Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.6
14.4.6 Uniform tarief van 25%
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452934:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Dit maakt dan weer aanvullende regelingen noodzakelijk om de progressieve tariefstructuur in de inkomstenbelasting tot zijn recht te laten komen, zoals de gebruikelijke-inkomstenregelingen van art. 12a Wet LB en art. 24, vierde lid, Wet IB. Voorts kan worden gewezen op de brief van de staatssecretaris van Financiën van 16 juli 1997, nr. DB97/2159U, V-N 1997, blz. 2837, in welke brief wordt aangekondigd op te zullen treden tegen situaties van financiering van een houdstermaatschappij die de aandelen van een werkmaatschappij verwerft.
Het in het regeerakkoord 1998 opgenomen voorstel om het aanmerkelijkbelangtarief te verhogen naar 30% onder gelijktijdige verlaging van het maximale inkomstenbelastingtarief naar 51 % a 53%^>, is mijns inziens dan ook een verkeerd signaal, Tweede Kamer, Kamerstuknr. 26 024, nr. 9, blz. 95. Hierdoor komt de cumulatieve aanmerkelijkbelangdruk immers boven het maximale inkomstenbelastingtarief te liggen, hetgeen mijns inziens evenzeer onacceptabel is als de huidige situatie, waarin het cumulatieve aanmerkelijkbelangtarief onder het maximale inkomstenbelastingtarief ligt. In dezelfde zin L.G.M. Stevens, Fiscale beleidsnotities 1999, WFR 1998/6308, blz. 1352.
J. Doornebal betoont zich in zijn discussiebijdrage op de Belastingadviseursdag 1995 van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs een voorstander van deze benadering, De aandeelhouder onder schot, discussiebijdrage, Belastingadviseursdag 1995, de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs, blz. 64-68, Fed, 1995.
Overigens kan men zich afvragen of onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nog voldoende reden bestaat om het aanmerkelijkbelangtarief van 25% pas toepasselijk te achten wanneer de tweede tariefschijf wordt overschreden. In de huidige systematiek is voor aanmerkelijkbelanghouders sprake van een degressieve belastingheffing. Er zou ook voor kunnen worden gekozen om het aanvullende aanmerkelijkbelangtarief reeds in de eerste tariefschijf te laten gelden. Bij de huidige tariefstellingen van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting zou in de eerste tariefschijf een aanmerkelijkbelangtarief van 1,15% (afgerond) moeten gelden, in de tweede tariefschijf een tarief van 3,15%> (afgerond), in de derde tariefschijf 23,05% (afgerond) en in de vierde tariefschijf 38,45%> (afgerond).
In dezelfde zin L.G.M. Stevens, Herbezinning op rente, WFR 1997/6235, blz. 319.
Het huidige aanmerkelijkbelangtarief bedraagt 25%), hetgeen een cumulatieve druk van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting oplevert van 51,25%, welk tarief 8,75% lager dan het tabeltarief van maximaal 60%>. Dit verschil van 8,75% leidt weer tot nieuwe tariefsarbitrage, waarbij progressief belast (loon)in-komen op het moment dat de derde tariefschijf wordt overschreden, wordt ingewisseld voor proportioneel belast (dividend)inkomen, welke tariefarbitrage toch op voorhand had moeten worden vermeden.1 Mijns inziens had een tarief voor de hand gelegen dat slechts de functie vervulde om het vennootschapsbelastingtarief van 35% aan te vullen tot het in de inkomstenbelasting gewenste tariefniveau. Anders gezegd, het aanmerkelijkbelangtarief dient naar mijn oordeel niet zelfstandig te worden vastgesteld, doch louter als een rekentechnische grootheid te worden beschouwd ter aanvulling op het vennootschapsbelastingtarief dat in een eerdere fase reeds op het niveau van de vennootschap is geheven. Gelet op de huidige tariefniveau's in de vennootschapsbelasting - 35%> ^- en de inkomstenbelasting - maximaal 60% ^- had mijns inziens dan ook een aanmerkelijkbelangtarief van 38,45% (afgerond) 25%> voor de hand gelegen.2 Hierbij zou er overigens ook voor kunnen worden gekozen om het aanmerkelijkbelangtarief gedifferentieerd vast te stellen, waarbij in het aanmerkelijkbelangtarief de progressieve tariefstructuur in de inkomstenbelasting tot uitdrukking wordt uitgebracht.3 Gelet op het feit dat het aanmerkelijkbelangtarief pas in beeld komt wanneer (met ingang van 1 januari 1999) de tweede tariefschijf is overschreden, kan bij de huidige tariefstellingen van vennootschapsbelasting ad 35% en inkomstenbelasting ad 50%o resp. 60% worden volstaan met een tweeschij-ventarief van 23,05%> (afgerond) tot een belastbare som van ƒ 105 954 (1999) en 38,45% (afgerond) daarboven.4
Van fundamentele aard is de vraag op welke wijze de (aftrekbare) kosten die dienen ter verwerving, inning en behoud van de reguliere voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen in de aanmerkelijkbelangregeling moeten worden verwerkt. Zoals uit hoofdstuk 6, onderdeel 6.3 is gebleken, worden de aftrekbare kosten als een zgn. verlies uit aanmerkelijk belang op de voet van art. 60 Wet IB in aanmerking genomen en zijn aldus tegen het proportionele tarief van 25% verrekenbaar met de overigens door de belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. Hierbij wordt mijns inziens ten onrechte over het hoofd gezien dat de aftrekbare kosten de voordruk vennootschapsbelasting ontberen, welke voordruk de legitimatie is van het 25%-tarief. Naar mijn mening dienen de aftrekbare kosten voortaan, evenals dat tot 1 januari 1997 het geval was, tegen het normale tabeltarief van maximaal 60% in aanmerking te worden genomen.5 Hierdoor kunnen tevens de specifieke uitzonderingen op de aftrek tegen het 25%>-tarief in art. 20b, tweede en derde lid, Wet IB - renten van zgn. overbedelingsschulden en reële bedrijfsovernemingsschulden - waarvan reeds is gebleken dat die niet in alle gevallen naar tevredenheid uitwerken (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.3.1 en 6.3.2), vervallen.