Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.F.6
V.F.6. Onzijdig persoon
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS406035:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
VAN MOURIK, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2006, nr. 59.
De onzijdig persoon die handelt valt - in tegenstelling tot de bewindvoerder - niet onder lid 1 van art. 3:183 BW, doch onder lid 2, Parl. Gesch. Boek 3, p. 614.
Zie R.A. DOZY 2005, (T&C BW) 1:336, aantek. 2. Met dank aan prof. mr. A.J.M. NUY-TINCK.
MvA II, 3771, nr. 6, p. 143.
Op grond van art. 4:150 lid 4 dient voor vereffenaar executeur gelezen te worden.
Er wordt voor het oude recht verwezen naar HR 2 juni 1961, NJ 1961, 410.
Wat de vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft door de onzijdig persoon mag HR 22 januari 1931, NJ 1931, 382, niet uit het oog verloren worden. De onzijdig persoon kan rechtens voor de achterman geen andere verplichtingen aanvaarden dan die voortvloeien uit de hoedanigheid van mede-eigenaar.
Een met de afwikkelingsbewindvoerder zeer verwante persoon voor wie onder omstandigheden een belangrijke taak bij verdelingen weggelegd is, is de onzijdig persoon van art. 3:181 BW. Het is derhalve bij het invulling geven aan de bevoegdheid van de afwikkelingsbewindvoerder bij de verdeling, niet onverstandig ook even bij deze functie stil te staan, een functie die in de rechtspraktijk mijns inziens niet altijd op de juiste waarde wordt geschat. De onzijdig persoon vertegenwoordigt bij de verdeling de deelgenoten en behartigt daarbij hun belangen 'naar eigen beste inzicht'. Het inzicht van de vertegenwoordigende doet er bij deze 'dwangvertegenwoordiging' derhalve niet toe.1
De verwantschap met bewindgaat zelfs zover, dat hij tot aan de afgifte aan de rechthebbende van het toegedeeld goed ook daadwerkelijk het bewind voert, zij het op de voet van art. 1:410 BW.2 Overigens is er nog een concreter verbandte leggen tussen enerzijds executele/afwikkelingsbewind en anderzijds executele/onzijdig persoon. Zoals bekend heeft de zuivere beheersexe-cuteur geen bevoegdheden met betrekking tot de verdeling.Verdelen is in beginsel een aangelegenheidvan de erfgenamen. Na voldoening van de schulden van de nalatenschap geeft de executeur immers de 'overgebleven goederen' af aan de erfgenamen. Op grond van art. 4:150 lid4 juncto 4:226 lid2 BW mag de executeur onder omstandigheden wel de aftrap geven voor de verdeling:
'Zijn de erfgenamen die zich tot de inontvangstneming bereid tonen, slechts tot een deel van de nalatenschap gerechtigd, dan draagt de executeur zorg dat de nalatenschap eerst wordt verdeeld'. (Curs. BS).
Dit speelt indien niet alle erfgenamen bekendzijn of niet allen bereidzijn de goederen in ontvangst te nemen. De vraag komt meteen op wat in dit ver-band'zorgdragen' is. Zorgdragen in het recht brengt niet met zich dat men de betreffende handeling zelf verricht.Wellicht ontbreken de middelen of de bevoegdheden om het zelf te doen. Men zorgt alleen dat het gebeurt. Men den-ke hierbij aan art. 1:336 BW over de taak van de voogd.3 Indien een executeur niet bekleedis met een afwikkelingsbewinden hem derhalve de bevoegdheden om de nalatenschap te verdelen ontbreken, wat houdt voor hem dit zorgdragen dan concreet in? Raadpleging van de parlementaire geschiedenis 4geeft de oplossing. De minister:
'Veelal zal een erfgenaam die tot de ontvangstneming bereid is, het initiatief nemen tot een verdeling en anders kan en moet de executeur5 dit doen. De artikelen 3.7.1.9 lid1 van het ontwerp en 3.7.1.10 (lees: art. 3:178 en 3:181) geven de weg aan. Erfgenamen die onbekend zijn of stilzitten worden bij de verdeling door een onzijdig persoon vertegenwoordigd, maar in casu blijft het hun toebedeelde bij de executeur, die het aan de Staat afdraagt, evenals hij met de overgebleven goederen in zijn geheel zou hebben te doen in de gevallen van lid 1, tweede zin.'6
De aangegeven weg is derhalve de benoeming van een onzijdig persoon.7 Is echter door erflater een afwikkelingsbewind ingesteld dat op grond van art. 4:171 voorziet in een vergaande vertegenwoordigingsbevoegdheid bij de verdeling komt men aan de route van de onzijdig persoon niet meer toe. In zoverre zijn afwikkelingsbewindvoerder en het instituut van de onzijdig persoon communicerende vaten.