Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/9.3.1
9.3.1 Inleiding
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491678:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 6.2 ben ik tot de slotsom gekomen dat fiscale afrekening als hoofdregel terecht is. De drie ficties zijn vervolgens uitgebreid onderzocht in hoofdstuk 7.
Deze vervreemdingsfictie is in hoofdstuk 8 onderzocht. Naar mijn mening is de hoofdregel van fiscale afrekening onterecht voor schuldeisers van de splitsende rechtspersoon en voor houders van opties op vorderingen op de splitser. Zie onderdeel 6.3. Verder is eerder in dit onderzoek de aanbeveling gedaan om de gelijkstellingsbepaling van art. 3.56, lid 5, onderdeel c, Wet IB 2001 uit te breiden, zodat een recht om lidmaatschapsrechten in de splitser te verwerven, wordt aangemerkt als een lidmaatschapsrecht waarop het recht betrekking heeft. Zie onderdeel 6.3.3.
Voor lichamen met vermogenstitels (zoals aandelen) die tot het ondernemingsvermogen behoren, is fiscale facilitering geregeld in art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 2, Wet IB 2001. Deze bepalingen gelden ook voor buitenlands belastingplichtige lichamen (art. 17, lid 3, onderdeel a jo. art. 18, lid 1, Wet VPB 1969). Voor lichamen met vermogenstitels (zoals aandelen) die tot een (technisch) a.b. behoren, is de fiscale begeleiding opgenomen in art. 17, lid 3, onderdeel b in verbinding met art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001. Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 13.
Zie over het onderscheid tussen doorschuifregelingen voor de (fusie- en) splitsingspartners en doorschuifregelingen voor hun participanten ook De Vries, noot BNB 2012/130, onderdelen 2 en 3 en Van der Burgt, FBN 2015/9-49, onderdeel 1.
Zie de onderdelen 4.3 en 9.2.
Een ruisende splitsing betekent voor de splitsende rechtspersoon dat hij vennootschapsbelasting is verschuldigd over de fiscale winst die wordt opgeroepen door de overdrachtsfictie, de verbondenheidsfictie en – in het geval van een zuivere splitsing – de stakingsfictie.1 Een splitsing zonder fiscale belemmeringen houdt naar huidig recht in dat de splitsende rechtspersoon deze fiscale winst niet (of niet geheel) in aanmerking hoeft te nemen.2 Maakt de splitser daarvan gebruik, dan wordt de vennootschapsbelastingclaim doorgeschoven naar een of meer andere belastingsubjecten, namelijk de verkrijgende rechtspersonen. Hoewel daarmee vanuit het perspectief van de splitsende rechtspersoon als belastingsubject sprake is van een inbreuk op de totaalwinst en daarmee van belastingafstel, is vanuit macroperspectief – en dus vanuit het perspectief van de fiscus – feitelijk sprake van uitstel van belastingheffing.
Aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijs- en optiehouders van de splitsende rechtspersoon worden bij de splitsing geacht hun aandelen, lidmaatschapsrechten, vorderingen, winstbewijzen respectievelijk opties te hebben vervreemd.3 De splitsing is daarmee een belastbaar feit. Er wordt een vervreemdingsresultaat gerealiseerd.4 Een splitsing zonder fiscale belemmeringen houdt volgens het huidige recht in dat de genoemde betrokkenen de vervreemdingswinst niet in aanmerking hoeven te nemen.5 De vennootschapsbelastingclaim wordt in dat geval gekoppeld aan de vermogenstitels en vorderingen die zij na de splitsing houden in/op de verkrijgende rechtspersonen en, in het geval van een afsplitsing, in/op de afsplitsende rechtspersoon. Vanuit het perspectief van deze (potentieel toekomstige) participanten en schuldeiser is daarmee sprake van een inbreuk op de jaarwinst. De belastingclaim blijft immers bij dezelfde vennootschapsbelastingplichtige achter, zij het dat deze (deels) is gekoppeld aan andere vermogenstitels en vorderingen.6
Met deze doorschuifregelingen wordt uitdrukking gegeven aan het welvaarts-, neutraliteits- en liquiditeitsbeginsel.7 Aan deze beginselen kan echter in principe ook recht gedaan worden met behulp van een andere methode, namelijk een (uitstel van) betalingsregeling in de invorderingssfeer. Dit roept de vraag op welke methode de voorkeur geniet. Ik beantwoord deze vraag nadat ik beide methoden hierna in afzonderlijke onderdelen de revue laat passeren en toets aan het toetsingskader. Wat betreft de fiscaaltechnische toets moet daarbij het volgende worden bedacht. Betoogd kan worden dat uitsluitend een doorschuifregeling kan slagen voor de fiscaaltechnische toets. De redenering hierbij is dat de wetgever voor verwante rechtsfiguren zowel op het niveau van de daarbij betrokken fusiepartners (zie de bedrijfsfusieregeling8, de juridische-fusieregeling9 en de regeling voor bestuurlijke herindeling en herschikking10) als op het niveau van de aandeelhouders en andere participanten (zie de aandelenfusieregeling11 en juridische-fusieregeling12) ook heeft voorzien in doorschuifregelingen. Vergelijkbare doorschuifregelingen bij een splitsing dragen zo beschouwd immers bij aan innerlijke consistentie en een logische en systematische opbouw van de vennootschapsbelasting (onderlinge afstemming). Hierin schuilt echter een cirkelredenering. Ook bij die verwante rechtsfiguren is het namelijk de vraag of een doorschuifregeling te prefereren is boven een betalingsregeling. Ik meen dat slechts tot een zinnig antwoord op die vraag kan worden gekomen aan de hand van de fiscaal-theoretische toets en de toets aan hoger recht in de vorm van het Europese recht. Vervolgens is het afhankelijk van de inhoudelijke vormgeving van de doorschuif- of betalingsregeling of de fiscaaltechnische toets slaagt. Daarom blijft de fiscaaltechnische toets hierna achterwege.