Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.3.3.3
2.3.3.3 Zelfstandig beroep uitoefenen – natuurlijk persoon en/of rechtspersoon
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180136:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op de administratieplicht voor contractuele vennootschappen kom ik terug in paragraaf 5.2.2.
Dat een rechtspersoon een bedrijf kon uitoefenen en daarmee behoorde tot de kring van entiteiten waarop artikel 6 WvK van toepassing was, bleek bij de wijziging van artikel 6 lid 1 WvK per 1 januari 1935 duidelijk uit de Memorie van Toelichting (zie paragraaf 2.2.3.3).
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932- 1933, nr. 253.3 (MvT), p. 5-6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5-6.
T.J. Dorhout Mees, Kort begrip van het Nederlands handelsrecht, Haarlem: De Erven F. Bohn 1956, tweede druk, p. 17 en T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht. I: Inleiding en ondernemingsrecht, Arnhem: Gouda Quint 1978, achtste druk, p. 51.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/13, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/30, J.B. Huizink, Groene Serie Rechtspersonen (losbladig), Deventer: Kluwer, artikel 2:64 BW, aant. 4.1.
J.B. Huizink, Groene Serie Rechtspersonen (losbladig), Deventer: Kluwer, artikel 2:64 BW, aant. 4.2.
L. Timmerman, ‘Het Nederlandse vennootschapsrecht tussen 1918 en 2018, enkele schetsmatige opmerkingen’, 100 jaar Handelsrecht. Over heden, toekomst en verleden. Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ 2018, Jubileumuitgave Vereeniging ‘Handelsrecht’ 1918-2018, Zutphen: Uitgeverij Paris 2018, p. 72.
P.M. van der Zanden, Maatschappelijk aanvaardbare normen voor de jaarrekening en goed koopmansgebruik (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer Bedrijfswetenschappen 1991, p. 103-104, J.B. Huizink, Bestuurders van rechtspersonen (diss. Groningen), IVO, deel 7, Deventer: Kluwer 1989, p. 2-3, J.B. Huizink, Groene Serie Rechtspersonen (losbladig), Deventer: Kluwer, artikel 2:64 BW, aant. 4.2 en P. van Schilfgaarde, J.D.M. Schoonbrood, J.W. Winter en J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2017, zeventiende druk, paragraaf2.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E.A. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 33.
Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 10 september 2002, ECLI:EU:C:2002:473.
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 10 september 2002, ECLI:EU:C:2002:473, paragraaf 31.
In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 3:15a BW is niet aan de orde geweest of het zelfstandig uitoefenen van een beroep is voorbehouden aan natuurlijke personen of dat ook rechtspersonen dat kunnen doen. Wanneer de woorden “een ieder” in artikel 3:15a BW letterlijk worden genomen, lijkt het voor de hand te liggen te concluderen dat niet alleen een natuurlijk persoon maar ook een rechtspersoon1 zelfstandig een beroep kan uitoefenen.2
Op basis van de Memorie van Toelichting3 en de Memorie van Antwoord4 bij de wijziging van artikel 6 WvK per 1 januari 1935, meen ik dat de wetgever met de zelfstandige uitoefening van een beroep het oog had op natuurlijke personen en niet zozeer op rechtspersonen. De discussie die toen werd gevoerd had weliswaar geen betrekking op het toevoegen van zelfstandige beroepsbeoefenaren aan artikel 6 WvK, maar ging over de vraag wanneer sprake was van het voeren van een bedrijf. In die discussie werd de vraag opgeworpen of bijvoorbeeld artsen, advocaten en notarissen een bedrijf voerden. Geoordeeld werd dat dat niet het geval was vanwege de persoonlijke kwaliteiten dan wel ambtelijke hoedanigheid van de beroepsbeoefenaar. Zoals hiervoor beschreven werd bij de accountant een onderscheid gemaakt tussen de accountantsfirma’s, waarbij de individuele kwaliteiten van de accountants/firmanten op de achtergrond bleven en die waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de individuele accountant wel een speciaal cachet geven aan zijn dienstverlening. In het eerste geval was sprake van het uitoefenen van een bedrijf en in het tweede van het uitoefenen van een beroep. Omdat voor het uitoefenen van een beroep de persoonlijke kwaliteiten van groot belang waren, lijkt het logisch dat het beroep niet door een rechtspersoon kan worden uitgeoefend.5
Ten tijde van de invoering van Boek 2 BW is de wijze waarop over rechtspersonen wordt gedacht echter wel veranderd. Toen de relevante wetgeving voor de naamloze vennootschap nog in het Wetboek van Koophandel was te vinden, werd over deze – en andere in het Wetboek van Koophandel geregelde – rechtspersonen primair gedacht als samenwerking in vennootschappelijk verband.6 Vanuit dat perspectief is het niet onbegrijpelijk dat bij de naamloze vennootschap niet direct werd gedacht aan een zelfstandig opererende beroepsbeoefenaar. Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw is de contractuele visie gewijzigd in de institutionele leer, waarbij de vennootschap-rechtspersoon een organisatorisch geheel is dat los staat van de aandeelhouders. Het is deze institutionele visie die ten grondslag heeft gelegen aan Boek 2 BW.7 In deze institutionele visie wordt de vennootschap-rechtspersoon gezien als een organisatie waarin de aandeelhouders, evenals de overige deelnemers zoals bestuurders en commissarissen en werknemers, een bepaalde rol vervullen.8 De vennootschap-rechtspersoon wordt gezien als een eigen entiteit, die door rechtsregels van eigen aard wordt geregeerd.9
De institutionele visie op de rechtspersoon wordt ook nog in een andere betekenis gebruikt, namelijk in de opsomming “reëel, instrumenteel, institutioneel”.10 De reële visie is met name relevant bij aandelentransacties omdat het uitgaat van de rechtspersoon als verband van goederen, dat een verhandelbaar vermogensobject is en als zodanig voorwerp kan zijn van een rechtsverhouding of rechtshandeling. In de instrumentele visie wordt de onderneming gezien als een door het recht gegeven mogelijkheid, een constructie, als instrument ten dienste van het economisch streven van de eigenaar, de ondernemer, of de aandeelhouders. In de institutionele visie ligt de nadruk op de rechtspersoon als eigen organisatie van mensen die als zodanig deelneemt aan het economische verkeer met enige zelfstandigheid van de eigenaar-ondernemer of aandeelhouders. Zowel in de institutionele visie als in de instrumentele visie is het goed mogelijk om de rechtspersoon te zien als een rechtssubject dat een beroep kan uitoefenen, net zo goed als het een bedrijf kan uitoefenen.
Ook kan nog worden gewezen op artikel 2:5 BW op grond waarvan – voor wat het vermogensrecht betreft – de rechtspersoon met de natuurlijk persoon gelijk staat, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Zonder uitdrukkelijke andersluidende bepaling in enige wet vind ik in deze bepaling de bevestiging dat een rechtspersoon evenals een natuurlijk persoon een beroep kan uitoefenen. Voor deze rechtspersoon gelden dan dezelfde vermogensrechtelijke consequenties van de zelfstandige beroepsuitoefening als voor de natuurlijk persoon.11
Aan het Europese recht kan ook een argument worden ontleend, namelijk dat bij de beroepsuitoefening geen onderscheid gemaakt moet worden tussen een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. In een procedure voor het Europese Hof van Justitie in 2002 werd als prejudiciële vraag voorgelegd of de vrijstelling van belasting ingevolge de Zesde richtlijn12 uitsluitend geldt indien de gezondheidskundige verzorging wordt verleend door een natuurlijk persoon of dat de vrijstelling los staat van de rechtsvorm van de behandelende ondernemer.13 Het Europese Hof overweegt dat richtlijn 77/388/EEG niet voorschrijft dat de fiscale vrijstelling voor medische diensten alleen van toepassing is wanneer deze diensten worden verricht door een belastingplichtige met een bepaalde rechtsvorm. Voor de vrijstelling is alleen relevant dat er medische diensten worden geleverd door personen met de vereiste beroepskwalificaties. Dat de vrijstelling ook kan gelden voor een rechtspersoon die voldoet aan deze beide eisen, is ook in lijn met de doelstelling van de richtlijn, namelijk dat de kosten voor medische verzorging worden verlaagd. Het is ook in overeenstemming met het beginsel van fiscale neutraliteit, op grond waarvan ondernemers die dezelfde handelingen verrichten ook hetzelfde moeten worden behandeld bij de btw-heffing. Hieraan zou afbreuk worden gedaan wanneer de rechtsvorm waarin de belastingplichtige zijn werkzaamheden verricht relevant zou zijn. Het Europese Hof concludeert dat de rechtsvorm waarin belastingplichtige de medische diensten verricht voor de toepasselijkheid van de fiscale vrijstelling als bedoeld in artikel 13, A, lid 1, sub c van de Zesde richtlijn niet relevant is.14
Hoewel met enige voorzichtigheid, omdat ik geen literatuur heb gevonden waarin een expliciete positieve bevestiging kan worden gevonden, concludeer ik op basis van de veranderde opvatting over de betekenis van rechtspersoonlijkheid en het Europese recht dat ook een rechtspersoon zelfstandig een beroep kan uitoefenen als bedoeld in artikel 3:15a BW.