Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/6.4.2
6.4.2 Cao-overleg
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS401736:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Utrecht 4 november 1987, NJ 1988/676, r.o. 19: “Hierbij komt mede betekenis toe aan de uitgangspunten die […] in het publiekrecht, in het bijzonder in het bedrijfsorganisatorische arbeidsrecht, worden aanvaard voor de vaststelling van representativiteit van organisaties van werknemers of ondernemers. In de verhouding tussen pp. zijn deze uitgangspunten weliswaar niet rechtstreeks van toepassing, maar er is voldoende grond voor toepassing bij wege van analogie.”
Rb. 's-Gravenhage 5 september 1989, KG 1989, 366.
Gerechtshof Arnhem 14 maart 1993, JAR 1995/96.
Pres. Rb. Utrecht 8 april 1997, JAR 1997/115.
Rb. Rotterdam 23 mei 1993, KG 1993, 239.
Rb. Rotterdam 19 september 2008, JAR 2008/272. Zie ook nog: Rb. Utrecht 28 april 1999, JAR 1999/115; Rb. Amsterdam 20 januari 1982, NJ 1982/101; Rb. Utrecht 2 februari 2011, RAR 2011/72; Rb. Alkmaar 18 februari 2010, RAR 2010/65; Gerechtshof Amsterdam 26 oktober 2010, JAR 2010/308; Rb. ’s-Gravenhage 28 oktober 2005, RAR 2005/46; HR 8 juni 2007, NJ 2007/464.
Uitgangspunt in het cao-overleg is dat vakorganisaties in beginsel zelf bepalen met wie en waarover zij collectief onderhandelen. Dit uitgangspunt kan worden beperkt. Een vakbond die een groot aantal werknemers in het bedrijf of de branche vertegenwoordigt en representatiever is dan andere vakbonden, heeft in beginsel recht op toelating tot de onderhandelingen over een nieuwe cao. Welke criteria zijn bij de beoordeling van de representativiteit van belang?
De Rechtbank Utrecht overwoog in 1987 dat de vraag wanneer een organisatie onvoldoende representatief is niet in algemene zin kan worden beantwoord en dat het antwoord afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling dient volgens de rechtbank niet alleen gewicht toe te komen aan de totale organisatiegraad in een bedrijf of sector, het aantal leden van de vakbond in relatie tot andere vakbonden (die wel werden toegelaten tot het cao-overleg) en de spreiding van het ledenbestand, maar ook aan de gezichtspunten die volgens de SER relevant zijn bij de samenstelling van publiekrechtelijke organisaties.1 Ik verwijs voor die gezichtspunten gemakshalve naar paragraaf 3.5.2.1. In 1989 kende de Rechtbank ’s-Gravenhage bij de beantwoording van de vraag of een vakbond moest worden toegelaten tot het cao-overleg gewicht toe aan de omstandigheid dat de vakbond die toelating tot het cao-overleg vorderde ongeveer 25% van de georganiseerde werknemers vertegenwoordigde. Daarnaast was voor toelating tot het overleg relevant dat de vakbond in het verleden steeds op enigerlei wijze betrokken was geweest bij het arbeidsvoorwaardenoverleg en zich daarbij constructief had opgesteld en wezenlijke inbreng had gehad en dat het niet aannemelijk was dat door een toelating tot het cao-overleg het overleg aanmerkelijk zou worden vertraagd.2
Het Gerechtshof Arnhem oordeelde in 1995 dat de vakbond die toelating tot het cao-overleg vorderde niet kon worden aangemerkt als evident representatief omdat de vakbond slechts 7% van de duizend werknemers vertegenwoordigde die onder de cao vielen, terwijl AbvaKabo (de vakbond waarmee werd onderhandeld) 17,5% van deze werknemers vertegenwoordigde. Het gerechtshof achtte daarbij eveneens relevant dat de betrokken vakbond een algemene vereniging was waarvan het lidmaatschap openstond voor alle personen voor wie de cao gold. Daarmee was zij vergelijkbaar met AbvaKabo die eveneens ten behoeve van alle werknemers opkwam en niet voor een specifieke groep. In het verlengde daarvan gold dat de vakbond geen concrete feiten en omstandigheden had gesteld waaruit bleek dat de door de vakbond vertegenwoordigde werknemers specifieke cao-wensen hadden en welke belangen hij in het cao-overleg zou willen behartigen. Derhalve kon er volgens het hof niet van worden uitgegaan dat de arbeidsvoorwaarden van de door de vakbond vertegenwoordigde groep van werknemers bij het cao-overleg door de andere vakbonden onvoldoende aan bod zou komen.3 Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de Rechtbank Utrecht in 1999 toen vakbond ‘Het Zwarte Corps’ toelating tot het overleg over de cao voor landbouwwerktuigen exploiterende ondernemingen vorderde. Het cao-overleg werd van oudsher gevoerd door Voedingsbond FNV en Industrie- en Voedingsbond CNV. Het Zwarte Corps kon niet aannemelijk maken hoeveel leden zij had die onder de werking van voornoemde cao zouden vallen en volgens de rechtbank kon derhalve niet worden aangenomen dat zij meer leden had dan de Voedingsbonden FNV en CNV. Daarnaast overwoog de rechtbank dat Het Zwarte Corps niet duidelijk kon maken welke specifieke belangen hij, naast de door Voedingsbonden FNV en CNV in brede zin vertegenwoordigde werknemersbelangen, in het cao-overleg wilde behartigen.4 In een zaak die speelde bij de Rechtbank Rotterdam in 1993 vond de rechtbank het vanwege de hoge organisatiegraad van de vakbond niet relevant wat de bijzondere inbreng van een vakbond (FHV) was die toegelaten wilde worden tot het cao-overleg. De organisatiegraad van FHV bedroeg 25% en lag daarmee hoger dan de organisatiegraad van Vervoersbond CNV (rond de 10%). Dat de organisatiegraad van Vervoersbond FNV op 60% lag en dat FHV en FNV dezelfde doelen nastreefden deed daaraan niet af. Volgens de rechtbank kan elke stem aan de onderhandelingstafel van invloed zijn, maar dan moet die stem wel de gelegenheid krijgen door te klinken.5 De Rechtbank Rotterdam wees in 2008 een verzoek van FNV Bondgenoten tot toelating tot overleg over een ondernemings-cao bij CdMR af, omdat FNV Bondgenoten in vergelijking tot de vakbond die onderhandelde over de cao (werknemersvereniging CdMR) onvoldoende werknemers van CdMR vertegenwoordigde. Werknemersvereniging CdMR vertegenwoordigde 80% van de werknemers van CdMR terwijl FNV Bondgenoten slechts 15% van de werknemers vertegenwoordigde. Een percentage van 15% achtte de rechtbank in absolute zin als in relatieve zin (dus in vergelijking tot de organisatiegraad van CdMR) te gering om tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden.6