Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/4.2
4.2 Richtlijn nr. 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS457591:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De EG-Commissie noemt met name de in het Britse recht geldende 'Anton Piller Order' (na de invoering van de Civil Procedure Act 1997 inmiddels eigenlijk genaamd 'Search Order') en de Franse regeling `procédure de saisie-contrefagon' zeer doeltreffend.
Art. 43 van deze 'Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights' bepaalt in lid 1, kort gezegd, dat de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben om, als een partij heeft gewezen op bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, die wederpartij te gelasten dit materiaal over te leggen, eventueel met inachtneming van voorwaarden die de bescherming van vertrouwelijke informatie verzekeren.
De EG-Commissie schrijft dat dit recht op informatie onder andere met succes is ingevoerd in de Beneluxmerkenwet. Ik neem aan dat art. 13 bis lid 5 van die wet wordt bedoeld inhoudende `De rechter kan, op vordering van de merkhouder, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst van de zaken, waarmee die inbreuk is gepleegd, aan de merkhouder mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken'. Er wordt niet verwezen naar de Rapprochement DJ. In een ander verband vertelde Stomme in het in het begin van par. 4.1 genoemde interview dat het in die tijd nog ondenkbaar was om te denken en schrijven over harmonisatie van procesrecht.
Voor de volledigheid vermeld ik nog dat art. 9, lid 3 bepaalt dat de rechterlijke instanties voor-of bij het opleggen van maatregelen tegen de vermeende inbreukmaker de bevoegdheid hebben om van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal overlegt opdat zij zich er met voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de eiser de houder is van het recht en dat er inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.
Wetsvoorstel 30392, Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten, de Databankwet, de Handelsnaamwet, de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleider-producten (Stb. 484), de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en de Landbouwkwaliteitswet ter uitvoering van Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (PbEG L 195).
Zoals hiervoor in par. 2.3 is vermeld, is het inzagerecht op specifieke terreinen onderwerp van, inmiddels, EU-recht. Zo diende de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna de Europese Commissie) op 15 oktober 1998 een Groenboek Bestrijding van namaak en piraterij in de interne markt in. Namaak en piraterij moeten volgens de Europese Commissie worden bestreden omdat zij tot verlies van vertrouwen in de interne markt leiden, tot een daling van het investeringsniveau en afbreuk doen aan de bescherming van de consument en de openbare veiligheid verminderen. Het Groenboek geeft een ruime betekenis aan de woorden namaak en piraterij en vermeldt
... dat ze betrekking hebben op alle producten, werkwijzen en diensten die het voorwerp of het resultaat zijn van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, d.w.z. een industrieel eigendomsrecht (fabrieks- of handelsmerk, tekening of model van nijverheid, octrooi, gebruiksmodel, geografische aanduiding), een auteursrecht of een naburig recht (recht van uitvoerende kunstenaars, recht van producenten van fonogrammen, recht van producenten van de eerste vastleggingen van films, recht van omroeporganisaties), of het recht sui generis van de fabrikant van de databank.'
De bestrijding van dit fenomeen noemt de Europese Commissie van groot belang. Zij constateert dat civielrechtelijke handhaving niet in alle EU-landen gelijk is en dat voorlopige maatregelen, bijvoorbeeld om bewijsstukken veilig te stellen, geboden zijn. Het verzamelen en bewaren van bewijs is een belangrijk element in de strijd tegen namaak en piraterij en een regeling van beslag op namaakproducten noemt de Europese Commissie een doeltreffend middel om bewijzen te verzamelen en te bewaren.1
Een andere mogelijke maatregel die doeltreffend kan zijn in de strijd tegen namaak is het recht op informatie. Die, in de TRIPS-overeenkomst facultatieve,2 maatregel is onafhankelijk van de schadevordering en is gericht tegen elke inbreuk-maker die op straffe van een sanctie kan worden gelast inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de inbreukmakende goederen, de distributiekanalen en de identiteit van de bij de productie en de distributie van de goederen betrokken derden. Dit recht op informatie moet, aldus de Europese Commissie, wel gepaard gaan met doeltreffende beschermingsmaatregelen teneinde de vertrouwelijkheid van de verstrekte gegevens te verzekeren.3 Op grond hiervan stelt de Europese Commissie aan de EG-leden onder meer de vraag of de verplichting van de inbreuk-maker om bepaalde gegevens te verstrekken (recht op informatie) een dienstige maatregel is in de strijd tegen de namaak en de piraterij.
Op 29 april 2004 wordt vervolgens Richtlijn nr. 2004/48/EG uitgevaardigd. De nummers 20 en 21 van de considerans stellen dat het bewijs een uiterst belangrijk element is voor de vaststelling van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten en dat er dus voor moet worden gezorgd dat effectieve middelen voor het overleggen, verkrijgen en beschermen van bewijsmateriaal beschikbaar zijn. Bij deze procedures moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden, waaronder de bescherming van vertrouwelijke informatie. In het geval van inbreuken die op commerciële schaal plaatsvinden, is het voorts van belang dat de rechter desnoods inzage kan gelasten van bancaire, financiële of commerciële documenten waarover de inbreukmaker beschikt. In alle lidstaten moeten maatregelen beschikbaar zijn om een hoog niveau van bescherming mogelijk te maken. Dit geldt voor het recht op informatie waardoor waardevolle gegevens kunnen worden verkregen over de herkomst van de inbreukmakende goederen of diensten, de distributiekanalen en de identiteit van de bij de inbreuk betrokken derden. Na deze considerans volgen 22 artikelen.
Van belang voor het recht op inzage zijn in de tweede afdeling genaamd Bewijsmateriaal, art. 6 en art. 7, lid 1 en in de derde afdeling genaamd Recht op informatie art. 8, de leden 1 en 2.4 De teksten van deze artikelen, voor zover van belang, luiden als volgt.
Art. 6 lid 1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te onderbouwen, en voor de staving van haar vorderingen bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij kunnen gelasten, behoudens bescherming van vertrouwelijke informatie. Voor de toepassing van dit lid kunnen de lidstaten bepalen dat een redelijk monster van een belangrijk aantal exemplaren van een werk of enig ander beschermd voorwerp door de bevoegde rechterlijke instanties als aanvaardbaar bewijsmateriaal moet worden beschouwd.
Lid 2. De lidstaten treffen de noodzakelijke maatregelen teneinde de bevoegde rechterlijke instanties onder dezelfde omstandigheden in staat te stellen, in geval van inbreuk op commerciële schaal, op verzoek van een partij in voorkomend geval overlegging te kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich onder de macht van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.
Art. 7 Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal
Lid 1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, reeds voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrechten is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Tot deze maatregelen kunnen behoren de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de litigieuze goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie en/of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten. Deze maatregelen worden genomen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name indien het aannemelijk is dat uitstel de rechthebbende onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar voor vernietiging van bewijsmateriaal bestaat.
…
Art. 8 Recht op informatie
Lid 1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties, tijdens een gerechtelijke procedure wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, op gerechtvaardigd en redelijk verzoek van de eiser kunnen gelasten dat informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt verstrekt door de inbreukmaker en/of door een andere persoon die:
a) de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben;
b) de inbreukmakende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken;
c) op commerciële schaal diensten bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, blijkt te verlenen; of:
d) door een onder a), b) of c) bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de fabricage of de distributie van deze goederen of bij het verlenen van deze diensten.
Lid 2. De in lid 1 bedoelde informatie omvat naargelang passend is:
a) de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot-en kleinhandelaren;
b) inlichtingen over de geproduceerde, gefabriceerde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.
Eerder is in par. 2.3 vermeld op welke wijze deze Richtlijn in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is verwerkt via wetsvoorstel 30392.5 Ik volsta hier met verwijzing naar die paragraaf.