Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/14.2.2
14.2.2 Kapitaalvervangende leningen in crisistijd
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410248:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De relevante tekst van § 32a GmbHG luidde als volgt: “(1) Hat ein Gesellschafter der Gesellschaft in einem Zeitpunkt, in dem ihr die Gesellschafter als ordentliche Kaufleute Eigenkapital zugeführt hätten (Krise der Gesellschaft), statt dessen ein Darlehen gewährt, so kann er den Anspruch auf Rückgewähr des Darlehens im Insolvenzverfahren über das Vermögen der Gesellschaft nur als nachrangiger Insolvenzgläubiger geltend machen.”
Zie over deze begrippen hoofdstuk 11.
Zie Hommelhoff 1988, p. 470.
Beck 2006, p. 88.
§ 39 InsO bepaalde: “Im Rang nach den übrigen Forderungen der Insolvenzgläubiger werden in folgender Rangfolge, bei gleichem Rang nach dem Verhältnis ihrer Beträge, berichtigt: […] 5. Forderungen auf Rückgewähr des kapitalersetzenden Darlehens eines Gesellschafters oder gleichgestellte Forderungen.”
§ 135 InsO luidde: “Anfechtbar ist eine Rechtshandlung, die für die Forderung eines Gesellschafters auf Rückgewähr eines kapitalersetzenden Darlehens oder für eine gleichgestellte Forderung: (1) Sicherung gewährt hat, wenn die Handlung in den letzten zehn Jahren vor dem Antrag auf Eröffnung des Insolvenzverfahrens oder nach diesem Antrag vorgenommen worden ist; (2) Befriedigung gewährt hat, wenn die Handlung im letzten Jahr vor dem Eröffnungsantrag oder nach diesem Antrag vorgenommen worden ist.”
Tot de herziening van het GmbH-Gesetz in 2008 werd in § 32a GmbHG bepaald dat een door een aandeelhouder aan de vennootschap verstrekte lening kwalificeerde als kapitaalvervangende lening indien deze was verstrekt ten tijde van een crisis. Weinig behulpzaam werd het begrip ‘crisis’ gedefinieerd als het moment waarop de aandeelhouders volgens goed koopmansgebruik eigen (risicodragend) vermogen in plaats van vreemd vermogen hadden moeten verstrekken.1 Volgens de communis opinio was sprake van een crisis indien de vennootschap zich in een staat van Zahlungsunfähigkeit of Überschuldung bevond, of indien de vennootschap niet langer kredietwaardig was.2 Aan kredietwaardigheid ontbrak het volgens het BGH, als een onafhankelijke derde onder gelijke omstandigheden niet bereid zou zijn geweest de vennootschap tegen marktconforme voorwaarden een lening te verstrekken.3 Dat de huisbank van de onderneming niet langer tot financiering bereid was of dat bestaande schuldeisers het door hen verleende krediet opzegden, wees erop dat de vennootschap niet kredietwaardig was.4 In dat geval diende het faillissement van de vennootschap te worden aangevraagd of extra risicodragend vermogen te worden gestort. Koos de aandeelhouder ervoor om onder dergelijke omstandigheden een lening te verstrekken, dan diende de daaruit voortvloeiende vorderingen in faillissement te worden achtergesteld bij de aanspraken van de overige crediteuren.5 Aflossings- en rentebetalingen op dergelijke leningen die binnen een jaar voor de faillissementsaanvraag waren geschied, konden in faillissement door de curator worden vernietigd op grond van § 135 InsO.6 Door de vennootschap verstrekte zekerheden ten behoeve van dergelijke leningen stonden tevens aan vernietiging bloot, indien zij binnen tien jaar voor faillissement waren verstrekt.