Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.6.1
2.6.6.1 Inleiding
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS389704:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 10 januari 1990, NJ 1990,466 (OGEM); Hoge Raad 26 juni 2009, NJ 2011, 210ARO 2009, 107, JOR 2009/193, RO 2009/54 (KPN Qwest). Zie ook: Kamerstukken II, 2010-2011,32877, nr. 3, p. 1.
Zie Kamerstukken II, 2010-2011, 32887, nr. 3, p. 15, en Hoge Raad 9 juli 1990, NJ 1991, 51 (Sluis).
De Minister heeft hiermee een verschil in mogelijkheden om het vennootschappelijk beleid te laten onderzoeken willen wegnemen. Kamerstukken II, 2010-2011, 32887, nr. 3, p. 15. Het enquêterecht kan namens de rechtspersoon worden ingediend door het bestuur en de RVC (of niet-uitvoerende bestuurders of een ander toezichthoudend orgaan).
Herziening van het ondernemingsrecht. Rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, Staatsuitgeverij 1965, p. 66.
Hoge Raad 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM).
Zie bijvoorbeeld: Hoge Raad 9 juli 1990, NJ 1991, 51 (Sluis).
Het enquêterecht is een algemene geschillenprocedure op grond van Boek 2 BW die het mogelijk maakt het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming te laten onderzoeken. Een enquête kan sanering en herstel van de gezonde verhoudingen tot doel hebben, maar ook opening van zaken en vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid berust.1 Het onderzoek kan zich uitstrekken over het gedrag van het bestuur en de RVC, maar ook over de aandeelhoudersvergadering en individuele aandeelhouders, zowel in als buiten vergadering.2
Een enquêteverzoek wordt door een enquêtegerechtigde ingediend bij de Ondernemingskamer. Enquêtegerechtigden zijn aandeelhouders die een bepaald percentage of bedrag aan aandelen vertegenwoordigen, de advocaat-generaal en vakbonden. Sinds 1 januari 2013 kunnen ook de rechtspersoon3 en de curator een enquêteverzoek indienen. De enquêtebevoegdheid berust dus zowel bij de factoren kapitaal (aandeelhouders) als arbeid (vakbonden). Het enquêterecht voor de vakbonden vormde voor de Commissie-Verdam een erkenning van de plaats die werknemers in het maatschappelijk bestel innemen. “Omdat in de onderneming de arbeidsfactor een integrerend bestanddeel is, is het redelijk dat door een hem vertegenwoordigende instantie kan worden opgekomen tegen ernstige beleidsfouten op sociaal of economisch gebied die zijn belangen bedreigen.”4 Er is uitdrukkelijk voor gekozen het enquêterecht bij de vakbonden en niet bij de or neer te leggen, maar dit betekent niet dat er in het geheel geen rol is voor de or in het enquêterecht. Deze rol zal ik in paragraaf 2.6.7 behandelen.
Een enquêteprocedure bestaat uit verschillende fasen. In de eerste fase beoordeelt de Ondernemingskamer of er sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid. Indien dit het geval is, volgt een onderzoeksfase onder leiding van door de Ondernemingskamer aangestelde onderzoekers. Vervolgens beoordeelt de Ondernemingskamer aan de hand van het onderzoeksverslag of sprake is van wanbeleid. Van wanbeleid is sprake indien is gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemingsbestuur.5 Het handelen van de aandeelhoudersvergadering kan ook onderwerp van een enquête zijn.6 Indien sprake is van wanbeleid kan de Ondernemingskamer voorzieningen treffen (art. 2:356 BW). Hierbij heeft de Ondernemingskamer meer keuze dan bij art. 26 WOR. Mogelijke voorzieningen zijn: vernietiging van besluiten, ontslag en benoeming van bestuurders en commissarissen en tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer. Gedurende alle fasen van de enquêteprocedure kunnen onmiddellijke voorzieningen worden getroffen (art. 2:349a BW).