, aant. 7.7; Buruma 2009 en de memorie van toelichting bij het Conceptvoorstel boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, p. 87.
Sax 1959, p. 987-988.
Manzini 1970, p. 226, respectievelijk Casamayor 1981, p. 80.
Zo bijv. onderzoeken naar nieuwe mogelijkheden op het terrein van DNA-verzameling en -opslag, zoals grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek (Heerema 2005; Toom & M’charek 2011; Toom 2017) meewerkplichten daaraan (Van Kempen & Van der Staak 2013, i.h.b. p. 143-148 en 211) en de opslag van DNA-profielen van vrijgesprokenen (Campbell 2010; Duker 2014) .
Keijzer 1987 geeft nog altijd de meest bruikbare en gebruikte driedeling. Zijn eerste en derde aspect hangen echter wel erg nauw met elkaar samen, terwijl het tweede van de andere twee geheel los lijkt te staan. Corstens/Borgers 2014, p. 45-46 zijn ‘concreter’ dan Keijzer door vijf aspecten te onderscheiden, maar missen daardoor bijvoorbeeld de betekenis na vrijspraak. De onderverdeling van Van Sliedregt (2009, p. 21 e.v.) in vier hoedanigheden bevat hiaten waar het gaat om bijvoorbeeld informatieverstrekking aan de media en nevenbeslissingen in ten gronde reeds besliste strafzaken.
Zie hierna uitvoeriger § III.1.
Vgl. P.H.P.H.M.C. van Kempen, annotatie bij: EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 & 4285/08, NJ 2013, 35 (Ashendon & Jones/Verenigd Koninkrijk); J.H.B. Bemelmans, annotatie bij: EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219 (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Groenboek 2006.
Zie daarover minder kritisch Van Sliedregt 2009, p. 41.
Dat komt overigens ook in de literatuur wel voor. Zie bijvoorbeeld Van den Berg & Heinen 2007, p. 611-612. Volgens hen liggen in art. 6 lid 2 EVRM de cautieplicht, het zwijgrecht, nemo tenetur, ne bis in idem, equality of arms en het beginsel geen straf zonder schuld besloten.
Richtlijn 2016/343. Vgl. daarover Van Noorloos 2016, die zich afvraagt (p. 168) of de richtlijn wel een helder(der) kader en een adequaat beschermingsniveau biedt en Nan (2016): “In de richtlijn worden ook onderdelen geregeld die weinig tot niets met de onschuldpresumptie te maken hebben, maar er met de haren worden bijgesleept.”
Zie aan de ene kant bijv. Spronken 2012; De Roos 2014; de adviezen RvdR 2013; RSJ 2013; NOvA 2013 en tevens NRC Handelsblad 10 november 2012, “Juristen: plannen regeerakkoord in strijd met onschuldbeginsel”. Vgl. voorts genuanceerd Van Sliedregt 2015 die het voorstel niet met het EVRM maar wel met de ‘spirit’ van de onschuldpresumptie strijdig acht. Zie aan de andere zijde bijv. Bleichrodt, Mevis & Volker 2012, p. 132-136 en vooral de MvVenJ in Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 12 en nr. 4, p. 2-3 en Kamerstukken II 2010/11, 32 319, nr. 7, p. 25-27.
Bijv. Buruma 1999, p. 362; Brackmann & Geraedts 2003.
Zie bijv. Corstens, annotatie bij: HR 15 juli 1993, NJ 1994, 177; Den Hartog 1992, p. 294; Van Russen Groen 1998, p. 186-188 en daarover nader Van Luijk 2015, p. 300-302.
Zie EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, dec., NJ 2013, 361, m.nt. Van Kempen (Bingöl/ Nederland), resp. EHRM 19 oktober 2004, nr. 66273/01, dec., NJ 2005, 429, NJCM 2005, p. 437-443, m.nt. Van Kempen (Falk/Nederland).
Bijv. Trechsel 1981, p. 319; Van Dijk 1982; Viering & Fleuren 1986, p. 462-463; Nijboer 1989, p. 381; Crijns 2002, p. 520.
Zie bijvoorbeeld EHRM 17 mei 2011, nr. 57655/08, NJ 2012, 307 (Suhadolc/Slovenië) en vooral de annotatie van Van Kempen bij dat arrest.
Zie hierna uitgebreid hoofdstuk II.
Bijv. Den Hartog 1990, p. 137; Llobet Rodríquez 1995, p. 122-128 en 134-150; Albrecht 2002, p. 357-358 en 368.
Zie – onder velen – bijv. Uit Beijerse 2008; Janssen, Van den Emster & Trotman 2013; Mols 2015. Zie in dat verband ook Buruma 2010a; Buruma 2013 over de toename van schadevergoedingen voor het ten onrechte ondergaan daarvan.
Zie Uit Beijerse 2009.
RvdR 2011, p. 3 en 4; Haveman & Van Lent 2012; Klip 2012. Vgl. ook in die richting Kooijmans 2012, p. 226-227. Zie voorts het debat over het wetsvoorstel in met name de Eerste Kamer, Handelingen I 2013/14, 33 360, nr. 28.
Zie Van Kempen & Kristen 2005, p. 319 en vooral Stevens 2009, p. 167-171; Stevens 2013.
Vgl. bijv. Groenhuijsen 2000, p. 95-97.
Vgl. Trechsel 2005, p. 165 e.v.; Mackor & Geeraets 2013, p. 167.
Zie bijv. Kristen 1998, p. 49; Blomsma 2012, p. 225 e.v.; De Hullu 2015, p. 213-215; Van Kempen & Bemelmans 2015, p. 546-553 en Van Luijk 2015. Zie daarover nader en met meer verwijzingen, § III.5.2; § V.4.
Zie bijv. EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus).
EHRM (GK) 17 december 1996, nr. 19187/91, NJ 1997, 699, m.nt. Knigge, par. 68 (Saunders/Verenigd Koninkrijk); EHRM 21 december 2000, nr. 36887/97, par. 40 en 60 (Quinn/ Ierland); EHRM 21 december 2000, nr. 34720/97, par. 40 en 59 (Heaney en McGuinness/ Ierland); EHRM 18 februari 2010, nr. 39660/02, par. 38 (Zaichenko/Rusland).
Zie Groenboek 2006, p. 8-9; Zo bijv. ook Schubarth 1978, p. 8.
Zie bijv. EHRM 20 januari 2009, nr. 75909/01 (Sud Fondi SRL e.a. t. Italië); EHRM 29 oktober 2013, nr. 17475/09, EHRC 2014/33, m.nt. Mols (Varvara/Italië).
Bijv. EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge (Sekanina/Oostenrijk) en met name de annotatie van Knigge bij het arrest.
‘Strafrechtelijk’ in autonome zin, voor alle duidelijkheid. Zie daarover ook § V.3.2.
EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland); EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1, m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).
Zie in die zin Trechsel 2005, p. 190-191; Hildebrandt 2016, p. 191-193.
Bijv. Pompe 1959, p. 149; Veegens 1960, p. 46 en 54; Meuwissen 1968, p. 446; zie voorts A-G Van Oosten, conclusie vóór HR 12 januari 1960, NJ 1960, 273, m.nt. Pompe. Ook Van der Plas (1981, p. 98) had twijfels over de verankering van het beginsel in het Nederlandse straf(proces)recht.
Onduidelijkheden en vragen rondom de onschuldpresumptie, hierna overigens ter afwisseling ook wel aangeduid als ‘onschuldvermoeden‘, ‘vermoeden van onschuld’ of ‘presumptie van onschuld’, betreffen ten eerste het abstracte karakter ervan. Anders dan voor de meeste strafvorderlijke rechtsprincipes kan men zich voor het onschuldvermoeden afvragen of het een louter positiefrechtelijk principe is en zelfs of de juridische betekenis wel de belangrijkste is. De presumptie van onschuld wordt namelijk naast een juridische, ook frequent een zekere niet-juridische – maar bijvoorbeeld psychologische, retorische of organisatieculturele – functie toegedicht.
Zo zien De Jong & Van Lent het principe als een ‘contrafactische notie’ die niet zozeer een concrete positiefrechtelijke waarde vertolkt, maar eerst en vooral een abstracte functie vervult.1 De onschuldpresumptie heeft volgens hen vooral de niet geheel in positief recht om te zetten bedoeling de strafprocedure te omgeven met een sfeer van voorlopigheid tot aan het schuldoordeel. Daarmee vormt zij dan bij uitstek het tegenwicht voor tendensen om zo snel, efficiënt en slachtoffergericht mogelijk op te sporen, te berechten en sancties ten uitvoer te leggen. In diezelfde lijn ziet Henrion een culture du doute als één van de belangrijkste vruchten van een goed functionerende onschuldpresumptie.2 Grote gevaren voor de strafrechtspleging, zoals tunnelvisie, zijn eveneens in verband gebracht met een vooral in de Verenigde Staten in de organisatiecultuur van politie en justitie geworteld ‘vermoeden van schuld’.3 Ook in die benadering lijkt de onschuldpresumptie dus als cultureel contragewicht te worden beschouwd.4
Daarnaast zien verschillende auteurs het vermoeden van onschuld als een daadwerkelijk, cognitief vermoeden dat de verdachte onschuldig is aan het hem tenlastegelegde. Zo acht Sax de onschuldpresumptie een ‘psychologische kwestie’, de natuurlijke tegenpool van de verdenking waarmee het principe voortdurend communiceert en in conflict komt.5 Sax zelf ziet daar grote waarde in. Anderen beschimpen echter een psychologisch onschuldvermoeden. Kwalificaties als ‘absurd’ en ‘een absolute leugen’ zijn de presumptie in dat verband ten deel gevallen.6 Verschil van inzicht over het karakter van de onschuldpresumptie leidt klaarblijkelijk tot uiteenlopende oordelen over de intrinsieke waarde ervan.
Het blijft echter niet bij verwarring en onduidelijkheid op abstract niveau. Ten tweede is de innerlijke coherentie van het beginsel, of inwendige samenhang op een concreter, juridisch niveau niet evident. De onschuldpresumptie is populair gereedschap voor de strafrechtscriticus, maar meeromvattende beschouwingen over het thema zijn schaars. Veelal komt het principe zijdelings aan bod waar een regeling, voorschrift, bevoegdheid of praktijk daarmee (mogelijkerwijs) op gespannen voet staat.7 De spaarzame literatuur waarin meer dan één aspect aan de orde komt, mist op het oog overtuigingskracht. Deze baseert zich doorgaans namelijk op een verzameling van deelaspecten die ogenschijnlijk niet consequent zijn gekozen of het principe onvolledig lijken te vertegenwoordigen.8 Evenmin wordt duidelijk wat de verschillende deelaspecten met elkaar verbindt en waar het principe dan in de kern op neerkomt. Vooral tussen de onschuldpresumptie in de bewijsrechtelijke sfeer enerzijds en in de sfeer van de bejegening van de verdachte anderzijds, is een innig verband tot op heden niet overtuigend gelegd zonder dat duidelijk wordt of dit wel of niet mogelijk is.9
Ook de rechtspraak van het EHRM biedt die samenhang op het eerste gezicht niet. De casuïstische werkwijze van het Hof maakt de jurisprudentie fragmentarisch. Bovendien is de rechtspraak ogenschijnlijk weinig coherent en zijn ratio, inhoud en reikwijdte onvoldoende geconcretiseerd.10 Ontwikkelingen binnen de EU verhelpen dat niet, maar lijken meer vragen op te werpen. In 2006 verscheen een Groenboek over het vermoeden van onschuld.11 Daarmee ging de Europese Commissie na of het vermoeden van onschuld in de gehele EU dezelfde betekenis heeft en wat nu exact onder de onschuldpresumptie wordt verstaan. De omschrijving van de EC zelf wekt de indruk dat de onschuldpresumptie een samenraapsel van acht normen is zonder evident onderling verband.12 Sommige van die aspecten weerspiegelen een afzonderlijk rechtsbeginsel (zwijgrecht, nemo tenetur), terwijl andere uitblinken in vaagheid (voor confiscatie van goederen is een billijk proces nodig).13 Uit de begin 2016 vastgestelde EU-richtlijn on the strengthening of certain aspects of the presumption of innocence and the right to be present at trial in criminal proceedings (hierna: de richtlijn), die door de lidstaten op 1 april 2018 moet zijn geïmplementeerd, blijkt die samenhang op het eerste gezicht evenmin.14
Door deze onzekerheid over de interne samenhang en coherentie is niet steeds duidelijk wat de toepassingen van het principe in verschillende fasen van het strafrecht met elkaar gemeen hebben en wat de verschillende normen die uit de onschuldpresumptie worden afgeleid, met elkaar verbindt. Dat vraagt om een meer gefundeerde analyse van de betekenis van het vermoeden van onschuld.
Die analyse draagt tevens bij aan het antwoord op een derde nog altijd niet beslechte vraag. In hoeverre kan de onschuldpresumptie uiteindelijk daadwerkelijk maatgevend zijn voor de juridische kwesties waar het beginsel aan raakt? Het vermoeden raakt weliswaar aan diverse strafvorderlijke onderwerpen, maar vaak rijst de vraag of de onschuldpresumptie daarin per saldo wel sturend is. Critici bepleiten regelmatig dat iets in strijd is met de onschuldpresumptie, maar daartegen wordt vervolgens veelal ingebracht dat het zo’n vaart niet loopt, gelet op de minder strikte rechtspraak van het EHRM. De discussie over dadelijke tenuitvoerlegging van in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraffen is daarvan een goed voorbeeld. Diverse auteurs betoogden dat dit voorstel het tegen de onschuldpresumptie aflegt, terwijl anderen in de jurisprudentie van het EHRM toch vooral aanknopingspunten zagen voor toelaatbaarheid ervan.15
In vergelijkbare, eerdere situaties bleek in Straatsburg meestal meer geoorloofd dan in de literatuur werd aangenomen. Zo brachten de Wet Bibob16 en de kentekenaansprakelijkheid in de Wet Mulder17 in Nederlandse literatuur veel teweeg, maar achtte het EHRM klachten daarover niet eens ontvankelijk.18 Ook strafrechtelijke veroordeling zonder rechterlijke tussenkomst – door de Wet OM-afdoening mogelijk gemaakt – werd lange tijd op grond van de onschuldpresumptie uit den boze geacht.19 Van de strafbeschikking mag inmiddels echter eveneens worden verondersteld dat zij in abstracto niet op Straatsburgs verzet zal stuiten.20
Waarschijnlijk het meest pregnant is deze kwestie als het gaat over strafvorderlijke dwangmiddelen in het algemeen en de regeling en toepassing van voorlopige hechtenis in het bijzonder. De onschuldpresumptie zoals wij die kennen vormde onder meer een reactie op onbeteugelde toepassing van dwangmiddelen ten tijde van het ancien régime.21 Tegen die achtergrond zou men verwachten dat de normerende kracht van de presumptie voor de meest verstrekkende dwangmiddelen groot is. Dat is echter verre van zeker. Inderdaad hebben bestaande en breed geaccepteerde gronden,22 de algemene toepassingspraktijk,23 een nieuwe schorsingsregeling van voorlopige hechtenis bij jeugdigen24 en toepassing van snelrecht als nieuwe grond voor voorlopige hechtenis25 het allemaal wegens veronderstelde strijd met het vermoeden van onschuld in de literatuur moeten ontgelden. Des te opvallender is het dat juist in dat opzicht van de onschuldpresumptie – in elk geval in de rechtspraak van het EHRM – weinig normerende kracht lijkt uit te gaan.26 Hooguit lijkt het principe daarin een abstract gewicht te dragen dat in een belangenafweging over de toepassing van een dwangmiddel moet worden betrokken.27
De vraag wat nu uiteindelijk de juridisch-praktische waarde is van de onschuldpresumptie, is dan ook reëel en urgent.
Een vierde probleem betreft de verhouding met andere rechtsbeginselen en fundamentele rechten. De hiervoor genoemde kwestie over voorlopige hechtenis gaat – enigszins anders geformuleerd – in wezen tevens over de mate waarin de onschuldpresumptie voor strafvorderlijke dwangmiddelen zelfstandige betekenis heeft naast andere fundamentele rechten, zoals in het geval van voorlopige hechtenis het in onder meer artikel 5 EVRM neergelegde recht op fysieke vrijheid.28
Ook met diverse andere belangrijke pijlers onder een beschaafde strafrechtspleging houdt het vermoeden rechtstreeks verband.29 Zo is menig pen bewogen door de vraag of het onschuldvermoeden ook een materieel schuldbeginsel (geen straf zonder schuld) impliceert.30 De relatie met de rechterlijke onpartijdigheid springt eveneens in het oog.31 Maar is één van beide een verschijningsvorm van de ander of betreffen het afzonderlijke uitgangspunten die elkaar louter overlappen? Ook het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel zijn volgens het EHRM closely linked met de onschuldpresumptie.32 Niet evident is hoe. In het Groenboek is dat uitgelegd als zouden het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel onderdeel zijn van de onschuldpresumptie en die opvatting komt men ook in de literatuur tegen.33 Die uitleg lijkt echter niet te stroken met de verhouding tussen lid 1 en 2 van artikel 6 EVRM, respectievelijk tussen lid 2 en 3 (g) van artikel 14 IVBPR. In de richtlijn zijn zij bovendien wel weer in afzonderlijke bepalingen ondergebracht. Soortgelijke vragen bestaan over de externe samenhang van de onschuldpresumptie met andere beginselen, waaronder in elk geval het recht op een eerlijk strafproces in brede zin, het legaliteitsbeginsel34 en de idee dat de rechtsstrijd eens moet eindigen, lites finiri oportet.35 Dat bemoeilijkt nadere duiding en precieze afbakening van het principe en de normerende kracht ervan.
Ten vijfde het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie. De meeste mensenrechtenverdragen verbinden aan toepasselijkheid van het onschuldvermoeden de voorwaarde dat de rechtsdrager charged with a criminal offence is. Die voorwaarde beperkt het toepassingsbereik tot strafrechtelijke aangelegenheden.36 Tevens lijkt daarin een beperking besloten te liggen van wat ik in dit boek zal aanduiden als het temporele toepassingsbereik. Daarmee bedoel ik dat alleen de verdachte gedurende de tegen hem lopende charge op het onschuldvermoeden een beroep kan doen. Die beperking blijkt echter niet altijd op te gaan. Zo vonden de drie Nederlandse EVRM-schendingen van artikel 6 lid 2 EVRM alle drie plaats nadat de strafzaak tegen de verdachte reeds was beëindigd.37 Begrijpt men de onschuldpresumptie als de rechtsstatelijke eis iemand van overheidswege geen beoogd leed toe te voegen voordat schuld aan een strafbaar feit is vastgesteld, dan valt niet direct in te zien waarom dat recht alleen de verdachte burger zou beschermen. Juist ook de niet-verdachte burger lijkt voor die waarborg in aanmerking te komen.38 Moet de criminal charge-eis dan niet te serieus genomen worden en zou het vervallen van die eis het begrip en een consistente werking van de onschuldpresumptie ten goede komen? Of zijn er overtuigende argumenten voor behoud van dat vereiste?
Ook andere vragen rijzen in verband met het toepassingsbereik. Geldt de onschuldpresumptie onverkort voor de bekennende verdachte? Heeft het beginsel nog betekenis bij de straftoemeting? En in hoeverre bestrijkt het hoger beroep, cassatie en zelfs herziening? Die vragen behoeven eveneens nader onderzoek.
Het zesde en laatste vraagstuk dat hier vermelding verdient, is de werking van de onschuldpresumptie in het Nederlandse strafproces. De onschuldpresumptie is als zodanig niet neergelegd in de Nederlandse Grondwet en evenmin in het Wetboek van Strafvordering. In met name de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw, is verdedigd dat het een Anglo-Amerikaanse inventie betreft die voor het Nederlandse strafprocesrecht niet leidend kan zijn.39 Voorts telt dat in elk geval de EHRM-rechtspraak over artikel 6 EVRM rekening heeft te houden met zeer uiteenlopende procesmodellen. Daardoor is onzeker of het Hof een invalshoek hanteert waarmee het beginsel ook in Nederland optimaal kan functioneren. Kan de Nederlandse strafrechtspleging daardoor wel uitdrukking geven aan het vermoeden van onschuld op een wijze die toereikend is in het licht van onze internationale verplichtingen en die tevens voldoende recht doet aan de achter dat principe schuilgaande waarden? En zo ja, gebeurt dat dan op een evenwichtige, consequente en coherente wijze of behoeven bepaalde aspecten van het Nederlandse strafproces aanpassing?
Het bovenstaande schetst een wezenlijk tekort aan inzicht in inhoud en reikwijdte van de onschuldpresumptie en haar (potentiële) belang voor de Nederlandse strafrechtspleging. Dit boek beoogt dat tekort in belangrijke mate weg te nemen. Bij het hieraan ten grondslag liggende onderzoek, heeft de volgende vraag steeds centraal gestaan:
Wat houdt de onschuldpresumptie in, wat is de ratio ervan en wat is de juridische betekenis ervan voor de Nederlandse strafrechtspleging?
Deze vraag is dan ook tevens de hoofdvraag die in dit boek wordt beantwoord.